ECLI:NL:TADRAMS:2026:166 Raad van Discipline Amsterdam 26-013/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:166
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 03-08-2026
Zaaknummer(s): 26-013/A/A
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 juli 2026
in de zaak 26-013/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 9 februari 2026 op de klacht van:

klager

over:
 
verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 13 augustus 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2511841/JS/BF van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 9 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 9 februari 2026 verzonden aan partijen.
1.4    Op 27 februari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op deze datum ontvangen.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2026. Daarbij was klager aanwezig. Verweerder was niet aanwezig.  
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in. 
2.2    Klager meent dat de voorzitter concrete feitelijke aanwijzingen waarop de klacht stoelt niet heeft benoemd en daar geen aandacht aan heeft gegeven. Het artikel dat klager had geschreven voldeed aan alle kwaliteitseisen, was goed geschreven en was aldus publicabel. Bovendien werd klager nadrukkelijk aangeboden een ‘tegenartikel’ te schrijven. Het artikel had daadwerkelijk gepubliceerd moeten worden in het NJB. Nu dit desondanks niet is gebeurd, vanwege de kritiek die daarin naar voren is gebracht - zonder dat gesteld of toegelicht is dat die kritiek ongefundeerd zou zijn - dan is naar het oordeel van klager sprake van censuur. De voorzitter is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. 
2.3    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Ook de feiten die klager aanvoerde en zijn genoemd onder 2.2. van deze beslissing, zijn daarbij meegewogen. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.3    Daarbij wordt ten overvloede overwogen dat het redacteurschap van een advocaat (of het onderdeel zijn van een redactie), waarbij niet is gebleken dat deze advocaat zich op enig moment op zijn advocaat-zijn heeft beroepen, zich moeilijk laat verenigen met het standpunt dat het vertrouwen in de advocatuur zou zijn geschaad. Het oordeel van de raad staat bovendien volledig los van de redenen die voor de redactie redengevend zijn geweest om te komen tot hun beslissing met betrekking tot het niet plaatsen van het artikel van klager.  
4.4    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 27 juli 2026