ECLI:NL:TADRAMS:2026:154 Raad van Discipline Amsterdam 26-088/A/A 26-103/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:154 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 23-07-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. De raad is van oordeel dat verweerders in ieder geval tot en met 30 april 2025 feitelijk de advocaten waren van meerdere vennootschappen. Er bestond een risico op een belangenconflict. De raad is in deze zaak van oordeel dat klaagsters voldoende rechtstreeks belang hebben bij hun klacht en dat verweerders bij het verlenen van hun rechtsbijstand duidelijker hadden moeten zijn over de positie van de onderlinge vennootschappen en de gevolgen van een eventueel tegenstrijdig belang tussen de partijen. Toen dat tegenstrijdig belang zich eenmaal had geopenbaard hadden verweerders dit op tafel moeten leggen en hierover in openheid met L. B.V. en de vennootschappen moeten overleggen. Door daar onvoldoende oog voor te hebben, hebben verweerders gehandeld op een wijze die botst met de kernwaardes van de advocatuur. De klacht is daarom gegrond. De raad legt de maatregel van waarschuwing op. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaken 26-088/A/A en 26-103/A/A
naar aanleiding van de klachten van:
klaagsters
over
verweerder
en
verweerster
samen ook: verweerders
gemachtigde van verweerders: mr. S.F. Knijnenburg
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 mei 2025 hebben klaagsters bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerders.
1.2 Op 3 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2494327/JHS/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 mei 2026. Daarbij
was R(…) namens klaagsters aanwezig en verweerders met hun gemachtigde. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de nagezonden stukken van verweerders van 23 februari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster 1 en L(…) B.V. (verder: L. B.V.) zijn beiden statutair bestuurder
en voor 50% houder van de aandelen in klaagsters 2 tot en met 4 (hierna gezamenlijk
de “vennootschappen”). Klaagster 1 is de persoonlijke houdstervennootschap van de
heer R(…) (verder: de heer R.). L. B.V. is de persoonlijke houdstervennootschap van
mevrouw B(…) (verder: mevrouw B.).
2.3 Op aandeelhoudersniveau hebben klaagster 1 en L. B.V. afspraken over hun
samenwerking vastgelegd in twee aandeelhoudersovereenkomsten: één voor klaagster 2
en één voor klaagster 4. Met betrekking tot de werkzaamheden die klaagster 1 en L.
B.V. verrichten voor klaagsters 2 en 4 zijn afspraken gemaakt in vier managementovereenkomsten.
Zowel L. B.V. als klaagster 1 heeft daarbij met klaagsters 2 en 4 een afzonderlijke
managementovereenkomst gesloten. De werkzaamheden die zij verrichten voor klaagster
3 lopen via een managementovereenkomst met klaagster 2.
2.4 In de loop van 2024 is tussen de heer R. en mevrouw B – en in hun kielzog
tussen klaagster 1 en L. B.V. – een conflict ontstaan over – kort gezegd – het functioneren
van klaagster 1 en de mogelijke ontvlechting van de gedeelde belangen in de vennootschappen.
2.5 In eerste instantie hebben partijen geprobeerd om via mediation een oplossing
te bereiken voor hun geschil. In verband met deze mediation is een kantoorgenoot van
verweerders gevraagd juridische bijstand te verlenen namens L. B.V. Op 19 februari
2025 is de mediation geëindigd, zonder overeenstemming over een oplossing.
2.6 In verband met de verdere beslechting van het geschil zijn verweerders als
advocaat gaan optreden voor L. B.V. Klaagster 1 werd bijgestaan door eigen advocaten.
2.7 Op 26 februari 2024 hebben verweerders namens L. B.V. een e-mail gestuurd
aan de advocaat van klaagster 1 waarin namens L. B.V. een bod is gedaan voor koop
van de aandelen van klaagster 1 in de vennootschappen. Verweerders hebben in diezelfde
e-mail gezegd dat de betaling van de managementfees door klaagsters 2 en 4 aan klaagster
1 wordt stopgezet.
