ECLI:NL:TADRAMS:2026:175 Raad van Discipline Amsterdam 26-528/A/A 26-533/A/A 26-534/A/A 26-535/A/A 26-536/A/A 26-537/A/A 26-538/A/A 26-539/A/A 26-540/A/A 26-541/A/A 26-542/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:175 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2026 |
| Datum publicatie: | 21-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over het optreden van verweerders in andere hoedanigheid. De klacht heeft betrekking op een geschil tussen klager en verweerders over hun opvattingen (en uitlatingen hierover in de sociale media) ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict en de oorlog in Gaza. De tuchtrechter gaat niet over dergelijke geschillen, tenzij kan worden vastgesteld dat verweerders in dit onderliggende geschil met hun handelen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Dat is de voorzitter niet gebleken. Klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 13 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaken 26-528/A/A, 26-533/A/A, 26-534/A/A, 26-535/A/A, 26-536/A/A, 26-537/A/A,
26-538/A/A, 26-539/A/A, 26-540/A/A, 26-541/A/A en 26-542/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerders
gemachtigde: verweerder 1
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 24 juni 2026 met kenmerk 2518043/JS/JN, door de raad
ontvangen op 24 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot
en met 04.
Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de namens verweerders op 21 juli 2026
toegezonden stukken. Verder heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 22 juli 2026
door klager nagezonden stukken, nadat deze op verzoek van de raad waren teruggebracht
tot het toegestane maximum van 25 bladzijden.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 5 april 2024 heeft verweerder 1, mede namens verweerders 2 tot en met
11, bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland
een klacht ingediend over klager, die destijds kantoor hield in Lelystad. De klacht
had betrekking op de wijze waarop klager zich publiekelijk (in de sociale media) uitliet
over het Israëlisch-Palestijns conflict en de oorlog in Gaza. Verweerders stelden
dat zij door de uitlatingen en handelingen van klager rechtstreeks in hun belang werden
getroffen vanwege hun joodse identiteit en oorlogsverleden.
1.2 Op 24 februari 2025 hebben verweerders ook bezwaar gemaakt tegen verlening
van de stageverklaring aan klager.
1.3 Op 25 februari 2025 is verweerder overgestapt naar het arrondissement Noord-Holland
en sindsdien houdt hij kantoor in Haarlem.
1.4 Het onderzoek naar en de behandeling van de op 5 april 2024 ingediende klacht
is verricht en afgerond door de deken Midden-Nederland, die partijen op 24 juli 2025
heeft laten weten dat de verwachting was dat de tuchtrechter de klacht in alle onderdelen
(kennelijk) niet-ontvankelijk zal verklaren vanwege een gebrek aan een rechtstreeks
eigen belang. Daarna is het dossier overgedragen aan de deken van de orde van advocaten
in het arrondissement Noord-Holland, omdat klager (zoals gezegd) inmiddels in Haarlem
kantoor hield en nog steeds houdt. De deken Noord-Holland heeft de klacht voor verdere
behandeling doorgestuurd aan de raad, alwaar de klacht is geregistreerd onder het
kenmerk 25-497/A/NH.
1.5 Op 24 juli 2025 is het bezwaar van verweerders tegen de verlening van de
stageverklaring door de raad van de orde van advocaten Midden-Nederland kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerders geen belanghebbende zijn bij het besluit
tot het verlenen van de stageverklaring.
1.6 Bij beslissing van de voorzitter van 22 september 2025 (kenmerk 25-497/A/NH)
is de door verweerders op 5 april 2024 ingediende klacht kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard vanwege het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang. Deze beslissing
is inmiddels rechtens onaantastbaar.
1.7 Op 1 september 2025 heeft klager als reactie op de klacht van verweerders
op zijn beurt bij de deken de navolgende klacht over verweerders ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Volgens klager
voeren verweerders een hetze tegen hem nadat klager sinds 7 oktober 2023 openlijk
kritiek is gaan uiten op de staat Israël. Verweerders hebben sindsdien, aldus klager,
allerlei initiatieven ontplooid om hem te schaden. Klager verwijt verweerders concreet
het volgende.
