ECLI:NL:TADRAMS:2022:213 Raad van Discipline Amsterdam 22-779/A/DH/W

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:213
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-779/A/DH/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Volgend wrakingsverzoek in de onderliggende procedure zal niet meer in behandeling worden genomen.

Beslissing van de Wrakingskamer van de 
Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 oktober 2022
in de zaak 22-779A/DH/W
naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen tuchtrechters, ingediend door:


Verzoeker


1    DE FEITEN
1.1    Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) is een klachtzaak aanhangig onder zaaknummer 22-182/DH/DH met verzoeker als klager en mr D de L als verweerder in de hoofdzaak (hierna: verweerder). 
1.2    Bij voorzittersbeslissing van 25 mei 2022 is de klacht, die verzoeker mede namens de medebenadeelden heeft ingediend, gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medebenadeelden heeft de voorzitter overwogen dat verzoeker deze medebenadeelden niet bij naam heeft genoemd en verzoeker geen stuk heeft overgelegd waaruit kan blijken dat hij de klacht namens een of meer anderen heeft ingediend. De voorzitter is er daarom vanuit gegaan dat de klacht uitsluitend door verzoeker is ingediend. 
1.3    Verzoeker heeft tegen de voorzittersbeslissing verzet ingesteld. De mondelinge behandeling van het verzet was gepland op de zitting van 3 oktober 2022.  
1.4    Bij e-mail van donderdag 29 september 2022 heeft verzoeker de griffie van de raad bericht dat hem door zijn drukke agenda de zittingsdatum was ontgaan en dat hij ten val was gekomen en hierdoor een verstuikte enkel had opgelopen. Vanwege deze omstandigheden verzocht verzoeker de zitting uit te stellen. 
1.5    Bij e-mail van vrijdag 30 september 2022 (14:18 uur) heeft de plaatsvervangend griffier van de raad verzoeker namens de voorzitter laten weten dat zijn verzoek om aanhouding wordt afgewezen. De drukke agenda vormde geen aanleiding om de zitting uit te stellen. Vanwege de verstuikte enkel is verzoeker de mogelijkheid geboden om aan de zitting deel te nemen via een videoverbinding, daarover zou hij maandagochtend (3 oktober 2022) meer informatie ontvangen. 
1.6    Bij e-mail van vrijdag 30 september 2022 (16:31 uur) heeft verzoeker geantwoord dat hij gebruik wenste te maken van de mogelijkheid om per videoverbinding deel te nemen aan de zitting. 
1.7    Bij e-mail van zondag 2 oktober 2022 (19:44 uur) heeft de plaatsvervangend griffier verzoeker, voor zover relevant, namens de voorzitter het volgende bericht gestuurd: “(…) Gelet op het gemotiveerde bezwaar van verweerder heeft de raad beslist dat deelname aan de zitting van morgen 3 oktober 13.50 uur via videoverbinding niet mogelijk is. Het is aan u om voor vervoer naar de zitting zorg te dragen. De raad gaat ervan uit dat u met de (door u aangemelde) heren D(…) en/of R(…) mee kunt rijden, zodat er geen beletsel meer is tegen uw fysieke aanwezigheid. (…)”
1.8    Verzoeker heeft bij e-mail van zondag 2 oktober 2202 (21:04 uur), voor zover relevant, als volgt gereageerd: “(…) Ik vind het onaanvaardbaar omdat ik uw aanbod heb bevestigd!! (…) Ik vind het ook bijzonder kwalijk dat; ‘’het gemotiveerde bezwaar van verweerder heeft de raad beslist dat deelname aan de zitting van morgen 3 oktober 13.50 uur via videoverbinding niet mogelijk is.’’ Door u niet aan mij kenbaar wordt gemaakt! Ik verzoek u dringend (…) om het gemotiveerde bezwaar van verweerder (…) omgaand aan mij ter beschikking te stellen! (…)”
1.9    Bij e-mail van 3 oktober 2022 heeft verzoeker de wraking verzocht van de leden van de raad die de verzetzaak op 3 oktober 2022 zouden behandelen, te weten mr. H.C.A. de Groot (hierna: tuchtrechter A), mr. M.F. Laning (hierna: tuchtrechter B) en mr. L.P.M. Eenens (hierna: tuchtrechter C), tezamen ook te noemen: de tuchtrechters.     
1.10    De tuchtrechters hebben niet berust in de wraking. 
1.11    Op 19 oktober en op 20 oktober hebben de tuchtrechters ieder voor zich verweer gevoerd tegen het wrakingsverzoek.
1.12    Bij e-mails van 21 en 24 oktober 2022 heeft verzoeker nog nadere reacties gestuurd.   
1.13    De wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing kennisgenomen van de hiervoor genoemde stukken.  

