ECLI:NL:TADRAMS:2026:163 Raad van Discipline Amsterdam 26-139/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:163
Datum uitspraak: 20-07-2026
Datum publicatie: 23-07-2026
Zaaknummer(s): 26-139/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster is een onderneming, gerund door B. Een oud kantoorgenoot van verweerder heeft B bijgestaan bij zijn echtscheiding. Verweerder staat een medewerker bij van klaagster. Na een eerste bericht aan klaagster meldt B de mogelijke belangenverstrengeling. Verweerder trekt zich daarop terug. De klacht ziet op de gang van zaken rondom de terugtrekking en inspanningen van verweerder om voor de medewerker een nieuwe advocaat te vinden. De raad is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld zoals dat mag worden verwacht in een situatie als deze. De klacht is ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaak 26-139/A/A
naar aanleiding van de klacht van:


klager 
gemachtigde:

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 6 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 23 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2504035/JS/JN van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager is zonder bericht aan de raad niet op de zitting verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    In 2019 is de heer B, gemachtigde van klager (hierna: B) in verband met zijn echtscheiding bijgestaan door een voormalig kantoorgenoot van verweerder. 
2.3    Op 30 mei 2025 heeft verweerder namens zijn cliënte, mevrouw O, een brief gestuurd naar klager ter attentie van B. De cliënte van verweerder was in dienst bij klager en er speelde een geschil over arbeidsongeschiktheid en loonbetaling. 
2.4    Op 6 juni 2025 heeft B gereageerd. B heeft erop gewezen dat hij eerder is bijgestaan door het kantoor van verweerder en dat de bijstand van verweerder aan mevrouw O onwenselijk is en in strijd met gedragsregel 15. B is in zijn reactie ook ingegaan op het geschil met mevrouw O. 
2.5    Op 10 juni 2025 heeft verweerder het volgende geschreven aan B:
“In antwoord op uw onderstaande bericht kan ik u melden dat naar aanleiding van uw standpunt dat een mogelijk tegenstrijdig belang zou kunnen ontstaan nu u (als privépersoon) in het verleden cliënt bent geweest op mijn kantoor, heb besloten om de behandeling van de zaak over te dragen een [mr. M].
Ik verzoek u eventuele verdere correspondentie (uitsluitend) aan [mr. M] te richten.
Het spijt mij dat dit (potentiële) belangenconflict niet eerder is gebleken. Daarbij kan ik nog wel melden dat beide advocaten waar u destijds contact mee heeft gehad inmiddels niet meer werkzaam zijn op ons kantoor. (…)”
2.6    In een brief van 12 juni 2025 aan verweerder en mr. M heeft B zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de gang van zaken rondom de terugtrekking van verweerder en de overdracht van de zaak aan mr. M. 
2.7    Op 17 juni 2025 heeft verweerder als volgt geantwoord:
“(…) Nadat ik uw bedrijf [naam klager] op 30 mei jl. namens [mevrouw O] had aangeschreven in verband met het stopzetten van de loonbetaling heeft u mij er met uw brief van 6 juni jl. op gewezen dat u – als privé persoon – enkele jaren geleden cliënt bent geweest bij een (oud)kantoorgenoot van mij.
Omdat u in de zaak waarin [mevrouw O] mij verzocht had haar bij te staan formeel geen partij bent, dat is immers uw bedrijf, is mij bij het invoeren van de zaak in onze systemen niet meteen duidelijk geworden dat u eerder als privé persoon cliënt bent geweest van mijn kantoor. 
Nadat u mij daar alsnog op gewezen had, heb ik meteen aan [mevrouw O] en aan u laten weten dat ik de zaak om die reden niet verder zal behandelen en heb ik mij uit de zaak terug getrokken. 
[Mevrouw O] heeft vervolgens een ander advocaat bereid gevonden haar belangen in deze kwestie verder te behartigen. 
Daarmee is mijn bemoeienis in deze kwestie tot een einde gekomen.
Dat u het blijkens uw e-mail van 12 juni jl. niet eens bent met het feit dat [mevrouw O] op korte termijn een andere advocaat heeft gevonden of dat u bezwaren heeft tegen de persoon van die advocaat – wat daar verder overigens van zij – vormt op geen enkel manier een reden om zich nog tegenover mij te beklagen. Overigens vormen de door u genoemde redenen evenmin grond zich over de opvolgend advocaat te beklagen. 