a) schending van gedragsregel 1: misbruik van (klacht)recht door de klacht tegen
klager van 5 april 2024 voor oneigenlijke doelen aan te wenden;
b) schending van gedragsregel 5: de klacht tegen klager nodeloos te juridiseren
door na te laten met klager in gesprek te treden over zijn uitingen alvorens een klacht
in te dienen;
c) schending van gedragsregel 6: klager hierdoor onnodig op kosten te jagen met
betrekking tot juridische bijstand;
d) schending van gedragsregel 6: nodeloos en op ontoelaatbare wijze de belangen
van klager te schenden en hem leed aan te doen;
e) schending van gedragsregel 7: zich zonder goede reden grievend over klager
uit te laten door hem te beschuldigen van antisemitische uitingen en bij te dragen
aan een klimaat waarin uitingen van antisemitisme worden aangewakkerd. (Dit klachtonderdeel
is niet van toepassing op verweerders 2, 3 en 5);
f) schending van gedragsregel 8: klager op basis van onjuiste en onvolledige
informatie af te schilderen als een antisemiet;
g) schending van gedragsregel 10: klager in zijn hoedanigheid van advocaat te
besmeuren door zich op malicieuze wijze te verenigen en een klacht tegen hem in te
dienen wat heeft geleid tot een voorpagina-artikel in de Telegraaf waardoor het vertrouwen
in de advocatuur bij lezers van dat artikel is geschaad;
h) schending van gedragsregel 24: door na te laten als collega-advocaat eerst
het gesprek met klager aan te gaan, zijn verweerders voorbijgegaan aan het uitgangspunt
dat advocaten dienen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid
en vertrouwen.
3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van
advocaat, blijft het advocatentuchtrecht op hem van toepassing, maar in een dergelijk
geval toetst de tuchtrechter slechts aan de beperkte maatstaf of de advocaat zich
in die andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de
advocatuur wordt geschaad. Als dat het geval is zal in het algemeen sprake zijn van
een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.
4.2 De voorzitter stelt vast dat het in de onderhavige klacht niet gaat om het
optreden van verweerders in hun hoedanigheid van advocaat, maar dat de klacht betrekking
heeft op het geschil tussen klager en verweerders over hun opvattingen (en uitlatingen
hierover in de sociale media) ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict en
de oorlog in Gaza. De tuchtrechter gaat niet over dergelijke geschillen, tenzij kan
worden vastgesteld dat verweerders in dit onderliggende geschil met hun handelen het
vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.
4.3 Aan de hand van deze maatstaf zal de voorzitter de klacht beoordelen.
Klachtonderdelen a), d), e) (behalve verweerders 2, 3 en 5), f), g)
4.4 De voorzitter is van oordeel dat deze klachtonderdelen in de kern betrekking
hebben op het onderliggende geschil dat klager en verweerders verdeeld houdt en onvoldoende
verband houdt met het beroep van advocaat. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter
om over de juistheid van de standpunten in dit geschil een oordeel te geven. Het enkele
feit dat klager zijn verwijten onderbouwt met een beroep op de gedragsregels, rechtvaardigt
niet de conclusie dat de klacht daarmee binnen het bereik van het tuchtrecht valt.
Een oordeel over het onderliggende geschil - in het geval dit tot een procedure leidt
- is voorbehouden aan de civiele rechter of strafrechter, tenzij duidelijk is dat
de verwerende advocaten de in 4.2 genoemde maatstaf hebben overtreden. Daarvan is
echter geen sprake. Deze klachtonderdelen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen b), c) en h)
4.5 Klager verwijt verweerders in deze klachtonderdelen dat zij voorafgaand aan
het indienen van hun klacht over klager niet eerst contact met klager hebben gezocht.
In plaats van het gesprek aan te gaan hebben zij achter zijn rug om de deken benaderd
en een tuchtklacht over hem ingediend. Daarmee hebben verweerders volgens klager hun
grieven nodeloos gejuridiseerd en daardoor klager nodeloos op kosten gejaagd met betrekking
tot juridische bijstand. Van verweerders had mogen worden verwacht dat zij eerst met
klager als collega-advocaat het gesprek zouden zoeken. Klager heeft echter niets van
verweerders gehoord, totdat journalisten van De Telegraaf hem benaderden met het verzoek
om commentaar te geven op de klacht die over hem was ingediend.
4.6 De voorzitter overweegt dat hoewel het wellicht beter was geweest als verweerders
voorafgaand aan het indienen van hun klacht contact hadden opgenomen met klager, er
geen verplichting bestond daartoe. Verweerders hebben toegelicht dat het volgens hen
zinloos was om eerst contact op te nemen met klager alvorens een klacht in te dienen.
Het stond verweerders vrij zo te handelen en er is geen sprake van dat zij klager
daarmee nodeloos kosten voor juridische bijstand hebben bezorgd. Gelet hierop is de
voorzitter van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat verweerders het vertrouwen
in de advocatuur hebben geschaad.
4.7 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht over verweerders,
met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond
verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 augustus 2026