ECLI:NL:TADRAMS:2026:161 Raad van Discipline Amsterdam 26-074/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:161 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 23-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-074/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen de eigen advocaat over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerder heeft klager bijgestaan bij een familierechtelijke kwestie. Verweerder heeft afgewacht met het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening met toewijzing van de woning aan klager als doel. Verweerder heeft de reden van het afwachten gedeeld met klager, maar niet schriftelijk vastgelegd. Verweerder is daarmee tekortgeschoten. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaak 26-074/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 29 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2493281/EvR/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij
waren klager, vergezeld van de heer (…), en verweerder aanwezig. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van De e-mails van 3 februari 2026 en 18 mei 2026, met bijlagen, van klager.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft zich tot verweerder gewend in verband met een door hem verlangde
echtscheiding.
2.3 Op 5 november 2024 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd.
De inhoud daarvan luidt onder meer als volgt:
“Hierbij bevestig ik de opdracht aan mij om, namens u, een verzoek tot echtscheiding
in te dienen bij de rechtbank Amsterdam alsmede een verzoek tot het treffen van voorlopige
voorzieningen. U stelt dat uw huwelijk met mevrouw (…) duurzaam is ontwricht en dat
u wenst te scheiden.
U wilt de rechtbank onder andere verzoeken dat de echtscheiding wordt uitgeroepen
en dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de (…) aan uw wordt toegewezen.
Tevens heeft u mij verzocht een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen
in te dienen bij de rechtbank. U bent van mening dat het niet meer mogelijk dat u
samen met uw echtgenote in de echtelijke woning blijft wonen. Ik zal bij de rechtbank
een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen indienen. Daarin verzoek
ik de rechtbank te bepalen dat u gedurende de tijd die de echtscheidingsprocedure
in beslag zal nemen alleen u gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke
woning.
Ik heb mevrouw (…) bij brief op de hoogte gebracht van uw voornemen om jullie huwelijk
te laten ontbinden. Als bijlage treft u de brief aan zoals ik die heb verzonden aan
mevrouw (…).”
2.4 Op 5 november 2024 stuurt verweerder aan de vrouw van klager een brief met
onder meer de volgende inhoud:
“(…) Namens uw echtgenoot zal ik derhalve bij de rechtbank Amsterdam een echtscheidingsprocedure
opstarten. Aan de rechtbank zal worden gevraagd om behalve de echtscheiding uit te
spreken ook te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning. (…)
Omdat uw echtgenoot meent dat het nu al niet meer mogelijk is dat u samen in de
echtelijke woning woont zal ik gelijktijdig met het verzoek tot echtscheiding een
verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen bij de echtscheiding indienen.
Daarin verzoek ik, namens uw echtgenoot, aan de rechtbank te bepalen dat hij gedurende
de tijd die de echtscheidingsprocedure in beslag zal nemen alleen gerechtigd zal zijn
tot het gebruik van de echtelijke woning. (…)”
2.5 Op 6 november 2024 heeft klager aan verweerder een sociaal plan en toewijzingscriteria
van een verhuurder gestuurd waarin onder meer is opgenomen:
“(…) Levensloopbestendige appartementen sociale huur: De nieuwbouwappartementen
zijn levenloopbestendig en primair bedoeld voor 60+ers en/of medisch geïndiceerden.
Maximaal 3 appartementen in bouwfase 2 (gebouw 2) worden toegewezen aan huishoudens
uit de Struikbuurt jonger dan 60 jaar afkomstig uit peildatumgebied 2. (…)”
2.6 Op 11 maart 2025 heeft verweerder namens klager een verzoekschrift tot het
treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek ziet erop dat klager
bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning.
De vrouw heeft hetzelfde verzoek bij wijze van tegenverzoek ingediend.
2.7 Op 14 maart 2025 heeft klager verweerder stukken toegestuurd met het verzoek
deze bij de rechtbank in te dienen om klagers “kansen dusdanig te vergroten”. Bij
de email zijn gevoegd:
- Een uitnodiging informatiebijeenkomst nieuwbouw van 27 december 2016. In de
uitnodiging staat onder meer informatie over levensloopbestendige woningen die bedoeld
zijn voor bewoners van 60 of ouder.