U heeft er volkomen terecht op gewezen dat het bijstaan van [mevrouw O] in deze kwestie tot een mogelijk belangenconflict zou kunnen leiden. Om die reden heb ik mij ook direct uit de zaak terug getrokken, zoals de regels dat ook voorschijven. 
Daarmee is wat mij betreft deze kwestie op juiste en correcte wijze afgehandeld. (…)”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    Belangenverstrengeling en schijn van partijdigheid
De terugtrekking van verweerder is niet onafhankelijk uitgevoerd. Verweerder heeft sturing gegeven bij de keuze van de opvolgend advocaat. Mr. M stond in cc in de terugtrekkingsmail van verweerder. Dit wekt de indruk van voortdurende betrokkenheid en beïnvloeding. De handelswijze van verweerder ondermijnt de objectiviteit en onafhankelijkheid van mr. M en schaadt het vertrouwen in het juridische proces. 
b)    Onvolledige en misleidende communicatie.
Verweerder heeft gesteld dat de advocaten die B hebben bijgestaan niet meer werkzaam zijn op zijn kantoor. Daarmee suggereert verweerder dat er geen risico meer is op schadelijke kennisoverdracht. Dit is misleidend, omdat het gebruikelijk is dat er na uitdiensttreding nog contact bestaat over dossiers en vertrouwelijke informatie beschikbaar blijft binnen het kantoor. 
c)    Gebrek aan transparantie en onafhankelijke intake. 
De overdracht van de zaak vond zeer snel plaats (binnen enkele werkdagen), zonder dat een onafhankelijke intake of beoordeling van mr. M heeft plaatsgevonden. Dit geeft aanleiding tot de schijn van beïnvloeding en strategische kennisoverdracht. Indien verweerder zich daadwerkelijk volledig zou hebben teruggetrokken uit de zaak, zou het onmogelijk zijn dat hij mr. M. op enig moment in de cc heeft opgenomen. Dit roept ernstige twijfels op over de juistheid van zijn beweringen en doet vermoeden dat hij ondanks zijn ambtseed, onwaarheden heeft verkondigd. Hij stelt dat mevrouw O spoedig een andere advocaat bereid heeft gevonden van de zaak over te nemen, maar in dat geval zou er geen enkele reden zijn waarom deze nieuwe advocaat door verweerder benaderd of aangedragen zou worden. Evenmin zou er communicatie tussen hen nodig zijn, wat de geloofwaardigheid van deze verklaring verder ondermijnt. Uit het bovenstaande blijkt niet allen dat verweerder in zijn professionele hoedanigheid vermoedelijk onjuiste informatie verstrekt. 
d)    Er was sprake van een risico op belangenverstrengeling door persoonlijk betrokkenheid.
Mr. M is maatschappelijk betrokken bij de Antoni van Leeuwenhoek Foundation, hetzelfde ziekenhuis/organisatie waar mevrouw O regelmatig wordt behandeld. Dit kan de schijn van partijdigheid versterken, hetgeen onwenselijk is in een zaak waarin emoties en vertrouwelijkheid een grote rol spelen. 
e)    Er was onzekerheid over de aanvraag van een tweede toevoeging en er is mogelijk sprake van misbruik. 
Er is onduidelijkheid of voor deze zaak een tweede toevoeging is aangevraagd voor mr. M, terwijl mevrouw O al een toevoeging had. Indien geen formele overdacht heeft plaatsgevonden, kan dit duiden op misbruik van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. Klager heeft zowel verweerder als mr. M gevraagd hier duidelijkheid over te verstrekken. Verweerder gaat hier niet op in, in zijn antwoordbrief. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader 
5.1    Klager verwijt verweerder schending van de norm die is vastgelegd in gedragsregel 15, namelijk belangenverstrengeling.  
Klachtonderdelen a), b) en c)
5.2    Klachtonderdelen a, b en c zien alle op de terugtrekking van verweerder als advocaat van mevrouw O en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling. 
