ECLI:NL:TADRAMS:2026:167 Raad van Discipline Amsterdam 26-457/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:167 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-457/A/A |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in zijn hoedanigheid van bindend adviseur. Voldoende aanknopingspunten met het beroep van advocaat. Het advocatentuchtrecht is volledig van toepassing. Niet gebleken dat verweerder voor de adviesaanvraag relevante informatie heeft genegeerd. Het advies is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld in zijn rol van bindend adviseur. Klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 27 juli 2026
in de zaak 26-457/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 juni 2026 met kenmerk 2514233/ER/JN, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 17 juni 2026 van klager.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 26 juni 2024 heeft klager aangifte gedaan van seksuele intimidatie van
zijn in april 2020 overleden echtgenote door haar voormalig werkgever. Daarna heeft
klager zijn rechtsbijstandsverzekeraar benaderd om de door hem en zijn overleden echtgenote
geleden (immateriële) schade vanwege grensoverschrijdend gedrag te verhalen op de
voormalig werkgever van zijn echtgenote.
1.2 De rechtsbijstandsverzekeraar, Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna: Achmea),
vindt dat er geen mogelijkheid is om schade te vorderen. Klager is het daar niet mee
eens en hij heeft een beroep gedaan op de geschillenregeling van Achmea.
1.3 Achmea en klager hebben verweerder gekozen als bindend adviseur. Zij hebben
verweerder op 6 maart 2025 gevraagd om een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te
geven. In dat kader is aan verweerder de volgende vraag voorgelegd:
‘Heeft, Stichting Achmea Rechtsbijstand, kunnen beslissen dat er gelet op de beschikbare
informatie en stukken geen redelijke kans van slagen is op verhaal van de door hemzelf
of door [de echtgenote van klager] geleden schade als gevolg van door verzekerde gestelde
gedragingen van haar werkgever tegen haar.’
1.4 Op 11 april 2025 heeft verweerder op zijn kantoor met klager gesproken en
op 15 april 2025 heeft verweerder een bindend advies gegeven. In dat advies heeft
verweerder het volgende vermeld:
‘Na zorgvuldige beoordeling van de beschikbare informatie en op basis van toepasselijke
wetgeving en rechtspraak, kom ik tot de volgende bindende conclusie:
1. Een vordering namens [de echtgenote van klager] tot vergoeding van immateriële
schade is juridisch niet toewijsbaar, aangezien zij tijdens haar leven geen mededeling
heeft gedaan dat zij aanspraak wenste te maken op smartengeld (art. 6:106 lid 2 BW).
2. Een vordering door [klager] op eigen titel is evenmin toewijsbaar, omdat niet
is voldaan aan de juridische voorwaarden voor shockschade (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356)
of affectieschade (Wet vergoeding affectieschade; art. 6:107/6:108 BW). Daarbij geldt
dat ook uit de mij ter beschikking gestelde stukken geen strafbare feiten kunnen worden
afgeleid.
De verzekeraar heeft daarmee terecht geconcludeerd dat er geen redelijke kans op
succes bestaat in een civielrechtelijke schadevergoedingsactie. De beslissing om geen
dekking te verlenen voor verdere juridische bijstand in deze kwestie is daarmee gerechtvaardigd.’
1.5 Op 25 april 2025 heeft klager verweerder gemaild. In zijn e-mail heeft klager
gesteld dat in het bindend advies dingen staan die feitelijk onjuist zijn en dat hij
nog reacties wil krijgen van diverse mensen en instanties, waaronder Achmea en de
voormalig werkgever en collega’s van zijn echtgenote.
1.6 Op 26 april 2025 heeft verweerder klager gemaild:
‘Zoals u weet heb ik mijn bindend advies uitgebracht en zijn mijn bemoeienissen
daarmee tot een einde gekomen. Ik zie dat u nog vragen heeft voor verzekeraar. Die
kunt u natuurlijk bij de verzekeraar kwijt maar daar kan ik u verder niet mee helpen.
