ECLI:NL:TADRAMS:2022:219 Raad van Discipline Amsterdam 22-743/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:219
Datum uitspraak: 24-10-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-743/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; Betreft klacht over de advocaat van de wederpartij. Deels niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop deels kennelijk ongegrond. 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 oktober 2022 
in de zaak 22-743/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 13 september met kenmerk re/ss/22-187/1871293, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager had een relatie met de cliënte van verweerster (hierna: de moeder). Klager en de moeder zijn ouders van een minderjarig kind (hierna: het kind). Aan de relatie is met ingang van juni 2015 een einde gekomen. Tussen partijen is overeengekomen dat het kind zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder. 
1.2    Klager heeft naast het kind dat hij met de moeder heeft nog drie kinderen en een stiefkind.
1.3    Tussen klager en de moeder heeft een procedure plaatsgevonden waarbij de moeder de Rechtbank Noord-Holland heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging- en opvoeding van het kind vast te stellen. 
1.4    Bij beschikking van 21 juni 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland een bijdrage vastgesteld van € 260,00 per maand met ingang van 10 augustus 2015 en van € 310,00 met ingang van 1 januari 2016. Tegen deze beschikking heeft klager op 21 september 2017 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Verweerster heeft namens de moeder op 27 november 2017 een verweerschrift tevens incidenteel appél ingediend. Klager heeft hierop een verweerschrift incidenteel appél ingediend. 
1.5    Bij beschikking van 4 december 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en de door de man te betalen bijdrage bepaald op een bedrag van € 144,00 met ingang van 10 augustus 2015, een bedrag van € 211,00 met ingang van 1 januari 2016 en op een bedrag van € 264,00 met ingang van 1 januari 2017.
1.6    Op 28 mei 2020 heeft klager opnieuw een bodemprocedure gestart om tot wijziging van de kinderalimentatie te komen. Volgens klager heeft het gerechtshof Amsterdam bij de beschikking van 4 december 2018 geen rekening gehouden met de bijdrage van € 80,- per maand in de kosten van opvoeding en levensonderhoud van een van zijn andere kinderen. Op 8 september 2020 heeft verweerster namens de moeder een verweerschrift ingediend. 
1.7    Bij beschikking van 6 oktober 2021 van de rechtbank Amsterdam klagers verzoek afgewezen en geoordeeld dat er geen aanleiding is voor aanpassing van de bestaande onderhoudsverplichting met ingang van 1 januari 2018. Tegen deze beschikking heeft klager hoger beroep ingesteld. Op 24 maart 2022 heeft verweerster namens de moeder in deze procedure bij het gerechtshof Amsterdam een verweerschrift ingediend. 
1.8    Op 4 april 2022 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 
a)    Verweerster probeert doelbewust met leugens de rechter en de griffier te misleiden en te beïnvloeden;
b)    Verweerster houdt bewust belangrijke stukken achter;
c)    Verweerster heeft namens de moeder het recht voorbehouden extra stukken tijdens de zitting in te brengen.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
4.1    De voorzitter stelt op grond van klagers toelichting op zijn klacht vast dat een deel van de verwijten van klager bij klachtonderdeel a) gaat over verweersters handelen in de procedures die zij namens de vrouw heeft gevoerd tegen klager in de periode 2017-2018 (voor een overzicht van die procedures wordt verwezen naar de weergave van de feiten). De voorzitter ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of klager kan worden ontvangen in zijn klacht, voor zover deze ziet op de periode 2017-2018. 
4.2    Ingevolge artikel 46g lid 1 onder a, Advocatenwet wordt een klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht (bij de deken) wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op deze regel bevat lid 2 van artikel 46 Advocatenwet een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat na afloop van de termijn in lid 1 bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht één jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. 
4.3    De voorzitter stelt vast dat klager, voor zover zijn verwijten zien op verweersters handelen in de periode 2017-2018, de vervaltermijn van drie jaar neergelegd in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet ruimschoots heeft overschreden door hierover pas een klacht in te dienen op 4 april 2022. Ook de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is ruimschoots overschreden. Klager heeft zelf in zijn klacht bevestigd dat hij twee jaar eerder voornemens was een klacht in te dienen maar er destijds voor had gekozen dit niet te doen. Van (zeer) bijzondere omstandigheden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten is verder niet gebleken. De voorzitter acht klachtonderdeel a) voor zover dit ziet op de periode 2017-2018 niet-ontvankelijk. 
Inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen 
4.4    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster als advocaat van de wederpartij. De voorzitter stelt voorop dat partijdigheid één van de kernwaarden is waaraan de advocaat dient te voldoen; de advocaat is partijdig bij de behartiging van de belangen van zijn of haar cliënt(e).
