ECLI:NL:TADRAMS:2022:215 Raad van Discipline Amsterdam 22-465/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:215
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-465/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; Ongegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft bij het leggen van beslag op de woning van klaagster de grenzen van de hem toekomende vrijheid van handelen niet overschreden. Ook anderszins heeft verweerder niet verwijtbaar gehandeld jegens klaagster.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 oktober 2022
in de zaak 22-465/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder
gemachtigde: mr. L. Bruinhof


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 19 november 2021 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 9 juni 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1608638/EJH/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 oktober 2022. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de bij e-mail van 26 juni 2022 door de gemachtigde van klaagster toegezonden brief met bijlagen. 
2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Tussen 2014 en 2018 hebben twee kantoorgenoten van verweerder werkzaamheden voor klaagster verricht. Voor deze werkzaamheden zijn in de periode van 14 maart 2016 tot en met 20 maart 2018 facturen gestuurd. Klaagster heeft de facturen niet betaald. Het kantoor van verweerder (hierna: het kantoor) heeft daarop incassomaatregelen genomen. Verweerder heeft daarbij opgetreden als advocaat van het kantoor. 
2.3    In verband met de te nemen incassomaatregelen heeft het kantoor onderzoek gedaan naar verhaalsmogelijkheden, waaronder een woning van klaagster te Amersfoort (hierna: de woning). Uit een uittreksel van het Kadaster van 30 januari 2019 bleek dat klaagster woonachtig was op Bonaire. 
2.4    Op 26 februari 2019 heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van een verzoek tot het verkrijgen verlof voor het leggen van conservatoir beslag op de woning op grond van gedragsregel 17 lid 6 overleg met de deken gevoerd. De deken antwoordde verweerder bij e-mail van 26 februari 2019 als volgt: “Naar aanleiding van uw voornemen conservatoir beslag te leggen onder uw (voormalig) cliënte bericht ik u als volgt. Op basis van de informatie in uw brief en de nadien door uw kantoorgenootgenoot toegezonden stukken meen ik dat u inderdaad redenen hebt om betaling van uw declaraties veilig te willen stellen. Tegen beslaglegging op onroerend goed heb ik geen bezwaar. Wel meen ik dat u, alvorens beslag te doen leggen, nog eenmaal een aanmaning/sommatiebrief aan [klaagster] doet toekomen, waarin u de mogelijkheid van een een conservatoir beslag aanroert. De sommatiebrieven dateren immers alweer van geruime tijde geleden, te weten april/mei 2018. Ik bevestig dat u dat het voorgeschreven overleg op grond van gedragsregel 17 lid 6 heeft plaatsgevonden.”
2.5    Bij verzoekschrift van 13 maart 2019 heeft verweerder de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) verzocht tot het leggen van conservatoir beslag op de woning. Het verlof is op 18 maart 2019 verleend. Op 18 maart 2019 heeft de deurwaarder beslag gelegd op de woning en op 19 maart 2019 werden de beschikking en het proces-verbaal van beslag rechtsgeldig openbaar betekend aan het OM. 
2.6    De daaropvolgende dagvaarding van 25 maart 2019 is openbaar betekend aan het OM, dat op 24 juni 2019 een afschrift heeft doorgezonden aan het OM te Kralendijk, Bonaire. 
2.7    Een tweede afschrift werd op 26 maart 2019 door de deurwaarder aangetekend verzonden aan de bekende werkelijke verblijfplaats van klaagster te Bonaire. De deurwaarder heeft zelf ook de woonplaats van klaagster geverifieerd. Klaagster heeft het aangetekend verzonden afschrift opgehaald bij het postkantoor, zo blijkt uit de e-mailwisseling tussen de deurwaarder en Falkpost op 2 juli 2019.
2.8    Bij vonnis van 7 augustus 2019 is klaagster bij verstek veroordeeld tot betaling aan het kantoor van een bedrag van € 32.646,50, te vermeerderen met kosten en rente. Het vonnis werd op 15 augustus 2019 openbaar betekend aan het OM en op 5 september 2019 heeft verweerder het vonnis per whatsapp-bericht aan klaagster gezonden. 