5.3    Verweerder heeft verklaard dat hij bij het aannemen van de zaak van mevrouw O een zogenaamde conflict check heeft uitgevoerd, maar dat daarbij niet aan het licht kwam dat zijn voormalig kantoorgenoot B had bijgestaan. Dit kwam omdat de eerdere bijstand aan B in privé was en de zaak van mevrouw O gericht was tegen de onderneming van B. 
5.4    Dat de relatie bij de conflict check niet aan het licht kwam is op zichzelf niet onbetamelijk. Het gaat er met name om hoe verweerder heeft gehandeld toen hij ervan op de hoogte raakte dat klager de onderneming was van B, een voormalig cliënt van zijn voormalige kantoorgenoot. 
5.5    Verweerder raakte op (vrijdag) 6 juni 2025 op de hoogte van de relatie tussen klager en B. Op (dinsdag) 10 juni 2025 heeft verweerder klager laten weten dat de zaak van mevrouw O is overgedragen aan mr. M en heeft hij zich voor de gang van zaken verontschuldigd. Verweerder heeft in zoverre zorgvuldig gehandeld in relatie tot klager. 
5.6    De raad voegt toe dat een advocaat die zich moet terugtrekken ook in relatie tot de cliënt plicht heeft om dit zorgvuldig te doen. Dit gold in de situatie van mevrouw O te meer, omdat haar kwestie spoedeisend was; zij had al enige tijd geen loon ontvangen. Dat verweerder zich heeft ingespannen voor mevrouw O om spoedig een opvolgend advocaat te vinden past bij deze plicht tot zorgvuldigheid. 
5.7    De raad heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat hij in zijn netwerk heeft gevraagd of iemand bereid was om de zaak van mevrouw O over te nemen, dat mr. M daarop reageerde en dat hij daarop mevrouw O en mr. M met elkaar in contact heeft gebracht. De stelling van klager dat verweerder daarbij sturing heeft gegeven aan de keuze voor mr. M, dat hij betrokken is gebleven bij de zaak van mevrouw O en dat sprake is van beïnvloeding heeft klager onvoldoende feitelijk onderbouwd. 
5.8    Dat geldt ook voor het verwijt dat sprake is van schadelijke kennisoverdracht tussen verweerder en zijn voormalige kantoorgenoot, omdat “het gebruikelijk is dat er na uitdiensttreding nog contact bestaat over dossiers en vertrouwelijk informatie beschikbaar blijft binnen het kantoor” heeft klager onvoldoende feitelijk onderbouwd. 
5.9    Klager stelt, zakelijk weergegeven, dat uit de snelheid waarmee de zaak van mevrouw O is overgedragen aan mr. M en de omstandigheid dat mr. M het bericht van verweerder van 10 juni 2025 cc ontving blijkt dat onmogelijk sprake kon zijn van een onafhankelijke overdracht. De raad verwerpt dit standpunt. Gelet op de aard van de zaak was spoed geboden. De raad heeft geen grond om aan te nemen dat verweerder meer of anders heeft gedaan dan mevrouw O en mr. M spoedig nadat het mogelijke belangenconflict aan de orde kwam met elkaar in contact brengen. 
5.10    De raad is, samenvattend, van oordeel dat verweerder rondom zijn terugtrekking en de overdracht van het dossier van mevrouw O heeft gehandeld zoals dat van hem mocht worden verwacht. Klachtonderdelen a, b en c zijn ongegrond. 
Klachtonderdeel d) 
5.11    Klager stelt dat mr. M maatschappelijk betrokken is bij het ziekenhuis waar mevrouw O behandeld wordt en dat dat, door persoonlijke betrokkenheid, een risico op belangenverstrengeling met zich brengt. De raad ziet niet in op welke wijze dit punt, wat er ook zij, verweerder kan worden verweten. Klachtonderdeel d is ongegrond. 
Klachtonderdeel e)
5.12    Klager stelt dat mr. M een tweede toevoeging heeft aangevraagd voor de bijstand aan mevrouw O en dat daarmee mogelijk misbruik is gemaakt van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. Daargelaten dat klager dit verwijt niet feitelijk heeft onderbouwd, ziet de raad ook niet in dat verweerder daarvan een verwijt valt te maken. Ook klachtonderdeel e is ongegrond. 


BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J. Baars en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op20 juli 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026