4.5    De advocaat geniet verder een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
4.6    In familierechtelijke kwesties geldt dat de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag dan een zekere mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Dit neemt echter niet weg dat een geschil zoals de kwestie die tot deze klacht heeft geleid in de eerste plaats een geschil is tussen twee ouders over hun kinderen. Het is dan ook bovenal aan die ouders om hun onderlinge geschillen te overbruggen. Advocaten moeten in relatie tot hun cliënt en het geschil voldoende professionele distantie bewaren en waken voor escalatie, maar de cliënten moeten voor ogen blijven houden dat zij verantwoordelijk blijven voor hun eigen gedrag. Dit betekent ook dat onwelgevallig handelen of nalaten niet zomaar aan de verantwoordelijkheid van de advocaat van de wederpartij kan worden toegeschreven.
Klachtonderdeel a) - over de periode vanaf 2020  
4.7    Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij in de onderliggende procedure doelbewust met leugens heeft geprobeerd de rechter en de griffier te misleiden en te beïnvloeden. Klager heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat verweerster klager meermaals als fraudeur heeft bestempeld. Zo heeft verweerster bijvoorbeeld geprobeerd de andere kinderen van klager uit de alimentatieberekening te houden door te melden dat klager niet aan hun verzorging zou bijdragen, terwijl verweerster weet dat klager een co-ouderschap heeft. Ook zou klager volgens verweerster liegen over zijn inkomsten, terwijl hij hierover volledige openheid had gegeven. Verweerster moet hebben geweten over het bestaan van zijn onderneming, de moeder wist hier in ieder geval wel van af. Ook heeft verweerster in hoger beroep gelogen waar zij schreef dat klager het deed voorkomen alsof de moeder wist dat de alimentatie met terugwerkende kracht omlaag zou gaan.     
4.8    De voorzitter overweegt als volgt. Klager heeft in zijn klacht een groot aantal uitlatingen van verweerster genoemd die volgens hem niet juist zijn. Het is ondoenlijk om op al die uitlatingen afzonderlijk in te gaan. De voorzitter zal dat dan ook niet doen. In zijn algemeenheid geldt dat klager klaagt over inhoudelijke stellingen die verweerster namens de vrouw heeft ingenomen in de onderliggende procedure tegen klager. Het is inherent aan een juridische procedure dat partijen over zaken van mening verschillen. Het is aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen en aan klager om in die procedure daartegen verweer te voeren. Dat is ook gebeurd. Uitsluitend wanneer vast komt te staan dat verweerster een op voorhand apert onjuist standpunt heeft ingenomen, kan van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zijn. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Evenmin is gebleken dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist zijn. Klachtonderdeel a) is daarom (voor het overige) kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen b) en c) 
4.9    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en komen erop neer dat klager verweerster verwijt dat zij bewust belangrijke stukken heeft achtergehouden in de onderliggende procedure en verweerster namens de moeder het recht heeft voorbehouden extra stukken tijdens de zitting in te brengen. 
4.10    Verweerster heeft aangevoerd dat het verwijt van klager mogelijk betrekking heeft op het verweerschrift dat zij op 24 maart 2022 in hoger beroep heeft ingediend. Hierin heeft verweerster opgenomen dat de moeder een nieuwe tijdelijke baan heeft waardoor haar draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie waarschijnlijk hoger is. Verweerster heeft aangegeven dat de inkomensspecificaties met een draagkrachtberekening nog in de procedure worden gebracht. Verder heeft verweerster inderdaad in het verweerschrift opgenomen dat de moeder zich het recht voorbehoudt om ter zitting of bij aanvullende akte haar verweer aan te vullen voor zover later zou blijken van meer of andere grieven van klager. Dat was nodig omdat de advocaat van klager had nagelaten grieven te formuleren en zij en de moeder zelf hebben geprobeerd te achterhalen welke grieven de man voornemens was in te dienen, zonder de zekerheid daarmee juist en volledig te zijn. Het voorbehoud ziet daarop. 
4.11    De voorzitter overweegt als volgt. Nog daargelaten dat klager deze klachtonderdelen tegenover het gemotiveerde verweer van verweerster niet nader heeft onderbouwd, valt niet in te zien welk verwijt verweerster van haar handelen valt te maken. Verweerster heeft als partijdige belangenbehartiger van de moeder gehandeld zoals van haar verwacht mag worden en is met dit handelen ruimschoots binnen de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij gebleven. Klachtonderdelen b) en c) zijn dan ook kennelijk ongegrond. 
4.12    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdeel a) voor zover dit ziet op de periode 2017-2018, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren en voor zover dit ziet op de periode vanaf 2020 met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaren. De voorzitter zal klachtonderdelen b) en c) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet eveneens kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    klachtonderdeel a) voor zover dit ziet op de periode 2017-2018 niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond; 

-    klachtonderdelen b) en c) kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2022.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 24 oktober 2022