2.9    Bij e-mail van 5 november 2019 heeft de notaris verweerder laten weten dat op 2 december 2019 op zijn kantoor de overdracht van de woning van klaagster zou plaatsvinden. Aangezien het kantoor op 18 maart 2019 conservatoir beslag had gelegd op de woning wilde de notaris weten of er uit hoofde van dit beslag nog een vordering op klaagster bestond. 
2.10    Na deze mededeling van de notaris heeft verweerder op 11 november 2019 geprobeerd het vonnis in persoon te laten betekenen aan het adres van de woning, omdat hij dacht dat klaagster in het kader van de overdracht (tijdelijk) in Nederland verbleef. De levering van de woning ging uiteindelijk niet door.
2.11    Aangezien klaagster niet voldeed aan het vonnis was het kantoor voornemens de executie van de woning op te starten en in dat verband is contact gezocht met vier beslagleggers met een ouder recht. Drie beslagleggers hebben het kantoor in april 2020 toestemming verleend om de executie op te starten. 
2.12    Op 4 juni 2020 heeft de Belastingdienst bericht geen toestemming te verlenen omdat de hypotheekhouder ingevolge haar recht van parate executie de overname van de executie had aangezegd aan de Belastingdienst. Hierbij heeft de Belastingdienst ook gewezen op zijn voorrecht op grond van artikel 21 Invorderingswet 1990. 
2.13    Bij e-mail van 28 september 2020 heeft mr. H, een (toenmalig) kantoorgenoot van verweerder, namens het kantoor aan de Belastingdienst gevraagd wat de hoogte van de vordering is waarvoor Belastingdienst beslag heeft gelegd op de woning. Hierop heeft de Belastingdienst geen reactie gegeven. 
2.14    Op 28 september 2020 heeft de tweede hypotheekhouder, de heer Van R D e-mailcorrespondentie tussen hem en de eerste hypotheekhouder, Volksbank N.V. (hierna: de bank), doorgestuurd aan verweerder. Uit deze correspondentie blijkt dat de Belastingdienst reeds voor eind mei 2019 aan de bank had verzocht de openbare verkoop van de woning op te starten. 
2.15    Bij brief van 8 oktober 2020 heeft de Belastingdienst klaagster laten weten dat de schuldenlast op dat moment € 2.639.850,- bedroeg.  
2.16    Op 11 maart 2021 heeft het kantoor een verzoekschriftprocedure ex artikel 545 Rv gestart, teneinde de bank een termijn te stellen om tot executie over te gaan.
2.17    Mr. H, die zich in deze procedure als de advocaat voor het kantoor had gesteld, heeft de rechtbank op 7 juli 2021 geïnformeerd over de bij het kantoor laatst bekende contactgegevens van klaagster op Bonaire en het e-mailadres van klaagster verstrekt. Op 8 juli 2021 is klaagster als belanghebbende door de rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling in deze procedure op 26 augustus 2021.
2.18    Bij e-mail van 25 augustus 2021, en dus een dag voor de zitting, heeft klaagster het kantoor, voor zover relevant, het volgende bericht gestuurd: “Van de rechtbank Utrecht ontving ik de oproep inzake uw verzoekschrift waarbij u de [bank] wil dwingen mijn huis te veilen. Ondanks hetgeen u beweert in uw verzoekschrift is het verzoek vexatoir. Uit de opbrengt zult u nimmer worden voldaan. Op de woning zitten twee hypotheken alsmede een beslag van de fiscus met een totale schuld van meer dan 3.000.000 euro. Volgens het taxatierapport zal de woning rond de 600.000 opbrengen. Zoals u in het verzoekschrift heeft bijgevoegd, vermeldt de brief van de fiscus van 4 juni 2020 de volgende zin: ‘Voor de goede orde wijs ik u ook op mijn voorrecht van artikel 21 van de Invorderingswet 1990.’ Daarnaast wil ik u erop wijzen dat op u slinkse wijze een vonnis tegen mij in privé heeft verkregen. Ik heb nimmer in persoon waar dan ook opdracht voor gegeven, louter alleen met mijn vennootschappen. (…) Zowel de dagvaarding, het vonnis, de betekenissen ervan en de beslaglegging hebben mij nooit bereikt. Ik heb mijn inschrijvingsadres via een RNI-gemeente laten registreren in de BPR, zodat ik te allen tijde vindbaar ben. (…) Het vonnis is op onjuiste gronden verkregen en ik roep hierbij de nietigheid van het vonnis in. (…) Mocht u mij op korte termijn niet bevestigen dat het verzoekschrift is ingetrokken en dat u afziet van verdere uitvoering van het vonnis tegen mij in privé dan ben ik genoodzaakt om naast het entameren van een tuchtzaak tegen u ook strafrechtelijk aangifte tegen u te moeten doen (…)” 
2.19    Op 26 augustus 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren namens het kantoor mr. H als advocaat aanwezig en verweerder als partner van het kantoor. Klaagster, die in het buitenland verbleef, is tijdens de zitting via de telefoonlijn als belanghebbende gehoord.  
