ECLI:NL:TADRAMS:2026:156 Raad van Discipline Amsterdam 26-111/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:156
Datum uitspraak: 20-07-2026
Datum publicatie: 23-07-2026
Zaaknummer(s): 26-111/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht is deels gegrond en deels ongegrond. Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder steken heeft laten vallen in de communicatie met klaagster. Zo heeft verweerder, toen de beslistermijn van de IND afliep, geen contact met klaagster opgenomen, terwijl zowel zijzelf, als medewerkers van Vluchtelingenwerk, wel op verschillende manieren hebben geprobeerd in contact te komen met verweerder. Verweerder heeft te weinig transparantie betracht richting zijn cliënt over de voortgang en de ontwikkelingen in de procedure. Pas op 3 december 2024 heeft verweerder namens klaagster de IND aangeschreven, maar in die correspondentie heeft hij kennelijk klaagster niet gekend of meegenomen, aangezien zij zelf op 12 december 2024 opheldering vraagt aan verweerder over de vraag of er daadwerkelijk een schrijven aan de IND is uitgegaan. Op zitting heeft de verschenen kantoorgenoot van verweerder erkend dat er problemen spelen op het gebied van de verwerking van contactverzoeken van cliënten en aangegeven dat dit op kantoor een verbeterpunt is. Aan verweerder kan een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel b), waarin klaagster verweerder verwijt dat hij niet reageerde op overnameverzoeken van de nieuwe advocaten, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder ziet de raad aanleiding aan verweerder een zware maatregel op te leggen, namelijk een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaak 26-111/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 4 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 10 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2453595/EvR/MvV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 mei 2026. Daarbij was klaagster aanwezig. Verweerder was niet aanwezig; hij werd vertegenwoordigd door zijn kantoorgenoot mr. A.N.R. van den Broek. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 05-4.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 12 juni 2023 heeft klaagster een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Na kort te zijn bijgestaan door een andere advocaat, is klaagster verder door verweerder bijgestaan in verband met haar asielaanvraag.
2.3    In september 2024 liep de termijn af waarbinnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) formeel op de aanvraag van klaagster zou moeten beslissen.
2.4    Op 24 september 2024 heeft klaagster verweerder het volgende telefoonbericht gestuurd:
“(…) You told me that the maximum time for a response to my case is the 24th, and the time has finished and I will not receive anything from (ind) and the VVN told me that I may have to wait another five months, and this is very stressful for me. I hope you help me finish this matter, because life here is full of difficulties. Have a nice evening”
2.5    Op 26 september 2024 heeft klaagster verweerder het volgende bericht gestuurd:
“Please (…) try to reply to me to tell me what is going to happen because I can’t sleep and I can’t do anything from stress and anxiety”
2.6    Op 21 oktober 2024 heeft een medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland Noodopvang A&O Amsterdam (verder: Vluchtelingenwerk) klaagster per e-mail als volgt bericht: 
“For the second time I did try to contact your lawyer. I hope that he will answer now. If you want another lawyer, you yourself must seek one. Maybe you know from someone, who has a good lawyer, than that can be an option, but you yourself must first contact the lawyer and ask how much he or she asks, because different lawyers ask different prices.”
2.7    Op 19 november 2024 heeft een medewerkster van Vluchtelingenwerk verweerder per e-mail als volgt bericht:
“In bovenvermelde zaak verzocht uw cliente (…) mij om bij u te informeren naar de stand van zaken in haar asielprocedure en in de aan haar in januari 2024 toegekende schadevergoeding van 800 euro als slachtoffer in een strafzaak. Cliente zelf maar ook medewerkers van Vluchtelingenwerk hebben diverse keren tevergeefs geprobeerd (telefonisch) contact met u te leggen.
Gaarne reactie.”
2.8    Op 3 december 2024 heeft verweerder namens klaagster een brief gestuurd aan de IND, waarin hij de IND namens klaagster in gebreke stelt en haar verzoekt om binnen twee weken na heden een beslissing op de asielaanvraag van klaagster te nemen. Verweerder kondigt in deze brief verder aan dat als de IND niet binnen de gestelde termijn een beslissing heeft genomen, hij op grond van de Wet Dwangsom namens klaagster een beroep tegen niet tijdig beslissen bij de rechtbank zal indienen.  