2.8 Op 3 maart 2025 hebben verweerders namens L. B.V. aan klaagster 1 een oproep
gestuurd voor een gecombineerde Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders
(“BAVA”) met betrekking tot de vennootschappen. L. B.V. heeft het besluit tot ontbinding
van de vennootschappen geagendeerd. Nu klaagster 1 liet weten niet aanwezig te zijn,
hebben verweerders namens L. B.V. een oproep gestuurd voor een nieuwe gecombineerde
BAVA op 26 maart 2025.
2.9 Op 11 maart 2025 hebben verweerders namens L. B.V. een brief gestuurd aan
de advocaat van klaagster 1 waarin onder meer de met klaagster 2 en 4 gesloten managementovereenkomsten
worden beëindigd en klaagster 1 wordt gesommeerd tot terugbetaling van de managementfees
aan klaagsters 2 en 4.
2.10 Op 17 en 25 maart 2025 heeft de advocaat van klaagster 1 aan verweerders
e-mails gestuurd met een aantal verzoeken. Verweerders hebben gereageerd.
2.11 Op 3 april 2025 heeft de advocaat van klaagster 1 aan verweerders een e-mail
gestuurd waarin hij namens klaagster 1 heeft aangekondigd een kort geding te starten
en gevraagd om de verhinderdata. Bij e-mail van 7 april 2025 heeft de advocaat van
klaagster 1 verweerders geïnformeerd over het onderwerp van het kort geding.
2.12 Op 10 april 2025 heeft de advocaat van klaagster 1 bij de rechtbank een
aanvraagformulier ingediend voor een kort geding. Naar aanleiding daarvan hebben verweerders
in een brief aan de rechtbank zich gesteld als advocaten van L. B.V., mevrouw B. en
de vennootschappen.
2.13 Bij e-mail van 25 april 2025 om 14.11 uur heeft de advocaat van klaagster
1 aan verweerders vragen gesteld over het feit dat verweerders (naast L. B.V.) ook
optreden voor de vennootschappen:
“(…) In haar brief aan de rechtbank heeft [verweerster] verklaard dat jullie naast
L[…] B.V. ook optreden voor de vennootschappen. Zou je mij een kopie willen sturen
van jullie opdrachtbevestiging aan de vennootschappen? Tevens verneem ik graag hoe
jullie optreden in jouw visie valt te rijmen met Gedragsregel 15 (tegenstrijdig belang),
in aanmerking nemende dat cliënte 50% aandeelhouder en alleen/zelfstandig bevoegd
bestuurder is van de vennootschappen. (…)”
2.14 Bij e-mail van 25 april 2025 om 16.12 uur hebben verweerders gereageerd
dat zij kort gezegd de instructie hebben om in voorkomende gevallen ook namens de
vennootschappen op te treden en schrijven daarover het volgende:
“ (…) Zoals je weet treden wij al lange tijd op als advocaten van [L. B.V.] en heeft
zij ons als enige actieve bestuurder ook de instructie gegeven om in voorkomende gevallen
ook op te treden namens de vennootschappen. De discussie over de managementfees is
daarvan een goed voorbeeld. De managementovereenkomsten in kwestie zijn immers gesloten
tussen [klaagster 1] en de vennootschappen. Zoals jullie weten, is [L. B.V.] daarbij
geen partij. In de discussie die wij daarover met jullie hebben gevoerd, traden wij
dus telkens (op instructie van [L. B.V.]) ook op namens de vennootschappen. Daartegen
is nooit bezwaar gemaakt. Sterker nog, jullie correspondentie over dit punt - waaronder
de sommaties namens [klaagster 1] tot betaling van de managementfees - was steeds
aan ons gericht. Precies hetzelfde geldt ten aanzien van de onderhandelingen op de
concept SPAs. Ook daarin staan de vennootschappen genoemd als partij en hebben wij
de belangen van de vennootschappen op instructie van [L. B.V.] vertegenwoordigd, met
name waar het gaat om de afspraken rondom de beëindiging van de managementovereenkomsten.
Ook daartegen is door jullie nooit bezwaar gemaakt.
Ook bij de aanvraag van het kort geding en de uitvraag van de verhinderdata zijn
jullie ervan uitgegaan dat wij, naast voor [L. B.V.], ook namens de vennootschappen
optreden. Voor zover wij weten, hebben jullie alleen aan ons om verhinderdata gevraagd
en geen aparte uitvraag aan de vennootschappen gedaan. Hoe dan ook hebben jullie uitsluitend
de door ons opgegeven verhinderdata vermeld op het aanvraagformulier, en daarbij slechts
één partij – nota bene [mevrouw B.] zelf, en niet [L. B.V.] – als gedaagde genoemd.