2.20    Bij beschikking van 10 september 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de bank binnen drie maanden overgaat tot openbare verkoop van de woning (zodanig dat de levering binnen een termijn van zes maanden zal geschieden) en dat indien de voornoemde termijnen worden overschreden de executie wordt voortgezet door het kantoor. 
2.21    Bij e-mail van 16 september 2021 heeft een griffiemedewerker van de rechtbank klaagster als volgt bericht: “Naar aanleiding van het telefonisch onderhoud van hedenmorgen stuur ik u een afschrift van de beschikking.”
2.22    Bij e-mail van 17 september 2021 heeft klaagster de griffiemedewerker als volgt geantwoord: “Ik zie dat deze beschikking is opgestuurd naar Bonaire maar hier woon ik al 1,5 niet meer (…) Sta ook ingeschreven in het register van buitenlanders, zodat ik altijd te vinden ben, Graag wil ik van u weten waarom dit gebeurd is, en waarom dit niet naar het adres is gestuurd waar ik ingeschreven sta Volgens de wet.”
2.23    Bij e-mail van (eveneens) 17 september 2021 heeft de griffiemedewerker gereageerd met de mededeling dat zij de gegevens gebruiken zoals die worden aangeleverd door de advocaat van verzoekende partij.
2.24    Bij e-mail van 13 oktober 2021 heeft de Belastingdienst (bij monde van de heer I) klaagsters gemachtigde in antwoord op diens vraag het volgende meegedeeld: “In het geval er sprake is van een (executoriale) verkoop van de [woning] zal er een beroep worden gedaan op de wettelijke preferentie Ingevolge artikel 21 van de Invorderingswet 1990. (…)”
2.25    De bank heeft daarna de voorbereidingen voor de openbare veiling aangevangen, maar heeft het kantoor vervolgens verzocht in te stemmen met uitstel omdat zij het huurbeding wil inroepen. De bank achtte het inroepen van het huurbeding in het belang van de lager gerangschikte hypotheekhouders en de beslagleggers. Het kantoor heeft conform verzoek ingestemd met uitstel.
2.26    Bij brief van 17 november 2021 heeft klaagster (bij monde van één van haar gemachtigden, de heer Ter B) het kantoor verzocht het beslag op de woning binnen vijf dagen vrijwillig in te trekken. Volgens klaagster heeft verweerder geen belang bij het beslag, omdat de Belastingdienst bij executoriale verkoop van de woning een beroep zal doen op de wettelijke preferentie ingevolge artikel 21 van de lnvorderingswet 1990.
2.27    Verweerder heeft op dit verzoek niet gereageerd.  
2.28    Op 19 november 2021 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft noch de dagvaarding, noch het vonnis, noch het beslagexploot inzake de procedure van verweerder tegen klaagster (op juiste wijze) aan haar laten betekenen; 
b)    Verweerder heeft de rechtbank in het kader van deze procedure bewust verkeerde (adres)gegevens verstrekt;
c)    Verweerder heeft bewust onjuiste uitspraken gedaan over een beslag van de Belastingdienst dat ook rustte op de aan klaagster toebehorende en door verweerder beslagen woning; 
d)    Verweerder heeft willens en wetens onnodig beslag gelegd op de woning met als doel klaagster zonder dat daar een te respecteren belang van verweerder tegenover staat te benadelen en ‘kapot te maken’.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    De klacht is gericht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster. Het Hof van Discipline hanteert als maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt; deze kan onder meer ingeperkt worden indien de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, (2) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (2) genoemde beperking moet voorts in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. 