2.9    Op 12 december 2024 heeft klaagster verweerder per e-mail als volgt bericht:
“You told vvn that you will write to the IND because of the delay in my file until now and that you will talk to me about it and I want to make sure from you, have you actually written to the iND?”
2.10    Op 19 december 2024 heeft een medewerkster van Vluchtelingenwerk klaagster per e-mail als volgt bericht:
“We spoke at the consultation hour, here is the form you can fill in and send to the IND. I don't know whether your lawyer has submitted the form but you can also check this in mylND. Let me know if you have questions about this.”
2.11    Op 14 januari 2025 heeft een medewerkster van Vluchtelingenwerk verweerder per e-mail als volgt bericht:
“I write this email in English so your client (…) can also understand the contents of this email. [Klaagster] frequently complains about the fact that you do not answer her emails, calls or whatsapps. She wants to know how her procedure is going on. I told her that you filed on 1.12.2024 (and or also on 13.12.2024 ) an ingebrekestelling (igs) = a complaint to the IND because they are late in deciding on the asylum application. Did you also file an appeal (beroep niet tijdig) to the court?
And if so will you please send copies of the IGS and the appeal to [klaagster], because she said that she never received copies of the official complaint and/or the appeal. [Klaagster] will appreciate it if you invite her for a personal meeting with you. Thanks in advance.”
2.12    Op 24 januari 2025 heeft mr. A(…) (verder: mr. A.) verweerder per e-mail een verzoek tot overname van de zaak van klaagster gestuurd.
2.13    Op 4 februari 2025 heeft klaagster de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend. Wegens een verzoek om nadere informatie is verweerder hierover op dat moment nog niet in kennis gesteld.
2.14    Op 5 februari 2025 heeft verweerder klaagster per e-mail als volgt bericht:
“I am trying to reach you. The IND has scheduled an interview on 3 March 2025. Can you call me to make an appointment to discuss the case.”
2.15    Diezelfde dag heeft verweerder Noodopvang Amsterdam A&O per e-mail als volgt bericht:
“Ik probeer [klaagster] te bereiken, maar ik krijg haar niet te pakken. Cliënte zal door de IND worden uitgenodigd voor een gehoor op 3 maart 2025. Kunt u haar vragen of zij mij wilt bellen of kunt u mij even bellen. Ik zou graag een afspraak met haar willen maken om de asielzaak met haar te bespreken. Voor uw medewerking zeg ik u alvast mijn dank.”
2.16    Bij brief van 6 februari 2025 heeft de IND klaagster, voor zover relevant, als volgt bericht:
“Binnenkort hebt u een gesprek (gehoor) met de IND. In deze brief leest u wanneer u dit gesprek hebt en hoe uw procedure er verder uitziet.
U hebt een gesprek op 3 maart 2025 om 8.00 uur. (…)
Uw procedure duurt 6 dagen
De IND behandelt uw aanvraag in de Algemene Asielprocedure (AA). De procedure ziet er zo uit:
3 maart 2025 - nader gehoor bij de IND
4 maart 2025 - bespreking nader gehoor met advocaat
5 maart 2025 - eerste beslissing
6 maart 2025 - uw reactie op beslissing: zienswijze
7 maart 2025 - beslissing op uw asielaanvraag
10 maart 2025 - beslissing op uw asielaanvraag
Veranderen deze data? Dan hoort u dit via de IND, het COA of uw advocaat.”
2.17    Op 6 februari 2025 heeft verweerder mr. A. per e-mail als volgt bericht:
“Ik heb op verschillende manieren geprobeerd om contact met cliënte te krijgen. Zij heeft zelf niet daarop gereageerd. Ik heb de laatste dagen ook verschillende malen met Vluchtelingenwerk Nederland in de Noodopvang in het AenO Hotel Amsterdam telefonisch overleg gehad. Ik heb aangegeven om naar de Noodopvang in het AenO Hotel Amsterdam te komen om de zaak met cliënte te bespreken.