Nadat [verweerster] zich vervolgens bij de rechtbank had gemeld als advocaat van alle
gedaagden, hebben jullie daartegen opnieuw geen bezwaar gemaakt. Integendeel, jullie
hebben vandaag de definitieve dagvaarding voor alle gedaagden bij ons op kantoor laten
betekenen.
Jullie wisten dus al lange tijd dat wij op instructie van [L. B.V.] ook namens de
vennootschappen optraden en hebben daartegen nooit bezwaar gemaakt. Mocht [klaagster
1] nu opeens wél bezwaar hebben, vernemen wij graag vandaag nog:
i. welke bezwaren [klaagster 1] ziet;
ii. waarom [klaagster 1] die bezwaren pas nu – nota bene na de aanvraag van het
kort geding en de betekening van de dagvaarding – met ons deelt; en
iii. hoe [klaagster 1] zich de verdere vertegenwoordiging van de vennootschappen
voorstelt, mede in aanmerking genomen dat partijen in de bestaande constellatie niet
gezamenlijk een advocaat kunnen instrueren.
Als [klaagster 1] meent dat gedaagden niet gezamenlijk kunnen optrekken, staat in
ieder geval vast dat jullie de rechtbank in het aanvraagformulier voor het kort geding
op dit punt verkeerd hebben geïnformeerd. Mochten de eventuele bezwaren van [klaagster
1] ertoe leiden dat het ons niet vrij zou staan om namens de vennootschappen (en hun
eventuele nieuwe advocaat) om verhinderdata moet vragen daarvan melding moeten maken
de rechtbank, en de dagvaarding op het juiste adres (niet zijnde ons kantooradres)
moet laten betekenen. (…)”
2.15 Bij e-mail van 28 april 2025 heeft de advocaat van klaagster 1 gereageerd
op het bericht van verweerders en schrijft het volgende:
“(…) Je draait de zaken om. Als advocaat is het aan jou om geen misverstand te laten
bestaan over welke partijen je bij staat. Dat jullie kennelijk optreden voor de vennootschappen
hebben we voor het eerst opgemaakt uit het bericht van [verweerster] aan de rechtbank.
Daarvoor hebben jullie je steevast gepresenteerd als advocaat van [L. B.V.] (zie hiervoor
onder meer de eerste alinea van jouw brief van 11 maart jl.). Ik verzoek je daarom
– voorde laatste keer – om mij een kopie te zenden van jullie opdrachtbevestiging
en de vraag te beantwoorden hoe jullie optreden valt te rijmen met Gedragsregel 15
(tegenstrijdig belang), in aanmerking nemende dat:
1. cliënte 50% aandeelhouder en alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder is van de
vennootschappen; en
2. door jullie namens [L. B.V.] is aangestuurd op ontbinding van de vennootschappen.
(…)”
2.16 Bij e-mail van 28 april 2025 hebben verweerders geschreven dat zij hun standpunt
handhaven en constateren dat klaagster 1 nog steeds geen bezwaar heeft gemaakt tegen
het feit dat zij ook namens de vennootschappen optreden.
2.17 Bij e-mail van 30 april 2025 heeft de advocaat van klaagster 1 als volgt
gereageerd:
“(…) Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en collegialiteit leek het ons goed je
eerst de gelegenheid te bieden om jouw zienswijze te geven. Nu je dat tot twee keer
toe hebt nagelaten en overigens ook niet bereid bent gebleken opdrachtbevestigingen
te verstrekken, maak ik hierbij namens [klaagster 1] (in haar hoedanigheid van statutair
bestuurder) formeel bezwaar tegen het optreden van [het kantoor van verweerders] voor
[klaagsters 2, 3 en 4]. Er is volgens [klaagster 1] namelijk sprake van een evident
tegenstrijdig belang. In jullie hoedanigheid van advocaat van L(…) B.V. hebben jullie
verklaard dat L(…) B.V. zal overgaan tot ontbinding van de vennootschappen. Daarvoor
hebben jullie aandeelhoudersvergaderingen uitgeschreven en zelfs ook bij deze oproepingen
gepersisteerd, hetgeen strijdig is met het belang van de vennootschappen en derhalve
niet verenigbaar is met jullie rol als advocaat voor diezelfde vennootschappen.