U schrijft mij:
"In het bindend advies staat dat ik nog een wedervraag mag stellen die ik niet heb gehad, "omdat het over [de echtgenote van klager] ging en uiteindelijk ook uithuisplaatsing kinderen na proberen een aangifte te doen!"
Ik begrijp niet zo goed dat u daarmee bedoelt want mijn bindend advies ging daar niet over.
Hoe dan ook: ik heb u een duidelijk advies gegeven. Meer dan dat kan ik in deze niet voor u betekenen. Ik ga dan ook over tot het sluiten van onze correspondentie. Wellicht kunt u nog een keer spreken met een vriendin die mee was naar kantoor en die aangaf blij te zijn dat ik zo goed naar u geluisterd had en zich ook te kunnen vinden in het advies. Nu zij zelf jurist is stelt u dat misschien ook enigszins gerust. Nogmaals ik heb er alle begrip voor dat u allerlei gevoelens en ideeën heeft over de ex-werkgever en de mensen die daar werkten. Dat neemt echter niet weg dat de werkelijkheid van alledag vaak een andere is dan de juridische realiteit. Juridisch zie ik onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van een redelijke kans op succes.
Het ga u goed!’
1.7 Op 27 april 2025 heeft klager verweerder opnieuw gemaild.
1.8 Op 28 april 2025 heeft verweerder klager gemaild:
‘Het spijt mij dat u geen genoegen kan nemen met het bindend advies. Zoals ik al
vele male heb gezegd vind ik het erg vervelend dat u zo veel verdriet heeft van dit
alles.
Wij hebben tijdens ons gesprek op kantoor alles besproken wat van toepassing is op de zaak rondom de schadevergoeding. U heeft uw verhaal gedaan en ik heb aandachtig geluisterd. Ik heb tijdens het gesprek gereageerd op alles wat u heeft gezegd en heb daarna duidelijk aan u uitgelegd wanneer iemand zijn schade kan verhalen. Aan de hand van uw verhaal hebben wij gezamenlijk alle juridische stappen gaan doorlopen om eventueel tot een schadevergoeding te komen. U was er zelf bij toen wij dus, gezamenlijk, tot de conclusie kwamen dat u geen schade kan verhalen vanwege de pesterijen tegen [de echtgenote van klager] en de dood van [de echtgenote van klager].
Tijdens ons gesprek hebben wij gesproken over de doodsoorzaak van [de echtgenote van klager] en hebben wij ook gesproken over de aangifte. Ik heb naar u geluisterd en aan het einde van het gesprek was u het eens met alles wat ik aan u heb uitgelegd. Ook was u het eens met de feiten die ik gebruikt heb om tot de conclusie te komen. U gaf aan dit alles te begrijpen en akkoord te gaan.
Mevrouw […] was er bij en die heeft nog zo nadrukkelijk gezegd dat het zo fijn is dat er nu echt naar u geluisterd werd . De doodsoorzaak die in het bindend advies staat is wat is vastgesteld in het ziekenhuis, wij hebben ook gesproken over dat een eventuele andere doodsoorzaak niet meer gecontroleerd kan worden omdat autopsie niet meer mogelijk is. Wij hebben ons daarom gehouden aan de doodsoorzaak die wel vastgesteld is en dit staat dus ook zo in het bindend advies.
Ik kan de wet niet voor u veranderen, de conclusie van het bindend advies is helaas de juridische realiteit. Hieronder leg ik nog één keer kort uit waarom u geen beroep kan doen op een schadevergoeding en dan vraag ik u echt met ernst om dit te accepteren.
U kan geen schadevergoeding krijgen voor de pesterijen van [de echtgenote van klager] omdat een causaal verband ontbreekt. U bent niet degene die gepest is en u had hier ook geen kennis van op het moment dat [de echtgenote van klager] nog leefde.
U kan geen beroep doen op shockschade omdat shockschade alleen wordt toegewezen wanneer u wordt geconfronteerd met een ernstig ongeluk of letsel van een ander veroorzaakt door een misdrijf en er zich daardoor een in de psychiatrie erkend ziektebeeld ontwikkelt, zoals als u zelf ook geciteerd heeft in een van uw mails.