In de bijlagen vindt u de stukken van de asielzaak om cliënt op het nader gehoor van 3 maart 2025 voor te bereiden. (…)” 
2.18    Op 7 februari 2025 heeft mr. A. verweerder per e-mail als volgt bericht:
“Ik heb na ons gesprek mevrouw bericht dat de zaak op te korte termijn ging spelen en dat ik hem niet kon overnemen gelet op mijn vakantie die er tussen zit en u contact met haar zou opnemen. Zij heeft nu ook geen vertrouwen meer in mij. (…)”
2.19    Op 10 februari 2025 heeft mr. El-S(…) (verder: mr. El-S.) verweerder per e-mail een verzoek tot overname van de zaak van klaagster gestuurd. In de e-mail is het volgende opgenomen:
“Tot mij heeft zich gewend [klaagster] met het verzoek haar in de lopende asielaanvraagprocedure bij te staan. [Klaagster] heeft mij verteld dat de zaak aan u was toegevoegd. Principieel neem ik gaan lopende zaken over maar [klaagster] heeft mij verteld dat zij nog geen contact met u had. Indien deze mededeling van [klaagster] juist is dan verzoek ik u mij te berichten of u geen bezwaar hebt tegen overname van de rechtsbijstand (…)”
2.20    Diezelfde dag heeft verweerder het dossier van klaagster per e-mail aan mr. El-S. toegestuurd en haar als volgt bericht:
“In de bijlagen vindt u de stukken betreffende bovenvermelde cliënte. Ik heb geen enkel bezwaar tegen overname. (…)”
2.21    Op 11 en 13 februari 2025 heeft klaagster haar klacht tegen verweerder op verzoek nader toegelicht. Op 13 februari 2025 is verweerder in kennis gesteld van de door klaagster tegen hem ingediende klacht en om verweer verzocht.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: 
a)    dat hij sinds september 2024 niet meer heeft gereageerd op e-mailberichten of telefoontjes van klaagster of Vluchtelingenwerk Nederland als gevolg waarvan de zaak van klaagster vertraging heeft opgelopen; 
b)    dat hij niet heeft gereageerd op berichten van de nieuwe advocaat van klaagster om de zaak over te dragen, als gevolg waarvan de nieuwe advocaat de zaak niet langer wil overnemen vanwege de korte termijn; 
3.2    Klaagster legt aan de klacht het volgende ten grondslag. 
3.3    Op de asielaanvraag van klaagster is niet tijdig beslist. Het was de verantwoordelijkheid van verweerder om direct contact met de IND op te nemen in verband met de ontstane vertraging. Verweerder ondernam echter geen enkele actie namens klaagster. Klaagster en Vluchtelingenwerk Nederland hebben maandenlang herhaaldelijk telefonisch en per e-mail contact geprobeerd te zoeken met verweerder, maar verweerder reageerde nauwelijks ergens op.
3.4    Toen verweerder uiteindelijk in december 2024 reageerde, heeft hij een brief aan de IND gestuurd. Daarna bleef hij wederom onbereikbaar en heeft geen follow-up meer gegeven, hoewel hij opnieuw actie had moeten ondernemen in januari 2025, toen een reactie van de IND wederom  uitbleef. Hij had als haar advocaat  beroep moeten instellen bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De IND zou dan een formele waarschuwing krijgen en klaagster zou recht hebben op een compensatie van € 100 per dag voor de vertraging. Door de nalatigheid van verweerder is klaagster dit misgelopen.
3.5    Uiteindelijk is de asielaanvraag van klaagster in maart 2025 behandeld. Dit betekent dat de zaak van klaagster 6 maanden vertraging heeft opgelopen als  gevolg van de nalatigheid van verweerder. Ook is de juridische positie van klaagster in gevaar gebracht en heeft klaagster veel stress ervaren van de onduidelijkheid en het gebrek aan communicatie.
3.6    Daarnaast is het overstappen naar een andere advocaat na beëindiging van de samenwerking met verweerder lastig gebleken. Verweerder reageerde lange tijd niet op de berichten van de beoogde nieuwe advocaat van klaagster. Zij heeft de zaak van klaagster uiteindelijk niet overgenomen nadat zij een telefoongesprek met verweerder had gevoerd. Verweerder oefende druk uit op de beoogde nieuwe advocaten van klaagster. Andere advocaten wilden de zaak van klaagster ook niet meer overnemen vanwege de korte termijn waarbinnen het nader gehoor bij de IND zou plaatsvinden.
