ECLI:NL:TADRAMS:2026:171 Raad van Discipline Amsterdam 26-607/A/A 26-614/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:171
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-607/A/A
  • 26-614/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft zich in de conclusie van antwoord niet onnodig kwetsend over klager dan wel over de moeder van klager uitgelaten. Verweerder mocht die tekst gebruiken om het standpunt van zijn cliënte naar voren te brengen in reactie op de namens klager uitgebrachte dagvaarding. Klacht is kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 17 augustus 2026 
in de zaken 26-607/A/A en 26-614/A/A

naar aanleiding van de klachten van:

klager

over:

verweerders.

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 15 juli 2026 met kenmerk 2506858 en 2506859/JS/MV, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerder 2 van 4 augustus 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    In juli 2012 heeft ABN AMRO Bank (hierna: ABN AMRO) geweigerd een aantal betaalopdrachten uit te voeren ten laste van de bankrekeningen van de moeder van klager en van een aantal familieleden op wier rekeningen zij gemachtigde was. ABN AMRO heeft de betreffende bankrekeningen geblokkeerd.
1.2    Klager is op naam van zijn moeder twee procedures in kort geding tegen ABN AMRO gestart vanwege de geblokkeerde bankrekeningen. De voorzieningenrechter heeft in het voordeel van ABN AMRO geoordeeld.
1.3    In oktober en november 2013 heeft op verzoek van klager namens zijn moeder een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Daarna is ABN AMRO in april 2014 door de moeder van klager in kort geding gedagvaard.
1.4    Op 18 en 24 april 2017 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder 1 en een kantoorgenoot van verweerder. De voorzitter van de raad van discipline Amsterdam heeft deze klacht op 24 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard vanwege tijdsverloop. Het daartegen ingestelde verzet is op 4 juni 2018 door de raad van discipline Amsterdam ongegrond verklaard.
1.5    Op 30 juni 2017 heeft de moeder van klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder 1 en een kantoorgenoot van verweerder 1. De voorzitter van de raad van discipline Amsterdam heeft deze klacht niet-ontvankelijk verklaard vanwege tijdsverloop. Het daartegen ingestelde verzet is op 4 juni 2018 door de raad van discipline Amsterdam ongegrond verklaard. 
1.6    In december 2024 is klager een dagvaardingsprocedure tegen ABN AMRO gestart. 
1.7    Op 19 februari 2025 heeft verweerder 2 de advocaat van klager gemaild over procesafspraken en uitstel. In deze e-mail is vermeld:
‘De omvangrijke dagvaarding en het groot aantal producties vergen dat de Bank voldoende tijd nodig heeft om daar bij conclusie van antwoord op te reageren. De standaard eerste termijn na de eerste roldatum […] is daarvoor onvoldoende. De omvang van de zaak rechtvaardigt volgens de Bank dat tussen partijen nadere procesafspraken worden gemaakt. De Bank ziet graag dat zij op de volgende roldatum […] een nader uitstel verkrijgt voor het indienen van de conclusie van antwoord van minimaal acht weken. […] Uiteraard geldt voor het instemmen door u met het nader door de Bank verzochte uitstel dat de Bank ook bereid is in te stemmen met een uitstelverzoek dat in de toekomst namens [klager] wordt gedaan.’
1.8    Op 25 juni 2025 is namens ABN AMRO een conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie (hierna: de conclusie van antwoord) ingediend. Onderaan deze conclusie van antwoord is vermeld:
‘voor mr. [verweerder 1], mr. [verweerder 2], advocaat’
1.9    In de conclusie van antwoord is in alinea’s 13, 79, 105, 107, 109, 120 en 122 vermeld:

- Alinea 13:
‘De aanleiding van de onderhavige zaak past precies in dit patroon. Toen [klager] door middel van de bankrekeningen en machtigingen van zijn moeder in 2012 zichzelf probeerde te verrijken ten koste van zijn oom en/of de bank, heeft de Bank de bij deze zwendel betrokken rekeningen geblokkeerd. (…)’

- Alinea 79:
‘Hoe het ook zij, de rechtbank oordeelde dat de voorlopige getuigenverhoren wel zouden plaatsvinden. (…) Wel hecht de Bank eraan op te merken dat de door [de moeder van klager] en [klager] onder ede afgelegde verklaringen het beeld van de Bank hebben bevestigd dat [klager] (…) de initiator van- en het brein was achter de Onrechtmatige Betaalopdrachten en dat [de moeder van klager] daarvan voorafgaand aan het uitvoeren van de transacties geen kennis had en die ook niet zelf had uitgevoerd, ondanks dat zij als enige op de rekeningen was gemachtigd en [klager] niet. [Klager] maakte dus misbruik van de betaalpas van zijn moeder, als gemachtigde van haar broer, teneinde zichzelf met forse bedragen te verrijken (…).’