- Een document met toewijzingscriteria voor terugkeerders, waarin onder meer
staat dat levensloopbestendige woningen primair bedoeld zijn voor “60+-ers en / of
medisch geïndiceerden”.
- Een document over nieuwbouw in een stadvernieuwingsproject.
2.8 Het verzoek is op 27 maart 2025 mondeling behandeld.
2.9 Bij beschikking van 10 april 2025 heeft de rechtbank Amsterdam beide verzoeken
afgewezen en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“(…) 4.5 (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man – zeker in het licht
van de betwisting van de vrouw – onvoldoende onderbouwd dat hij op dit moment een
dusdanig spoedeisend belang heeft bij uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
dat niet van hem verlangd kan worden dat hij de beslissing in de echtscheidingsprocedure
afwacht. Niet is komen vast te staan dat sprake is van een onhoudbare situatie en
onoverkomelijke spanningen tussen partijen die om een ordemaatregel vragen, zoals
door de man is bepleit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man pas in
maart dit jaar dit verzoek tot uitsluitend gebruik heeft ingediend terwijl naar eigen
zeggen de verhoudingen tussen partijen al sinds november vorig jaar slecht waren.
Partijen hebben geen kinderen, zij hebben toegang tot de eigen vertrekken en de vrouw
is veel weg voor haar werk en studie. Gelet hierop zal de rechtbank beide verzoeken
van partijen afwijzen. (…)”
2.10 In het klachtdossier bevindt zich een brief van 15 april 2025 van de secretaresse
van verweerder namens verweerder aan klager. Daarin staat onder meer het volgende:
“Namens de heer [verweerder] doe ik u toekomen een afschrift van de beschikking
dd. 10 april 2025 betreffende voorlopige voorziening die uw advocaat in uw zaak van
de rechtbank heeft ontvangen. (…)
[Verweerder] verblijft momenteel, vanwege familieomstandigheden, in het buitenland.
Hij komt woensdag 23 april terug. U kunt hem dan bellen voor de bespreking van de
inhoud van de beschikking.”
In de brief is uitleg gegeven over de inhoud van de beslissing van de rechtbank.
Er staat ook in de brief dat hoger beroep tegen de beslissing niet mogelijk is.
2.11 Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft klager bij de rechtbank gevraagd of al
uitspraak was gedaan. Nadat een medewerker telefonisch had bevestigd dat dit het geval
was, heeft klager per e-mail gevraagd om toezending van de beslissing. Op 15 mei 2025
is geantwoord met de mededeling dat de beslissing op 10 april 2025 naar verweerder
is gestuurd en dat klager zich tot verweerder moet wenden.
2.12 Van 9 tot 16 mei 2025 heeft klager geprobeerd om verweerder telefonisch
te bereiken. Op 16 mei 2025 hebben klager en verweerder via WhatsApp contact gehad
over de toezending van de beslissing. Op 16 mei 2025 heeft verweerder tevergeefs geprobeerd
klager telefonisch te bereiken. Op 17 mei 2025 heeft verweerder klager een WhatsApp
bericht gestuurd met de volgende inhoud:
“(…) Ik heb uw bericht pas nu gelezen. Ik ben vandaag bij mijn kleinkinderen in
Zeeland. Morgen kom ik terug en dan ga ik naar kantoor. Ik stuur, dit keer per email,
u de beschikking van 10 april. Maakt u geen zorgen. (…).”