5.2    De raad zal het optreden van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a) 
5.3    In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij noch de dagvaarding, noch het vonnis, noch het beslagexploot inzake de procedure van het kantoor tegen klaagster op juiste wijze aan haar heeft laten betekenen. Volgens klaagster was haar adres bij verweerder bekend. Ook waren de twee gemachtigden van klaagster bekend bij het kantoor en was het adres van klaagster te vinden in de Registratie Niet Ingezetenen. De activiteiten die het kantoor heeft ondernomen om te verifiëren of de informatie klaagster heeft bereikt zijn voor de bühne geweest. Het kantoor heeft verschillende communicatiekanalen niet benut. Hierdoor heeft klaagster geen kennis kunnen nemen van de acties van verweerder. 
5.4    De raad overweegt dat op grond van het overgelegde klachtdossier - en in het bijzonder de uitleg van verweerder hierover die door klaagster niet wordt betwist - niet valt in te zien in welke zin verweerder met betrekking tot het betekenen van de exploten aan klaagster een tuchtrechtelijk verwijt treft. Voor zover klaagster betoogt dat haar (toenmalige) gemachtigden bij het kantoor van verweerder bekend waren, geldt dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat klaagster geen domicilie op het adres van een van haar (toenmalige) gemachtigden heeft gekozen. Klachtonderdeel a) zal daarom ongegrond worden verklaard. 
Klachtonderdeel b)
5.5    In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat haar uit navraag bij de rechtbank is gebleken dat verweerder in het kader van de verzoekschriftprocedure de rechtbank bewust verkeerde adresgegevens heeft verstrekt. Aangezien de rechtbank uitgaat van contactgegevens die de verzoekende partij moet verstrekken legt dit een verantwoordelijkheid bij de advocaten om op dit vlak zeer zorgvuldig te handelen. 
5.6    De raad overweegt als volgt. Niet verweerder maar mr. H heeft op 7 juli 2021 de bij het kantoor bekende adresgegevens aan de rechtbank verstrekt. De klacht slaagt om die reden al niet. Daarnaast vindt het verwijt dat van de zijde van verweerder bewust onjuiste gegevens zouden zijn verstrekt aan de rechtbank geen grondslag in het overgelegde klachtdossier. De raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat het gebruikte e-mailadres van klaagster blijkbaar wel nog in werking was en klaagster ook toegang moet hebben gehad tot dit e-mailadres nu de gestuurde aanmaningen en oproeping van de rechtbank klaagster wel hebben bereikt. De oproeping van 8 juli 2021 heeft klaagster blijkens haar e-mail van 25 augustus 2021 aan het kantoor in ieder geval voorafgaand aan de zitting ontvangen. Van klachtwaardig handelen is de raad hoe dan ook niet gebleken, zodat dit klachtonderdeel ook om die reden ongegrond zal worden verklaard. 
Klachtonderdelen c) en d)   
5.7    Deze klachtonderdelen lenen zich gelet op hun onderlinge samenhang voor een gezamenlijke beoordeling. Klaagster verwijt verweerder dat hij op de zitting van 26 augustus 2021 bewust onjuiste uitspraken zou hebben gedaan over het beslag van de Belastingdienst dat ook op de door verweerder beslagen woning rustte. De Belastingdienst heeft, aldus klaagster, verklaard dat zij bij (executoriale) verkoop van de woning een beroep zou doen op haar wettelijke preferentierecht. Het door het kantoor gelegde beslag was aldus vexatoir. In het verzoekschrift gaat verweerder hieraan voorbij door het beslag van de Belastingdienst te bagatelliseren en zich alleen op de waarde van het pand en de hypothecaire leningen te richten. Tijdens de zitting van 26 augustus 2021 heeft de gemachtigde van klaagster naar voren gebracht dat de vordering van de Belastingdienst zodanig groot is dat er geen executieopbrengsten zouden overblijven, waardoor het kantoor van verweerder geen belang had bij het gelegde beslag. De rechter heeft beide partijen hierop gevraagd of zij kennis hadden van de hoogte van de vordering van de Belastingdienst, waarop verweerder in strijd met de waarheid heeft geantwoord dat het kantoor niet weet hoe hoog deze vordering is. Bij brief van 17 november 2021 is het kantoor namens klaagster verzocht het beslag op te heffen, omdat er geen belang is om het beslag te handhaven. Klaagster lijdt onnodige grote schade door de gedwongen verkoop.