- Alinea 105:
‘In de dagvaarding stelt [klager] meermaals dat de leeftijd van [de moeder van klager] geen     belemmering mocht zijn voor het uitvoeren van de Onrechtmatige Betaalopdrachten. Hij wijst er hierbij onder meer op dat uit de verlenging van haar rijbewijs en een medisch keuringsrapport zou blijken dat zij ook op late leeftijd zowel fysiek als mentaal in goede gezondheid verkeerde. Dit argument is irrelevant, omdat – ook als wordt aangenomen dat [de moeder van klager] compos mentis was – dit niets verandert aan de ongeldigheid van de Onrechtmatige Betaalopdrachten en het onrechtmatige en benadelende karakter ervan. In de eerste plaats wijst de Bank erop dat [de moeder van klager] de Onrechtmatige Betaalopdrachten niet zelf heeft geïnitieerd en tekortschoot jegens […] en de Bank door [klager] over haar betaalpas te laten beschikken. Ook afgezien daarvan konden de Onrechtmatige Betaalopdrachten niet door de beugel, zelfs al zouden deze wel door [de moeder van klager] zelf en welbewust zijn gegeven. Dit zou immers nog steeds misbruik van haar volmacht zijn geweest en onrechtmatig zijn geweest tegenover […] en de Bank.

- Alinea 107:
‘Het is evident dat [klager] met het misbruik van de bankpas heeft geprobeerd zichzelf te verrijken ten koste van […] en de Bank. Enige geloofwaardige uitleg zijdens [de moeder van klager] dan wel [klager] om dit te ontkrachten […] blijft tot op de dag van vandaag achterwege. [Klager] kan dit ook niet, omdat hij dan zou moeten toegeven dat sprake is van misbruik. Dit verklaart dat een dergelijk gesprek hierover – ondanks diverse uitnodigingen daartoe – al dan niet door toedoen van [klager], nimmer heeft plaatsgevonden. Het had verder voor de hand gelegen dat [de moeder van klager] uitleg had verschaft over de reden achter de Opmerkelijke Transacties en de Onrechtmatige Betaalopdrachten tijdens het door haar in 2012 geïnitieerde kort-geding. Ook dat was echter niet het geval. In deze procedure werd over enige (logische) verklaring van de Onrechtmatige Betaalopdrachten en de Opmerkelijke Transacties met geen woord gerept en [de moeder van klager] was ter zitting niet aanwezig.

- Alinea 109:
‘Enige vastlegging die deze verklaring ondersteunt is niet voorhanden en deze kan, mede gelet op de verklaringen van […] en hun onbekendheid met de transacties, als kennelijk leugenachtig en meinedig worden afgedaan. Dit geldt temeer nu [de moeder van klager] in datzelfde voorlopige getuigenverhoor heeft verklaard niet te weten of zij op de hoogte was van de (aan de Onrechtmatige Betaalopdrachten voorafgaande) overboekingen van haar eigen rekening naar die van haar broer en diens vrouw, […], dat zij niet wist wat aan die overboekingen voorafging en dat zij geen weet had van de overboeking van de rekening van haar broer, […] naar de ING-rekening van haar zoon [klager]. Zij heeft niets verklaard over een erfenis of het aangaan van leningen.’

- Alinea 120:
‘Een en ander betekent dat [klager] van zijn moeder […], betaling (heeft ge-)eist van een lening die hij niet aan haar heeft verstrekt.’

- Alinea 122:
‘Hoe het ook zij, op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een sluitende en geloofwaardige verklaring voor zowel de Opmerkelijke Transacties als de Onrechtmatige Betaalopdrachten nog altijd niet is gegeven. De enige verklaring die überhaupt is gegeven, is evident leugenachtig. Bovendien is deze enige gegeven verklaring afkomstig van [klager] zelf – de enige die als gevolg van de Opmerkelijke Transacties is verrijkt – terwijl de overige betrokken rekeninghouders (te weten: […]) hebben verklaard de (context van de) Opmerkelijke Transacties en de Onrechtmatige Betaalopdrachten niet te kennen. Onder deze omstandigheden bestaat geen enkele twijfel dat de Bank, door de Onrechtmatige Betaalopdrachten niet uit te voeren en de betrokken rekeningen te blokkeren, adequaat heeft gehandeld.’