2    BEOORDELING
Toetsingskader
2.1    Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een lid van de raad mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 
2.2    Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.

Beoordeling wrakingsverzoek
2.3    Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek 11 gronden ten grondslag gelegd. De wrakingskamer zal de wrakingsgronden hierna bespreken. Daarbij zal de wrakingskamer steeds aangeven tegen welke tuchtrechter(s) de wrakingskamer begrijpt dat deze gericht zijn. Eerst zal de wrakingskamer echter ingaan op de ontvankelijkheid van de medebenadeelden en het verschoningsverzoek aan tuchtrechter A. 
Ontvankelijkheid medebenadeelden 
2.4    De wrakingskamer leidt uit verzoekers e-mail van 3 oktober 2022 af dat hij zijn wrakingsverzoek mede namens de heren R en D en medebenadeelden heeft gedaan. Bij e-mail van 21 oktober 2022 heeft verzoeker een machtiging overgelegd waarbij hij de heer R machtigt namens hem het woord te voeren ter zitting en namens hem de rechtbank/tuchtrechters te wraken. Bij e-mail van 24 oktober 2022 heeft verzoeker een machtiging overgelegd waarbij de heer R verzoeker machtigt namens hem de rechtbank/tuchtrechters te wraken. Aangezien het de wrakingskamer niet is gebleken dat de heren R of D of anderen, door verzoeker aangeduid als medebenadeelden, partij zijn bij de onderliggende klachtprocedure, zullen zij kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard in dit wrakingsverzoek.
Verschoningsverzoek tuchtrechter A
2.5    Verzoeker is van mening dat tuchtrechter A zich dient te verschonen. De reden die klager hiervoor geeft luidt dat tuchtrechter A verbonden is aan de rechtbank Rotterdam, de onderliggende klachtzaak drugsgerelateerd is en hoofdofficier van justitie mr. W geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) zou hebben vanwege betrokkenheid bij drugshandel in het verleden en nu hoofdcommissaris van de politie in Rotterdam is. 
2.6    Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft tuchtrechter A terecht gesteld dat een rechter zich enkel verschoont als om feiten en omstandigheden van persoonlijke aard de rechterlijke partijdigheid in het geding is. Nog daargelaten dat verzoeker zijn stellingen niet met enige bewijsstukken heeft onderbouwd, geldt dat ook als hetgeen verzoeker stelt waar zou zijn, dit geen invloed heeft op het functioneren van tuchtrechter A als tuchtrechter. Er is dan ook niet gebleken van een reden dat tuchtrechter A zich zou dienen te verschonen. 
Wrakingsgrond 10
2.7    Wrakingsgrond 10 heeft, zo begrijpt de wrakingskamer, uitsluitend betrekking op het handelen van tuchtrechter A. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit zijn e-mailwisseling met de plaatsvervangend griffier op 2 oktober 2022 - verwezen wordt naar de weergave van de feiten bij randnummers 1.7 en 1.8 - volgt dat tuchtrechter A vooringenomen is jegens verweerder. Het is volgens verzoeker ongekend dat verweerder - nota bene in het weekend - zo op zijn wenken wordt bediend dat een eerdere beslissing van de raad (te weten de beslissing dat klager via videoverbinding aan de zitting mocht deelnemen) te niet wordt gedaan zonder overleg met verzoeker en zonder toe te lichten hoe het gemotiveerde bezwaar van verweerder luidde. Hierdoor is verzoeker inhoudelijke tegenspraak en hoor en wederhoor vooraf aan die beslissing onmogelijk gemaakt.
2.8    Tuchtrechter A heeft als volgt gereageerd. Op donderdag 29 september 2022 om 15:32 uur zond verzoeker een e-mail aan de griffie waarin hij aanhouding vroeg van de zitting van 3 oktober 2022 omdat hij - kort gezegd - de zittingsdatum was vergeten en zijn enkel had verstuikt. Op vrijdag 30 september 2022 om 14:18 uur is het aanhoudingsverzoek afgewezen en verzoeker voorgesteld via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Op vrijdag 30 september 2022 om 17:22 uur heeft verweerder laten weten dat hij bezwaar heeft tegen een hybride zitting omdat het zijn ervaring met verzoeker (alsook met de heren R en D die de behandeling van de klachtprocedure zouden bijwonen) is, dat er opnames worden gemaakt en het risico bestond dat deze opnames vervolgens met eigen commentaar op internet zouden worden gezet. Naar aanleiding van deze informatie - die tuchtrechter A eerst in het weekend bereikte -, is besloten verzoeker niet toe te staan de mondelinge behandeling per videoverbinding bij te wonen. Deze beslissing is namens de voorzitter op zondag 2 oktober 2022 om 19:44 uur per e-mail aan verzoeker gecommuniceerd. Bij deze e-mail is ten onrechte niet een kopie van de e-mail van verweerder gevoegd. Dat had wel gemoeten. Daarvoor zijn op maandagochtend 3 oktober 2022 verontschuldigingen gemaakt en is een kopie van de e-mail van verweerder alsnog aan verzoeker toegezonden. Dat in het weekend de beslissing om klager via videoverbinding te laten bijwonen is teruggedraaid, heeft te maken met het late moment (de een na laatste werkdag voor de zitting) waarop verzoeker een verzoek om aanhouding had gedaan, waardoor eerst op de laatste werkdag voor de zitting een beslissing hierop kon worden genomen en het bezwaar van verweerder tegen de videoverbinding eerst aan het eind van de laatste werkdag voor de zitting is ontvangen. Teneinde verzoeker niet op de dag van de zitting te confronteren met het feit dat de door verweerder verstrekte informatie voor de raad aanleiding was de beslissing inzake de videoverbinding te herzien, is verzoeker hierover in het weekend bericht. Met het op wenken bedienen van verweerder en vooringenomenheid jegens verweerder heeft dit niets te maken, aldus tuchtrechter A. 
2.9    De wrakingskamer is van oordeel dat op grond van de door tuchtrechter A gegeven feitelijke weergave, genoegzaam is komen vast te staan dat het terugdraaien van de beslissing om verzoeker via videoverbinding aan de zitting te laten deelnemen niet was ingegeven door vooringenomenheid jegens verweerder, maar voortkwam uit de door verweerder naar voren gebrachte vrees dat verzoeker de videobeelden op internet zou zetten. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de tuchtrechter hieromtrent een beslissing van processuele aard betreft die aan haar is voorbehouden. Het feit dat verzoeker niet direct in de e-mail van zondag 2 oktober 2022 op de hoogte is gebracht van de inhoud van verweerders bezwaar tegen een hybride zitting (maar dit bezwaar pas op maandagochtend 3 oktober 2022 aan verzoeker kenbaar is gemaakt) is weliswaar ongelukkig te noemen, maar wijst niet op rechtelijke partijdigheid van tuchtrechter A jegens verzoeker. Deze wrakingsgrond is dan ook kennelijk ongegrond.


