ECLI:NL:TADRAMS:2022:214 Raad van Discipline Amsterdam 22-282/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:214
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-282/A/NH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; Gedeeltelijk gegronde klacht van een advocaat over een advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft zich rechtstreeks tot klagers client gewend, wetende dat klager in beeld was; Waarschuwing met kostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 oktober 2022
in de zaak 22-282/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:


klager
gemachtigde: mr. P. Ingwersen

over:

verweerster
gemachtigde: mr. K.A. Cerutti

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 24 oktober 2021 heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 21 maart 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk td/ds/1565817 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 oktober 2022. Daarbij waren aanwezig klagers gemachtigde en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    De heer L (hierna: de man) en mevrouw F (hierna: de vrouw) zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De man heeft klager verzocht hem in deze procedure bij te staan. De vrouw heeft verweerster verzocht haar in deze procedure bij te staan. 
2.3    Klager is advocaat op Aruba en als zodanig ingeschreven op het tableau van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.   
2.4    Op 30 augustus 2021 heeft klager de vrouw geschreven dat de man hem om advies had gevraagd over de zakelijke kant van de afwikkeling van het huwelijk. 
2.5    Op 31 augustus 2021 heeft verweerster namens de vrouw als volgt gereageerd: “Hierdoor bericht ik u dat ik [de vrouw] zal bijstaan in de op handen zijnde echtscheidingsprocedure. U kunt uw verdere berichten aan mij richten. Het voorstel zie ik graag tegemoet.” 
2.6    Kort daarna heeft de man van de vrouw vernomen dat klager niet was ingeschreven op het Nederlandse advocatentableau. De man heeft klager hierop laten weten dat hem dat niets uitmaakte en dat hij hechtte aan klagers advisering ter zake van de afwikkeling van het huwelijk.
2.7    Op 21 september 2021 heeft verweerster klager als volgt geschreven: “Voor zover ik kan nagaan, heb ik nog geen nadere berichten van u ontvangen. Kunt u aangeven wanneer ik uw voorstel kan verwachten?” 
2.8    Op 22 september 2021 heeft klager het voorstel aan verweerster gestuurd en haar verzocht om binnen één week een reactie te geven. Deze reactie volgde niet. 
2.9    Op 12 oktober 2021 heeft klager verweerster gerappelleerd. Via de man had klager vernomen dat de vrouw had gezegd “het voorstel van die kwakzalver” niet te accepteren. 
2.10    Op 18 oktober 2021 heeft klager zonder succes getracht telefonisch contact te krijgen met verweerster. Vervolgens heeft hij haar een e-mail gestuurd. 
2.11    Bij e-mail van 19 oktober 2021 heeft verweerster klager als volgt geantwoord: “Gisteren was ik inderdaad niet bereikbaar dus het klopt dat u mij niet aan de telefoon kreeg. Ik heb uw brief inmiddels met cliënte kunnen bespreken en de door u geformuleerde uitgangspunten geven cliënte onvoldoende vertrouwen om er met elkaar uit te komen. Zij heeft mij de opdracht gegeven de procedure op te starten bij de rechtbank. Zij heeft dit ook met uw cliënte (RvD: bedoeld wordt cliënt) besproken en ik veronderstelde dan ook dat u hiermee bekend zou zijn.”