3.7    Ten slotte heeft verweerder ook in zijn dupliek in deze klachtenprocedure gebrekkig gecommuniceerd door te schrijven dat hij contact heeft opgenomen met mr. El-S. om de bankrekeninggegevens van klaagster op te vragen. Dit is niet juist. Verweerder heeft volgens klaagster nooit een dergelijk verzoek gedaan. Voorts heeft klaagster verweerder nooit gevraagd om documenten die aan de strafzaak gerelateerd zijn met derden te delen. Ook niet met mr. El-S. Verweerder had dit dan ook niet mogen doen. Hij had contact met klaagster moeten zoeken, ofwel rechtstreeks, ofwel via Vluchtelingenwerk Nederland.
3.8    Ten slotte is ook de stelling van verweerder dat hij op 29 januari 2025 een bericht van de IND ontving, onjuist althans heeft klaagster een dergelijk bericht nooit gezien. Verweerder heeft klaagster hiervan ook niet in kennis gesteld, terwijl dit belangrijke informatie betreft dat direct aan klaagster gecommuniceerd had moeten worden.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
4.2    Verweerder heeft klaagster diverse keren uitgelegd dat de IND de instantie is die beslist op de asielaanvraag en dat zij zeer grote achterstanden in de behandeling van dergelijke verzoeken heeft. Het is dus onjuist dat een vertraging in de asielprocedure aan verweerder te wijten zou zijn. Verweerder kan klaagster pas over het verloop van de asielprocedure inlichten als hij zelf iets van de IND heeft vernomen. Het een en ander heeft verweerder ook meerdere keren telefonisch met Vluchtelingenwerk Nederland besproken.
4.3    Verweerder ontving op 29 januari 2025 een bericht van de IND dat er in de zaak van klaagster op 3 maart 2025 een nader gehoor zou plaatsvinden. Daarom heeft hij geen beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend. Ook al zou verweerder eerder een ingebrekestelling en een beroep tegen niet tijdig beslissen hebben ingediend, dan zou dit volgens hem naar alle waarschijnlijkheid niet eerder tot een beslissing op de asielaanvraag van klaagster hebben geleid. 
4.4    Op 24 januari 2025 heeft mr. A. verzocht om overname van de zaak van klaagster. Verweerder heeft toen diverse malen geprobeerd om met klaagster in gesprek te komen. Hij heeft hiervoor ook de bemiddeling van Vluchtelingenwerk Nederland gevraagd. Klaagster heeft niet gereageerd.
4.5    Verweerder heeft mr. A. uiteindelijk op 6 februari 2025 telefonisch gesproken en de belangrijkste stukken toegestuurd. Verweerder heeft haar ook gemeld dat de IND klaagster had uitgenodigd voor een nader gehoor op 3 maart 2025. Er was dan ook voldoende tijd om klaagster op het nader gehoor voor te bereiden. Mr. A. heeft klaagster bericht dat zij in verband met vakantie de zaak niet kon overnemen. Verweerder heeft dus op geen enkele wijze mr. A. willen overtuigen om de zaak van klaagster niet aan te nemen.
4.6    Op 10 februari 2025 heeft mr. El-S. om overname van de zaak verzocht. Diezelfde dag heeft verweerder hem de stukken van het dossier van klaagster toegestuurd.

5    BEOORDELING
Maatstaf 
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Klachtonderdeel a)
5.2    Klaagster verwijt verweerder in klachtonderdeel a) dat hij sinds september 2024 niet meer heeft gereageerd op e-mailberichten of telefoontjes van klaagster of Vluchtelingenwerk Nederland als gevolg waarvan de zaak van klaagster vertraging heeft opgelopen.