5.8    Verweerder voert hiertegen allereerst aan dat hij op de zitting van 26 augustus 2021 niet als advocaat heeft opgetreden maar als partner van het kantoor aanwezig was. Hij heeft dus niet als advocaat de uitlatingen over de vordering van de Belastingdienst gedaan. Verder voert verweerder aan dat hij tot aan de ontvangst van de klacht geen kennis heeft gehad van de hoogte van de vordering van de Belastingdienst. De hoogte van de vordering waarvoor de Belastingdienst executoriaal beslag heeft gelegd staat niet ingeschreven in het kadaster en op het verzoek van mr. H van 28 september 2020 aan de Belastingdienst om haar te informeren over de hoogte van de vordering, heeft de Belastingdienst niet gereageerd. Klaagster berichtte het kantoor een dag voor de zitting dat de hoogte van de belastingschuld meer dan € 3.000.000,- zou bedragen, maar had deze informatie niet met bewijsstukken onderbouwd, zodat verweerder deze informatie niet zomaar voor waar kon aannemen. De verklaring van verweerder (en van mr. H) dat het kantoor niet op de hoogte was van de hoogte van de openstaande vordering van de Belastingdienst, is dan ook in overeenstemming met de werkelijkheid. Daarnaast voert verweerder aan dat hij de indruk heeft dat klaagster nog steeds verweer voert tegen de aanspraken van de fiscus en dat de hoogte van de vordering nog niet vaststaat. Voor wat betreft het verwijt dat verweerder vexatoir beslag zou hebben gelegd op de woning van klaagster met enkel als doel klaagster ‘kapot te maken’, voert verweerder tot slot aan dat de vraag of een beslag vexatoir is, is voorbehouden aan het oordeel van de civiele rechter in een executiegeschil tussen de beslaglegger, het kantoor en de beslagene. 
5.9    De raad overweegt allereerst dat voor zover verweerder stelt dat hij op de zitting van 26 augustus 2021 niet als advocaat maar als partner van het kantoor een verklaring over de hoogte van de belastingschuld heeft gedaan, geldt dat nu verweerder bij het treffen van de incassomaatregelen namens het kantoor ook als advocaat handelingen heeft verricht, en nauw betrokken was bij de verzoekschriftprocedure hij verantwoordelijk mag worden gehouden voor de uitlatingen die hij op de zitting heeft gedaan. 
5.10    Voor wat betreft de inhoud van de door verweerder ter zitting gedane uitlatingen overweegt de raad verder dat uitsluitend wanneer komt vast te staan dat verweerder een op voorhand apert onjuist standpunt heeft ingenomen, verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat hiervan sprake is, is de raad, gelet op het gemotiveerde verweer van verweerder niet gebleken. De raad acht hiertoe allereerst relevant dat verweerder (onweersproken) heeft gesteld dat mr. H op haar verzoek van 28 september 2020 aan de Belastingdienst om haar te informeren over de hoogte van de schuldenlast geen reactie heeft ontvangen en dat verweerder niet eerder dan bij de klacht van 24 november 2021 kennis heeft genomen van de brief van de Belastingdienst van 8 oktober 2020 aan klaagster waarin zij wordt geïnformeerd over de op dat moment bestaande schuldenlast van € 2.639.850,-. Dat verweerder niet van de juistheid van klaagsters mededeling van 25 augustus 2021 over de totale schulden is uitgegaan, kan verweerder niet tegengeworpen worden. Klaagster heeft haar stelling immers niet met bewijstukken onderbouwd. Tot slot volgt uit het proces-verbaal van de zitting dat ook bij de rechtbank nog onduidelijkheid bestond over de hoogte van de vordering van de Belastingdienst. 
5.11    Voor wat betreft klaagsters verwijt dat verweerder vexatoir beslag heeft gelegd op de woning van klaagster, overweegt de raad tot slot dat het aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter is om de rechtmatigheid van een gelegd beslag te beoordelen. De toets door de tuchtrechter is op dit punt een terughoudende, namelijk het onnodig of onevenredig schaden van de belangen van de wederpartij zonder redelijk doel. Daarvan is de raad niet gebleken. De klachtonderdelen c) en d) zullen dan ook eveneens ongegrond worden verklaard. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond. 

Aldus beslist door mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter, mrs. M. Bootsma en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2022.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 oktober 2022