2.12    Bij brief van 19 oktober 2021 heeft verweerster de man, voor zover relevant, het volgende meegedeeld: “(…) [De vrouw] meent dat het nu tijd is om de echtscheidingsprocedure op te starten. Ik heb dan ook een verzoekschrift tot echtscheiding opgesteld en bij de rechtbank ingediend. De deurwaarder komt binnenkort bij u langs om een afschrift van het verzoekschrift bij u langs te brengen. De procedure loopt dan bij de rechtbank in Alkmaar en ik adviseer u om een eigen echtscheidingsadvocaat in de arm te nemen die u kan bijstaan in de procedure. U kunt een gespecialiseerde advocaat vinden via de site www.verder-online.nl. Dit is de website van de vereniging van echtscheidingsadvocaten en mediators. Ik begrijp van [de vrouw] dat u contact heeft (gehad) met mr. (…) O(…). Hij is gespecialiseerd in echtscheidingen en het zou een goede stap zijn om hem in te schakelen. Ik zal dan ook verder niet inhoudelijk reageren op de mail die ik namens u ontving van [klager]. Dit is niet de weg die [de vrouw] wenst te bewandelen. (…)”
2.13    De man heeft de brief van verweerster van 19 oktober 2021 op 22 oktober 2021 aan klager doorgestuurd.  
2.14    Klager heeft op 24 oktober 2021 bij de deken een klacht over verweerster ingediend. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
a)    Verweerster heeft de wederpartij rechtstreeks benaderd terwijl zij op de hoogte was van het feit dat klager als advocaat/adviseur optrad; 
b)    Verweerster heeft zich onnodig grievend over klager uitgelaten. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    Uitgangspunt is dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten dient te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
5.2    De klachtonderdelen a) en b) gaan in de kern over de brief van verweerster van 19 oktober 2021 aan de man en lenen zich daarom voor een gezamenlijk beoordeling. Klager is van mening dat verweerster zich met haar handelwijze rondom deze brief onfatsoenlijk en schofferend jegens hem heeft gedragen en zich onnodig grievend over hem heeft uitgelaten en dat hij daarmee de gedragsregels 1, 7, 24 en 25 heeft geschonden. De Nederlandse Advocatenwet en de gedragsregels zijn weliswaar niet direct op klager van toepassing - en omgekeerd gelden de regels van de voormalige Nederlandse Antillen niet voor verweerster - maar verweerster heeft zich ook jegens hem te houden aan haar (eigen) gedragsregels. Hoewel verweerster wist dat klager als advocaat voor de man optrad en wachtte op een reactie op zijn voorstel van 22 september 2021, heeft verweerster klager op 19 oktober 2021 - zonder de moeite te nemen hem telefonisch te woord te staan - slechts een kort bericht gestuurd dat zij niet akkoord ging met het voorstel en zich diezelfde dag bij brief rechtstreeks tot de man gewend (zonder afschrift aan klager). In haar brief aan de man heeft verweerster meegedeeld een echtscheidingsprocedure te zullen starten en de man geadviseerd een gespecialiseerde advocaat in te schakelen. Door zich op deze manier en met deze bewoordingen rechtstreeks tot de man te wenden in de wetenschap dat klager voor hem als advocaat optrad, heeft verweerster klager geschoffeerd en zich onnodig grievend over hem uitgelaten. Daarbij gaat het klager niet om de term ‘kwakzalver’, die term heeft hij niet aan verweerster gekoppeld, maar om de bewoordingen die verweerster heeft gebezigd in de gewraakte brief. Met de opmerking dat zijn cliënt een ‘gespecialiseerde advocaat’ zou moeten zoeken, wordt door verweerster namelijk de suggestie gewekt dat klager dat niet zou zijn.  
5.3    Verweerster heeft mede ter zitting aangevoerd dat er bij haar onduidelijkheid bestond over de hoedanigheid van klager. Hij is jarenlang adviseur van de familie geweest en heeft in het verleden de belangen van zowel de man als de vrouw behartigd. Verweerster verkeerde in de veronderstelling dat klager in die hoedanigheid probeerde in het conflict tussen de echtelieden te opereren. Het zou ook in strijd met gedragsregel 15 zijn om ineens voor één van beide echtelieden op te treden. Volgens verweerster heeft klager niet de bevoegdheid om in Nederland als advocaat op te treden, te adviseren of anderszins zich als advocaat te manifesteren in een kwestie die wordt beheerst door Nederlands recht. Gedragsregel 25 is dan ook niet van toepassing en verweerster was niet gehouden om haar brief van 19 oktober 2021 in afschrift aan klager te sturen. Voor