2.13 Klager heeft, bijgestaan door mr. R, op 5 september 2025 een nieuw verzoek
gedaan tot toewijzing van de woning bij wijze van voorlopige voorziening. Op 11 november
2025 heeft de rechtbank beslist dat klager bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot
gebruik van de woning. Volgens de rechtbank is uit de stukken niet duidelijk geworden
dat de man de woning als seniorenwoning toegekend heeft gekregen en de rechtbank heeft
hier bij de belangenafweging geen rekening mee gehouden. Het verzoek is toegewezen
omdat, samengevat, de situatie psychisch te belastend is om voort te duren.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft pas op 11 maart 2025 een voorlopige voorziening gevraagd,
terwijl klager daar op 5 november 2024 opdracht voor heeft gegeven.
b) Verweerder heeft nagelaten door klager aangeleverde bewijsstukken toe te voegen
aan de zaak.
c) Verweerder heeft klager de uitspraak van 10 april 2025 niet toegezonden, heeft
hem over de uitspraak niet geïnformeerd en was niet bereikbaar voor overleg.
d) Verweerder is niet binnen 4 weken na de uitspraak een echtscheidingsprocedure
gestart, terwijl dat nodig was om de geldigheid van de beslissing op de spoedvoorziening
te behouden.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 In gedragsregel 16, lid 1 is bepaald dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte
dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken en dat – ter voorkoming
van misverstand, onzekerheid of geschil – de advocaat belangrijke informatie en afspraken
schriftelijk aan zijn cliënt dient te bevestigen.
Klachtonderdeel a) wachten met indienen voorlopige voorziening
5.3 Het verwijt van klager dat te lang is gewacht met het indienen van een verzoek
voorlopige voorzieningen, wordt door verweerder bestreden. Volgens verweerder heeft
hij aan klager uitgelegd dat, zakelijk weergegeven, een procedure waarbij de woning
aan klager toegewezen zou worden bij wijze van voorlopige voorziening alleen kansrijk
was, als klager met bewijzen kon onderbouwen dat de situatie thuis met zijn vrouw
onhoudbaar was. Verweerder heeft klager op het hart gedrukt om daarvan bewijzen te
leveren, maar verweerder ontving van klager alleen informatie over een geplande operatie
op 31 januari 2025. Pas vanaf 5 februari 2025 stuurde klager verweerder stukken, waaronder
een verklaring van de psychiater van klager en stukken over een eerdere verhuizing
van klager. Ook informeerde klager verweerder over oplopende spanningen. Op 3 maart
2025 liet klager verweerder weten dat zijn bijstandsuitkering was gekort omdat zijn
vrouw inkomen uit arbeid ontving. Klager kon daardoor de huur niet meer voldoen, terwijl
de vrouw geen bijdrage aan de woonlasten wilde leveren. Dit gaf verweerder aanleiding
om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.
5.4 De raad stelt vast dat verweerder bij de start van zijn bijstand aan klager
heeft laten weten dat hij een voorlopige voorziening zou vragen in verband met de
woning en dat hij een echtscheidingsverzoek zou indienen. Verweerder schreef dat op
5 november 2025 niet alleen aan klager, maar ook aan de vrouw. Vervolgens heeft het
meer dan vier maanden geduurd voordat verweerder een procedure startte. Volgens verweerder
was dat omdat hij de kans van slagen van een voorlopige voorziening strekkend tot
toewijzing van de woning aan klager aanvankelijk onvoldoende kansrijk achtte. Het
maken van deze afweging past bij deugdelijke bijstand en de raad heeft ook geen grond
om te twijfelen aan de redelijkheid van de afweging van verweerder. De raad twijfelt
ook niet aan de verklaring van verweerder dat hij klager mondeling uitleg heeft gegeven;
verweerder heeft toegelicht dat hij met klager in de regel telefonisch en met gesproken
berichten via WhatsApp communiceerde en dit wordt ook ondersteund door het dossier.
Ook heeft verweerder erop gewezen dat hij kort na de operatie van klager hierover
een gesprek heeft gevoerd in de auto. Wat verweerder echter heeft nagelaten is om
de uitleg waarom hij afwachtte met het indienen van een verzoek tot een voorlopige
voorziening schriftelijk vast te leggen. Daarmee heeft hij niet gehandeld overeenkomstig
gedragsregel 16 waarin is bepaald dat de advocaat belangrijke informatie ter voorkoming
van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk dient vast te leggen. Dit maakt
dat verweerder niet heeft gehandeld met de zorg die hij tegenover zijn cliënt behoort
te betrachten en dat klachtonderdeel a naar het oordeel van de raad gegrond is.