5.3    Uit het klachtdossier blijkt dat verweerder steken heeft laten vallen in de communicatie met klaagster. Zo heeft verweerder, toen de beslistermijn van de IND afliep, geen contact met klaagster opgenomen, terwijl zowel zijzelf, als medewerkers van Vluchtelingenwerk, wel op verschillende manieren hebben geprobeerd in contact te komen met verweerder. Verweerder heeft te weinig transparantie betracht richting zijn cliënt over de voortgang en de ontwikkelingen in de procedure. Pas op 3 december 2024 heeft verweerder namens klaagster de IND aangeschreven, maar in die correspondentie heeft hij kennelijk klaagster niet gekend of meegenomen, aangezien zij zelf op 12 december 2024 opheldering vraagt aan verweerder over de vraag of er daadwerkelijk een schrijven aan de IND is uitgegaan.
5.4    Op zitting heeft de verschenen kantoorgenoot van verweerder erkend dat er problemen spelen op het gebied van de verwerking van contactverzoeken van cliënten en aangegeven dat dit op kantoor een verbeterpunt is.
5.5    Alhoewel de vraag gesteld kan worden in hoeverre de asielaanvraag van klaagster vertraging heeft opgelopen door de handelswijze van verweerder nu de beslisbevoegdheid uiteindelijk bij de IND ligt, neemt dit niet weg dat verweerder onvoldoende voortvarend is geweest in de communicatie met klaagster en dat hem, gelet op al het voorgaande, daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 
5.6    Klachtonderdeel a) is in zoverre gegrond. 
Klachtonderdeel b)
5.7    Klaagster verwijt verweerder in klachtonderdeel b) dat hij niet heeft gereageerd op berichten van de nieuwe advocaat van klaagster om de zaak over te dragen, als gevolg waarvan de nieuwe advocaat de zaak niet langer wilde overnemen vanwege de korte termijn. 
5.8    Uit de e-mailberichten tussen verweerder en de opvolgende advocaten, blijkt dat mr. A. op 24 januari 2025 heeft verzocht om overname van de zaak van klaagster. Op 7 februari 2025 heeft mr. A. gemeld dat zij de zaak niet kon overnemen vanwege haar vakantie. Vervolgens heeft mr. El-S. op 10 februari 2025 aan verweerder een verzoek tot overname van de zaak gestuurd. Diezelfde dag heeft verweerder het dossier van klaagster per e-mail aan mr. El-S. toegestuurd. 
5.9    Het door klaagster in klachtonderdeel b) gemaakte verwijt aan verweerder, dat hij niet reageerde op overnameverzoeken van de nieuwe advocaten, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag. Verweerder heeft wel gereageerd en de zaak is ook overgedragen aan mr. El-S.   
5.10    Klachtonderdeel b) is ongegrond. 

6    MAATREGEL
6.1    Klachtonderdeel a) is gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door sinds september 2024 niet meer te reageren op e-mailberichten of telefoontjes van klaagster of Vluchtelingenwerk Nederland.
6.2    Uit het tuchtrechtelijk verleden van verweerder maakt de raad op dat al meerdere malen  klachten tegen verweerder zijn ingediend die lijken toe te zien op gebreken in de communicatie met cliënten. Hierin lijkt geen verbetering zichtbaar. Ook de onderhavige klacht ziet op dit aspect. 
6.3    De vreemdelingenpraktijk die verweerder voert is een lastige praktijk, met cliënten die veel van een advocaat vragen. De raad realiseert zich dat en heeft daar ook begrip voor. Daar staat echter tegenover dat in deze specifieke praktijk gewerkt wordt met zeer afhankelijke cliënten waarbij de belangen van die cliënten zeer groot zijn. Dit brengt met zich dat  van een advocaat die werkzaam is in deze praktijk verwacht mag worden dat hij/zij in de aanpak van zaken met deze specifieke aspecten rekening houdt. 
6.4    Klaagster heeft bij verweerder meermaals en herhaaldelijk aangedrongen op het verstrekken van informatie en het verkrijgen van duidelijkheid over de voortgang van haar zaak, maar verweerder gaf hier niet of nauwelijks gehoor aan. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden kon en mocht worden verwacht. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder ziet de raad aanleiding aan verweerder een zware maatregel op te leggen, namelijk een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken.       

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel op van een schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van vier weken;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt,
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;
-        bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juli 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026