zover klager zich evenwel gepasseerd heeft gevoeld heeft verweerster, hoewel zij niet verkeerd heeft gehandeld, wel haar verontschuldigingen aangeboden. Verweerster heeft zich in haar brief van 19 oktober 2021 rechtstreeks tot de man gewend, zoals voor haar gebruikelijk is wanneer een wederpartij zich laat bijstaan door een adviseur, zoals een accountant, boekhouder of een vriend. Op die manier heeft verweerster de rol van klager ook gezien. Er lag wat verweerster betreft geen duidelijke instructie om rechtstreeks met klager te communiceren. Verweerster ontkent dat zij klager heeft geschoffeerd door de man in de bewuste brief te adviseren een gespecialiseerde advocaat in te schakelen. 
5.4    De raad overweegt als volgt. Verweerster heeft klager op 31 augustus 2021 meegedeeld dat zij de vrouw bijstond in de echtscheidingsprocedure en dat klager verdere berichten aan haar kon richten en zij een voorstel graag tegemoet zag. Op 21 september 2021 heeft verweerster klager nog gevraagd wanneer zij het voorstel kon ontvangen. Uit deze e-mailberichten blijkt op geen enkele wijze dat verweerster klager niet als de advocaat van de man beschouwde maar slechts zag als een adviseur waarmee zij de echtscheidingsprocedure niet (meer) kon afwikkelen. Voor zover verweerster ter zitting heeft gesteld dat klager als voormalig adviseur van de (ex-)echtelieden niet alleen voor de man kon optreden, geldt dat - wat er ook zij van de juistheid van deze stelling - het op verweersters weg had gelegen zich hierover naar klager toe uit te spreken. Uit de gedingstukken is het de raad in ieder geval niet gebleken dat deze reden aan verweersters beslissing om niet meer met klager te communiceren over de echtscheidingsprocedure ten grondslag heeft gelegen. Pas ter zitting van de raad is dit argument de eerste keer naar voren gebracht. Verweerster heeft klager op het korte bericht van 19 oktober 2021 na, in het geheel niet laten weten dat zij de echtscheidingsprocedure niet met hem zou afwikkelen. Klager moest via de brief van verweerster aan de man van 19 oktober 2021 vernemen dat verweerster niet van plan was inhoudelijk te reageren op het voorstel van klager van 22 september 2021. Los van de vraag of de Nederlandse gedragsregels op de interactie tussen klager en verweerster van toepassing is, geldt dat verweerster zich, door klager op deze manier te passeren, niet heeft gedragen als een behoorlijk advocaat betaamt, zodat klachtonderdeel a) gegrond wordt verklaard. 
5.5    Voor zover klager verweerster verwijt dat zij zich in haar brief van 19 oktober 2021 schofferend en onnodig grievend over klager heeft uitgelaten door in de brief de man erop te wijzen via welke weg hij een ‘gespecialiseerde advocaat’ zou kunnen vinden, deelt de raad klagers standpunt niet. Verweerster heeft genoegzaam onderbouwd dat zij de man slechts het advies heeft willen geven een (in Nederland op het tableau ingeschreven) echtscheidingsadvocaat in de arm te nemen en hem er in dat verband op gewezen waar hij een gespecialiseerde advocaat kon vinden. Hieruit kan naar het oordeel van de raad niet worden afgeleid dat verweerster zich daarmee onheus heeft uitgelaten omtrent de kwaliteiten van klager. Klachtonderdeel b) zal dan ook ongegrond worden verklaard. 
    
6    MAATREGEL
6.1    De gegrondverklaring van klachtonderdeel a) rechtvaardigt het opleggen van een maatregel. De raad acht gelet op de aard en ernst van het tuchtrechtelijk verwijt, het opleggen van een waarschuwing passend en geboden. De raad houdt hierbij rekening met het feit dat verweerster voor het rechtstreeks benaderen van klagers cliënt haar verontschuldigingen heeft aangeboden aan klager. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; 
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter, mrs. M. Bootsma en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2022.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 oktober 2022