Namens [klaagster 1] wordt dan ook verzocht om binnen één werkdag na heden schriftelijk
aan mij te bevestigen dat jullie (kantoor) niet langer als advocaat van de vennootschappen
zullen optreden en dat jullie op geen enkele wijze meer betroken zullen zijn als advocaat
van de vennootschappen. Daarnaast verlangt cliënte volledige rekening en verantwoording
van de door jullie kantoor voor de vennootschappen verrichte werkzaamheden, inclusief
de toezegging om naderhand gestelde vragen die betrekking hebben op de werkzaamheden
die jullie voor de vennootschappen hebben verricht schriftelijk, gemotiveerd, volledig
en naar waarheid te beantwoorden.
Het vorenstaande doet overigens niet af aan het verzoek om een kopie te verstrekken
van de opdrachtbevestiging(en), die ik graag ontvang – eveneens uiterlijk binnen één
werkdag na heden. (…)”
2.18 Diezelfde dag hebben verweerders als volgt gereageerd:
“(…) Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren van [klaagster 1] tegen ons optreden
namens de Vennootschappen. Vooropgesteld: [L. B.V.] is onze client in dit dossier
en we hebben op haar instructie – die zij gaf als enige actieve bestuurder van de
vennootschappen – ook namens de vennootschappen opgetreden. Daartegen is door [klaagster
1] – die al lange tijd geen enkele bijdrage meer levert aan het bestendige succes
van de ondernemingen – nooit bezwaar gemaakt. Integendeel, namens [klaagster 1] hebben
jullie ons – ten aanzien van de managementovereenkomsten, de concept SPA’s en in (de
aanloop naar) dit kort geding – steeds benaderd als vertegenwoordigers van de vennootschappen.
Het geeft dus bepaald te denken dat [klaagster 1] daar nu – om twee voor twaalf, en
pas nadat de dagvaarding voor alle gedaagden door jullie op ons kantooradres is betekend
– bezwaar tegen maakt. Dat heeft in ieder geval niets met “zorgvuldigheid en collegialiteit”
te maken. Dat weet jij ook.
Voor de goede orde merken wij op dat wat ons betreft geen sprake is van een tegenstrijdig
belang. Het is inmiddels immers duidelijk dat alleen [L. B.V.] zich nog bekommert
om het belang van de vennootschappen, terwijl [klaagster 1] uitsluitend zijn eigen
belangen nastreeft. Dat gezegd hebbende, bevestigen wij hierbij dat wij niet (langer)
namens de Vennootschappen zullen optreden.
Gelet op de door [klaagster 1] geuite bezwaren staat vast dat (i) jullie de rechtbank
in het aanvraagformulier voor het kort geding onjuist, althans onvolledig, hebben
geïnformeerd, (ii) ten onrechte geen verhinderdata hebben opgevraagd bij de Vennootschappen
en (iii) de dagvaardingen ten onrechte bij ons hebben laten betekenen.
Wij gaan ervan uit dat jullie deze gebreken op zeer korte termijn zullen herstellen,
en de rechtbank nog deze week – volledig, dat wil zeggen inclusief een afschrift van
de in dit kader tussen ons gevoerde e-mailcorrespondentie – op de hoogte zullen stellen.
Indien dat bericht aan de rechtbank uitblijft, zullen wij de rechtbank zelf informeren.
(…)”
2.19 Verweerders hebben zich in het kader van het kort geding onttrokken als
advocaten van de vennootschappen. Voorafgaand aan de mondeling behandeling op 23 mei
2025 hebben verweerders namens L. B.V. en mevrouw B. een conclusie van antwoord tevens
houdende eis in reconventie ingediend. In deze conclusie hebben verweerders gesteld
dat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend aan de vennootschappen. Ook hebben
verweerders betoogd dat het stopzetten van de managementfees en opzegging van de managementovereenkomsten
door klaagster 2 en 4 gegrond was.