Het vinden van [de echtgenote van klager] valt daar niet onder, hoe hard dat misschien ook klinkt. Dit alleen al omdat ik een dergelijk misdrijf niet kan bewijzen. Ik kan geen causaal verband aantonen tussen onrechtmatig handelen en haar dood.
Zoals ik al in meerdere mails naar u hebt medegedeeld wil ik onze correspondentie afsluiten. Het bindend advies is bindend en dat zal ook niet anders worden. Wij hadden afgesproken dat u het zou loslaten en dat u zich zou focussen op het terugkrijgen van uw kinderen.
Ik wens u alle goeds en zal dus niet meer reageren op aanvullende mails uwerzijds
simpelweg omdat die mijn opdracht overstijgen.’
1.9 Op 11 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder
ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft geen wederhoor gepleegd bij het opstellen van het bindend
advies. Verweerder heeft geweigerd om klager en andere cruciale familieleden te horen
over de jarenlange grove seksuele intimidatie en pesten waaronder de echtgenote van
klager leed;
b) verweerder heeft aantoonbaar onjuiste en lasterlijke psychische diagnoses
over klager in het advies opgenomen. Dit is een grove schending van de professionele
zorgvuldigheid en dient enkel om de claim op valse gronden af te wijzen;
c) verweerder heeft zijn advies kritiekloos gebaseerd op een onjuiste doodsoorzaak,
terwijl bewijzen worden genegeerd;
d) verweerder heeft de verdediging van klager gefrustreerd door de door de deken
gestelde termijnen te laten verlopen;
e) verweerder heeft de werkelijke doodsoorzaak van de echtgenote van klager verhuld
als een natuurlijke doodsoorzaak, terwijl de feiten wijzen op een dood door externe
psychische druk en meest waarschijnlijke oorzaak suïcide;
f) verweerder heeft nagelaten op te treden tegen de politie Baarn die op de hoogte
was van het feit dat er cruciaal bewijsmateriaal is achtergehouden. Verweerder heeft
geweigerd de bewijzen van klager hierover in te zien;
g) verweerder heeft klager op kleinerende en pijnlijke wijze bejegend door uitspraken
te doen die getuigen van een stuitend gebrek aan respect voor het slachtoffer en de
nabestaanden.
2.2 De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat het aan hem was
om te beoordelen of er een reële kans tot schadevergoeding bestond. Verweerder merkt
op dat hij ruim een uur met klager op zijn kantoor heeft gesproken en dat klager begreep
dat die reële kans er niet was.
Verder voert verweerder aan dat hij nergens in het bindend advies heeft geconcludeerd
dat klager lijdt aan een psychische stoornis. Volgens verweerder heeft hij wel met
klager gesproken over het psychisch lijden en de verstoorde rouwverwerking bij klager.
Daarnaast voert verweerder aan dat hem niet is gevraagd om te beoordelen of de doodsoorzaak
van de echtgenote van klager al dan niet juist is vastgesteld. Volgens verweerder
heeft hij klager uitgelegd dat het bindend advies niet is gebaseerd op een onjuiste
doodsoorzaak. Verweerder merkt op dat hij de door klager aangedragen ‘bewijzen’ niet
heeft genegeerd. Volgens verweerder heeft hij het bindend advies gebaseerd op het
dossier dat hij van Achmea heeft ontvangen en het gesprek dat hij met klager heeft
gevoerd en daaruit bleek niet dat er bewijzen zijn voor een onnatuurlijke dood.
Verweerder merkt op dat het klopt dat hij niet tijdig op het eerste verzoek om verweer
te voeren tegen de klacht heeft gereageerd, maar dat het niet zijn bedoeling is geweest
om de verdediging van klager te frustreren.
Tot slot merkt verweerder op dat hij klager te allen tijde met respect heeft behandeld.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De voorzitter stelt voorop dat het tuchtrecht bedoeld is om te waarborgen
dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als
een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten
zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid.
Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten
er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat
het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.2 De voorzitter is op grond van de werkzaamheden die verweerder in zijn hoedanigheid
van bindend adviseur heeft verricht van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten
zijn met zijn beroep van advocaat. Het advocatentuchtrecht is dan ook volledig van
toepassing.
Klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) zijn kennelijk ongegrond
4.3 Klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) gaan in de kern over de rol van
verweerder als bindend adviseur in het geschil tussen klager en Achmea over de vraag
of er een reële kans was dat klager en zijn overleden echtgenote door hen geleden
(immateriële) schade als gevolg van grensoverschrijdend gedrag kunnen verhalen op
de voormalig werkgever van de echtgenote van klager. De voorzitter zal deze klachtonderdelen
daarom gezamenlijk beoordelen.
4.4 De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat
verweerder op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De taak
van verweerder als bindend adviseur was uitsluitend beperkt tot het adviseren van
Achmea en klager over de vraag of er een reële kans bestond dat klager en/of zijn
overleden echtgenote door hen geleden (immateriële) schade konden verhalen op de voormalig
werkgever van de echtgenote van klager. Andere vragen, zoals de vraag naar de doodsoorzaak
van de echtgenote van klager, behoorden niet tot de adviesvraag die aan verweerder
was voorgelegd. Verweerder was dan ook niet gehouden om andere vragen dan de adviesvraag
te beoordelen of om andere personen dan klager te spreken. Ook was verweerder in zijn
rol van bindend adviseur niet gehouden om op te treden tegen de politie Baarn. Het
is de voorzitter duidelijk dat klager hier anders over denkt, maar dat betekent niet
dat verweerder iets te verwijten valt.
4.5 Uit het bindend advies blijkt dat verweerder zijn advies heeft gebaseerd
op de stukken die hij van Achmea heeft ontvangen en op het gesprek dat hij op zijn
kantoor met klager heeft gevoerd. In zijn advies heeft verweerder onder de feiten
vermeld dat klager zelf klachten ervaart waaronder psychisch lijden en verstoorde
rouwverwerking, mede ingegeven door onduidelijkheid rond het overlijden van zijn echtgenote.
Van aantoonbaar onjuiste en lasterlijke psychische diagnoses over klager is de voorzitter
daarbij niet gebleken. Verder blijkt uit het advies dat verweerder in zijn advies
het toepasselijke juridisch kader uiteen heeft gezet, de mogelijkheden voor de vergoeding
van shockschade en affectieschade heeft behandeld en dat hij heeft geconcludeerd dat
Achmea terecht heeft gesteld dat er geen redelijke kans op succes bestaat in een civielrechtelijke
schadevergoedingsactie. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder voor de
adviesvraag relevante informatie heeft genegeerd. Gelet op de inhoud van het advies
en de wijze waarop dat tot stand is gekomen, oordeelt de voorzitter dat het advies
van verweerder op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
4.6 Tot slot stelt de voorzitter op basis van de door verweerder aan klager verstuurde
e-mails op 15, 26 en 28 april 2025 vast dat verweerder in zijn correspondentie met
klager respectvol en begripvol heeft gereageerd op de mails van klager en op de verdrietige
situatie waarin klager zich bevindt na het overlijden van zijn echtgenote. Het zou
kunnen dat klager dit anders heeft ervaren, maar dat betekent niet dat verweerder
iets te verwijten valt.
4.7 Uit het bovenstaande volgt dat klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g)
kennelijk ongegrond zijn.
Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond
4.8 De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld ten aanzien van zijn verweer tegen de klacht. Verweerder heeft erkend dat
hij niet tijdig op het eerste verzoek van de deken om op de klacht te reageren, heeft
gereageerd. Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder op 12 januari 2026 verweer
heeft gevoerd tegen de klacht, dat verweerder zijn verweerder op 26 januari 2026 heeft
aangevuld en dat verweerder op 4 februari 2026 heeft gereageerd op de repliek van
klager. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder bewust later op de klacht
heeft gereageerd dan hem door de deken was verzocht om de verdediging van klager te
frustreren. In het dossier kan de voorzitter daar verder ook geen aanknopingspunt
voor vinden. Klachtonderdeel d) is daarom kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.9 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 juli 2026