Klachtonderdeel b) bewijsstukken
5.5 Volgens verweerder heeft klager hem op 14 maart 2025 informatie toegestuurd
over een informatiebijeenkomst met de verhuurder van een eerdere woning in 2016. Klager
meende met deze informatie aan te tonen dat de huidige woning een seniorenwoning is
die aan hem is toegewezen op grond van senioriteit. Volgens verweerder was het echter
geen nuttig bewijsstuk.
5.6 Naar het oordeel van de raad is het de rol van advocaat als dominus litis
om te beoordelen of de door de cliënt geleverde informatie belangwekkend is en toegevoegd
moet worden aan een procesdossier. Het was de inschatting van verweerder dat de door
klager aangeleverde informatie niet relevant was bij de beoordeling van de vraag of
de woning bij wijze van voorlopige voorziening toegewezen moest worden aan klager.
Dat verweerder de door klager aangeleverde stukken niet aan de rechtbank heeft overgelegd
is naar het oordeel van de raad niet onbetamelijk. De raad neemt daarbij in aanmerking
dat zij geen grond heeft te twijfelen aan de redelijkheid van de afweging die verweerder
op dit punt heeft gemaakt. Dat wordt overigens ook bevestigd door de omstandigheid
dat de rechtbank in de beschikking van 11 november 2025 deze stukken bij de belangenafweging
buiten beschouwing heeft gelaten. Klachtonderdeel b is ongegrond.
Klachtonderdeel c) toezending beslissing
5.7 Verweerder heeft aangevoerd dat hij door privéomstandigheden op 13 april
2025 plotseling naar het buitenland moest vertrekken. Zijn secretaresse heeft de beslissing
daarom aan klager gestuurd.
5.8 De brief van 15 april 2025 bevindt zich in het klachtdossier en de raad gaat
ervan uit dat deze brief, met de beslissing van de rechtbank, ook daadwerkelijk aan
klager is verstuurd. Aan het argument van klager dat dit onwaarschijnlijk is omdat
verweerder altijd via de e-mail communiceerde, gaat de raad voorbij omdat uit het
klachtdossier blijkt dat ook de beslissing van de rechtbank per post – namelijk naar
een postbus van verweerder – is gestuurd. Voor zover deze brief klager niet heeft
bereikt is er geen grond om aan te nemen dat verweerder dat valt aan te rekenen. De
raad stelt verder vast dat verweerder medio mei 2025, zie 2.12, adequaat heeft gereageerd
op het verzoek van klager om de beslissing van de rechtbank (nogmaals) toe te sturen.
Klachtonderdeel c is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) echtscheidingsprocedure
5.9 Verweerder heeft terecht aangevoerd dat er geen grond was voor het starten
van een echtscheidingsprocedure binnen vier weken na de beslissing van de rechtbank,
omdat er geen voorlopige voorziening was getroffen. Klachtonderdeel d is daarom ongegrond.
Aanvullende klacht en verzoek om schadevergoeding
5.10 Klager heeft in zijn nagezonden stukken geklaagd over de gang van zaken
rondom de overdracht van zijn dossier aan een opvolgende advocaat. De raad heeft op
de zitting al laten weten dat dit een nieuwe klacht betreft die niet door de deken
is onderzocht. De klacht is dus te laat ingediend, wat ook strijdig is met de goede
procesorde, en de raad zal daarom niet over deze klacht oordelen. Hetzelfde geldt
voor het verzoek van klager tot vergoeding van schade; nog los van de omstandigheid
dat het vorderen van schadevergoeding niet mogelijk is in een tuchtprocedure.
MAATREGEL
5.11 Verweerder heeft klager mondeling voorgelicht over zijn advies om (nog)
geen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen, maar hij
heeft nagelaten om dit advies schriftelijk vast te leggen. Hiermee is verweerder tekortgeschoten
in zijn bijstand aan klager. Naar het oordeel van de raad is de maatregel van waarschuwing
passend.
6 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
6.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
6.2 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
6.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
6.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 6.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 6.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 6.4.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026