2.20 Op 22 mei 2025 hebben klaagsters de onderhavige klacht tegen verweerders
ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten
verweerders dat zij klachtwaardig hebben gehandeld door:
a) niet alleen voor L. B.V. maar ook voor de vennootschappen op te treden in
een kwestie waarin de belangen van enerzijds L. B.V. en anderzijds de vennootschappen
tegengesteld zijn;
b) namens de vennootschappen op te treden zonder dat zij daartoe een opdracht
hebben gekregen dan wel onduidelijkheid te laten bestaan over de cliënten namens wie
verweerders zijn opgetreden;
c) bij de belangenbehartiging van de vennootschappen uitsluitend het belang te
dienen van één van de aandeelhouders, L. B.V., en niet de belangen van de vennootschappen
te dienen.
3.2 Volgens klaagsters hebben verweerders tegelijkertijd voor de vennootschappen
en L. B.V. opgetreden, terwijl de belangen van deze partijen tegengesteld zijn. Het
tegengesteld belang zit volgens klaagsters in het feit dat de vennootschappen geen
belang hebben bij het feit dat zij worden ontbonden, terwijl L. B.V. wel belang heeft
bij ontbinding van de vennootschappen. Verweerders hebben bij hun optreden namens
vennootschappen op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van klaagster
1 als 50% aandeelhouder en medebestuurder van de vennootschappen. Zij hebben uitsluitend
de belangen van L. B.V. gediend. Door aan te sturen op ontbinding van de vennootschappen
treden verweerders in feite op tegen de vennootschappen. Klaagsters worden door deze
handelswijze in hun belangen geschaad.
3.3 Verder hebben verweerders in hun verweer erkend dat zij van de vennootschappen
geen opdracht hebben gekregen en niet beschikken over een opdracht. Dit terwijl zij
zich namens de vennootschappen als advocaat hebben gepresenteerd in het kort geding
en ook in eerdere berichten hebben zij opgetreden als advocaat van de vennootschappen.
Voor zover verweerders niet zouden hebben opgetreden namens de vennootschappen, hebben
zij richting klaagsters (in strijd met gedragsregel 9) misverstand laten ontstaan
over de hoedanigheid waarin zij optraden.
3.4 Ten slotte hebben verweerders volgens klaagsters klachtwaardig gehandeld
door in hun optreden voor de vennootschappen materieel alleen de belangen van L. B.V.
te behartigen en de belangen van de vennootschappen te veronachtzamen. Ook hebben
verweerders heel bewust in strijd gehandeld met de belangen van klaagster 1 als medebestuurder
en aandeelhouder van de vennootschappen.
4 VERWEER
4.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerders stellen in
de eerste plaats dat klaagsters niet kunnen klagen over belangenverstrengeling, omdat
klaagsters niet op enig moment cliënten zijn geweest van verweerders. Verweerders
stellen dat het is gebleven bij een voornemen om naast L. B.V. ook de vennootschappen
bij te staan in het door klaagster 1 geëntameerde kort geding, maar dat zij daar na
de bezwaren van klaagster 1 vanaf hebben gezien. Volgens verweerder ontbreekt het
klaagsters aan een belang bij een klacht over schending van gedragsregel 15.
4.2 Om dezelfde reden als hiervoor genoemd hebben verweerders zich ook niet schuldig
gemaakt aan belangenverstrengeling. Voor zover verweerders in de correspondentie met
klaagster 1 voor de belangen van de vennootschappen zijn opgekomen, is dat volgens
verweerders steeds kenbaar gebeurd op instructie van L. B.V. in haar hoedanigheid
van (enig actief) bestuurder van de vennootschappen en met het oog op de belangenbehartiging
van L. B.V. in haar hoedanigheid van statutair bestuurder. Er was volgens verweerders
nimmer onduidelijkheid over namens wie verweerders optraden en welke belangen zij
vertegenwoordigden.
5 BEOORDELING
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële)
integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in
acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de
rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor
het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen
tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan
een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan
de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de
gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Het is een advocaat op grond van gedragsregel 15, behoudens enkele in die
gedragsregel genoemde gevallen, niet toegestaan om tegelijkertijd voor meer dan één
partij op te treden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben
en het is een advocaat niet toegestaan om tegen een cliënt of voormalige cliënt op
te treden.