1.10    Op 17 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerders ingediend. 

1.11    Op 31 juli 2025 is namens verweerder 1 een B-formulier bij de rechtbank ingediend. Daarin heeft verweerder 1 bezwaar gemaakt tegen de namens klager verzochte termijn van acht weken voor de indiening van een conclusie van antwoord in reconventie. 

1.12    Op 1 augustus 2025 heeft klager zijn klacht uitgebreid.

1.13    Op 15 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van klager afgewezen en klager veroordeeld in de volledige proceskosten van ABN AMRO.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders het volgende: 
a)    verweerders hebben zich onder punt 105 van de conclusie van antwoord beledigend uitgelaten over de moeder van klager;
b)    verweerders hebben onder punten 13 en 79 van de conclusie van antwoord geschreven dat klager zich persoonlijk heeft verrijkt;
c)    verweerders hebben onder punten 107, 120 en 122 van de conclusie van antwoord geschreven dat klager een ‘frauduleur’ en oplichter is, evenals de notaris en de accountant en dat klager zijn moeder heeft bedreigd om een valse akte op te maken;
d)    verweerders hebben onder punt 109 van de conclusie van antwoord klager beschuldigd van meineed;
e)    verweerders hebben in strijd met de bij e-mail van 19 februari 2025 gedane toezegging bij rolbericht van 31 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het gevraagde uitstel. 
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerders voeren verweer tegen de klacht. In dat kader doen zij ten aanzien van verweerder 2 een beroep op niet-ontvankelijkheid van de klacht. Verweerders merken erop dat verweerder 2 niet de behandelend advocaat is en dat de (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid voor de inhoud van de conclusie van antwoord niet bij hem is komen te rusten. Het B-formulier is door de roladministratie namens verweerder 1 ingediend.
Verder doen verweerders een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht vanwege het ne bis in idem-beginsel dan wel misbruik van recht. In dat kader voeren verweerders aan dat klager al meer dan twaalf jaar bekend is met het feitencomplex waarop klachtonderdelen a) tot en met d) betrekking hebben en dat klager daarover reeds heeft geklaagd, welke klacht niet-ontvankelijk is verklaard. Verder voeren verweerders aan dat klager misbruik maakt van procesrecht en er slechts op uit is om ABN AMRO te beschadigen en op kosten te jagen. 
3.2    Inhoudelijk betwisten verweerders dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. In dat kader voeren verweerders aan dat alinea 105 geen belediging van de moeder van klager bevat. Volgens verweerders gaat het om een zakelijk geformuleerde en op feiten gebaseerde reactie op de stellingen van klager in de dagvaarding. Verder merken verweerders op dat in paragraaf 2.1 en verder van de conclusie van antwoord gemotiveerd uiteen is gezet welke modus operandi klager heeft gehanteerd en waartoe dit zou hebben geleid indien ABN AMRO niet zou hebben ingegrepen.

Klachtonderdeel c) is volgens verweerders onbegrijpelijk en ongegrond. Klachtonderdeel d) is volgens verweerders ook ongegrond.

Tot slot hebben verweerders aangevoerd dat indiening van het B-formulier niet strijdig was met de toezegging van 19 februari 2025 aan de advocaat van klager. Volgens verweerders was niet afgesproken dat bij voorbaat akkoord zou worden gegaan met elk uitstel en dat in het formulier uitsluitend bezwaar is gemaakt tegen de lengte van het eenzijdig gevraagde uitstel.

3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1    Voordat de voorzitter de klachtonderdelen inhoudelijk kan beoordelen, moet de voorzitter gelet op het gevoerde verweer en ook ambtshalve, eerst vaststellen of klager in zijn klacht over verweerders kan worden ontvangen. 
4.2    De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier vast dat verweerder 1 zijn cliënte ABN AMRO bijstaat in het geschil met klager en dat verweerder 1 namens zijn cliënte een conclusie van antwoord heeft opgesteld. Het feit dat verweerder 2 de conclusie van antwoord voor (en dus namens) verweerder 1 heeft ondertekend, betekent niet dat verweerder 2 daarmee ook de behandelend advocaat van ABN AMRO is of dat hij daarmee verantwoordelijk is geworden voor de inhoud daarvan. Verder is het de voorzitter uit de stukken niet gebleken dat het B-formulier waarbij namens ABN AMRO bezwaar is gemaakt tegen het door klager gevraagde uitstel bij de rechtbank is ingediend door en/of namens verweerder 2. De klacht ten aanzien van verweerder 2 is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4.3    Voor wat betreft het beroep op ne bis in idem oordeelt de voorzitter dat die situatie zich in deze klachtzaak niet voordoet. Het ne bis in idem-beginsel in het tuchtrecht houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.4    Hoewel klager over zijn geschil met ABN AMRO al eerder over verweerder 1 heeft geklaagd, zijn de verwijten die klager verweerder 1 in deze klachtzaak maakt anders dan de eerdere verwijten. Klager verwijt verweerder 1 nu bepaalde uitlatingen in de conclusie van antwoord van 25 juni 2025 en het op 31 juli 2025 gemaakte bezwaar tegen uitstel. Daar heeft klager niet eerder over geklaagd en de tuchtrechter heeft daarover ook nog niet eerder geoordeeld. De klacht over verweerder 1 is daarom ontvankelijk. Dit betekent dat de voorzitter de klacht over verweerder 1 hierna inhoudelijk zal beoordelen.
Toetsingskader
4.5    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
4.6    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a), b), c) en d) zijn kennelijk ongegrond
4.7    Klachtonderdelen a), b), c) en d) gaan over de door verweerder 1 gekozen bewoordingen in de conclusie van antwoord van 25 juni 2025. De voorzitter zal deze klachtonderdelen daarom gezamenlijk beoordelen.
4.8    De voorzitter oordeelt op grond van de inhoud van de overgelegde conclusie van antwoord dat verweerder 1 zich niet onnodig kwetsend over klager dan wel over de moeder van klager heeft uitgelaten. Klager en de cliënte van verweerder 1, ABN AMRO, zijn verwikkeld in een geschil over geblokkeerde bankrekeningen van de moeder van klager en een aantal van haar familieleden vanwege een aantal vanaf de bankrekening van de moeder van klager verrichte betaalopdrachten waar ABN AMRO vraagtekens bij zet. Binnen deze context zijn de door verweerder 1 in alinea’s 13, 79, 105 en 109 gebruikte bewoordingen functioneel en stond het hem ook vrij om die in het belang van zijn cliënte in de conclusie van antwoord te gebruiken. Het is de voorzitter daarbij niet gebleken dat verweerder 1 de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overschreden. Uit de stukken van klager is duidelijk dat klager deze bewoordingen als beledigend en beschuldigend ervaart, maar dat betekent niet dat verweerder door het gebruik van de bewoordingen klachtwaardig heeft gehandeld.
4.9    Voor wat betreft de alinea’s 107, 120 en 122 van de conclusie van antwoord leest de voorzitter daarin niet dat verweerder 1 heeft geschreven dat klager een fraudeur en een oplichter is of dat klager zijn moeder heeft bedreigd om een valse akte op te maken. Klager komt blijkbaar zelf tot die conclusie op grond van de tekst die verweerder 1 in deze alinea’s heeft gebruikt, maar die conclusie komt niet overeen met de daadwerkelijke inhoud van deze drie alinea’s. De tekst van deze alinea’s hebben een functionele inhoud en zijn zakelijk van toon. Verweerder mocht die tekst gebruiken om het standpunt van zijn cliënte naar voren te brengen in reactie op de namens klager tegen ABN AMRO uitgebrachte dagvaarding. Van onnodig kwetsende opmerkingen is daarbij, ook door de context waarbinnen zij zijn gemaakt, geen sprake.
4.10    Uit het bovenstaande volgt dat klachtonderdelen a) tot en met d) kennelijk ongegrond zijn. De standpunten die klager voor het overige nog in zijn stukken naar voren heeft gebracht, leiden niet tot een ander oordeel.
Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond
4.11    De voorzitter oordeelt dat verweerder 1 ten aanzien van het rolbericht van 31 juli 2025 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het betreffende rolbericht blijkt dat aan klager reeds een termijn van zes weken was gegeven voor het reageren op de eis in reconventie en dat verweerder 1 alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de duur van het gevraagde nadere uitstel, niet tegen het gevraagde uitstel zelf. Het stond verweerder 1 in het belang van zijn cliënte vrij om dat te doen. De op 19 februari 2025 gedane toezegging betekent niet dat verweerder 1 met elk uitstel ongeacht de duur daarvan akkoord hoefde te gaan. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.12    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht over verweerder 2, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder b Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. De voorzitter zal de klacht over verweerder 1, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.


BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart de klacht over verweerder 2, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht over verweerder 1, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Griffier                                           Voorzitter

Verzonden op: 17 augustus 2026