5.3 De raad ziet aanleiding alle klachtonderdelen tezamen te bespreken.
5.4 De raad is van oordeel dat verweerders – in ieder geval tot en met 30 april
2025 – feitelijk de advocaten waren van zowel L. B.V., als de vennootschappen. Uit
het klachtdossier volgt dat verweerders op 11 maart 2025 aan klaagster 1 hebben geschreven
dat de met klaagster 2 en 4 gesloten managementovereenkomsten worden beëindigd en
waarin klaagster 1 wordt gesommeerd tot terugbetaling van de managementfees aan klaagsters
2 en 4. Verweerders hebben aangevoerd dat zij deze terugvorderingsactie instelden
namens L. B.V., maar daar gaat de raad niet in mee. Het zijn immers de vennootschappen
die de managementfee betaalden, dus een terugvordering van dit geld kan juridisch
niet zomaar via een derde lopen. De vennootschappen zijn immers rechtspersonen met
eigen bevoegdheid. Bovendien hebben verweerders zich als advocaten gesteld namens
de vennootschappen in een gerechtelijke procedure en meermaals in correspondentie
erkend dat zij konden optreden voor de vennootschappen en dat ‘in voorkomende gevallen’
ook deden. Het voorgaande duidt er ook op dat verweerders niet enkel een aanspreekpunt
voor de vennootschappen waren, maar een actieve rol als advocaten van de vennootschappen
vervulden.
5.5 Het enkele feit dat verweerders zowel de vennootschappen als L. B.V. bijstonden
is op zichzelf, gelet op gedragsregel 15, toegestaan zolang er geen conflicterende
belangen spelen. Er bestond echter wel een risico op een belangenconflict en dit bracht
mee dat verweerders de zorgplicht hadden om bij iedere ontwikkeling binnen de rechtsbijstand
aan de cliënten met potentieel strijdige belangen steeds opnieuw te toetsen of deze
conflicterend zijn of kunnen worden, en om bij elke nieuwe ontwikkeling een afweging
te maken of het bijstaan van deze cliënten verantwoord was.
5.6 De raad is van oordeel dat op het moment dat tussen klaagsters en verweerders
discussie over de bevoegdheid van verweerders om namens de vennootschappen op te treden
en rechtshandelingen te verrichten ontstond, verweerders zich hadden moeten realiseren
dat de belangen van L. B.V. en de vennootschappen mogelijk niet meer gelijk liepen
gelet op de aandelenverhouding binnen de vennootschappen. Niettemin zijn verweerders
nog geruime tijd blijven optreden in de betreffende kwestie.
5.7 Een en ander overziende is de raad van oordeel dat klaagsters voldoende rechtstreeks
belang hebben bij hun klacht en dat verweerders bij het verlenen van hun rechtsbijstand
duidelijker hadden moeten zijn over de positie van de onderlinge vennootschappen en
de gevolgen van een eventueel tegenstrijdig belang tussen de partijen. Toen dat tegenstrijdig
belang zich eenmaal had geopenbaard hadden verweerders dit op tafel moeten leggen
en hierover in openheid met L. B.V. en de vennootschappen moeten overleggen. Door
daar onvoldoende oog voor te hebben, hebben verweerders gehandeld op een wijze die
botst met de kernwaardes van de advocatuur. De klacht is daarom gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De klacht is gegrond. Daarmee komt de vraag aan de orde of aan verweerders
een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 De raad constateert dat verweerders zich weliswaar eind april 2025 hebben
onttrokken als advocaten van de vennootschappen, maar dat zij desondanks weinig inzicht
lijken te tonen in het verwijtbare van hun handelen. Ook tijdens de mondelinge behandeling
van de klacht op 29 mei 2026 lijkt dit inzicht te ontbreken, doordat de aan hun gemaakte
verwijten met name wordt gelegd in gebrekkige communicatie en niet zozeer in het handelen
van verweerders zelf.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moeten verweerders op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagsters betaalde griffierecht van € 100,-
(ieder voor de helft) aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun
rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.
7.2 Nu de raad aan verweerders een maatregel oplegt, zal de raad verweerders
daarnaast ieder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende
proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerders moeten ieder het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2
genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
in de zaak 26-088/A/A over verweerder:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.3;
in de zaak 26-103/A/A over verweerster:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagsters;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026