Wrakingsgronden 1, 3, 6 en 9
2.10    De wrakingskamer kan in deze wrakingsgronden geen gronden ontwaren die zich richten tegen één of meer van de gewraakte tuchtrechters. De gronden behoeven dan ook  verder geen bespreking en zijn reeds om deze reden kennelijk niet-ontvankelijk. 
Wrakingsgrond 2
2.11    Deze wrakingsgrond richt zich, naar de wrakingskamer begrijpt, tegen tuchtrechters B en C. De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker van mening is dat er geen normale voorzitters en tuchtrechters beschikbaar zijn en er daarom alleen nog maar een beroep wordt gedaan op plaatsvervangers uit de advocatuur. Dit acht verzoeker in strijd met goed toezicht op de advocatuur, omdat hij meent dat advocaten hun collega-advocaten niet zullen afvallen.
2.12    De wrakingskamer overweegt dat de samenstelling van de raad wordt bepaald door de Advocatenwet. De tuchtrechters B en C zijn geen plaatsvervangers uit de advocatuur maar door het College van Afgevaardigden gekozen advocaat-leden. Deze wrakingsgrond bevat geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechters B en C schade zou kunnen lijden. Wrakingsgrond 2 is kennelijk ongegrond.
Wrakingsgrond 4 
2.13    Deze wrakingsgrond richt zich tegen tuchtrechter B. Verzoeker is van mening dat tuchtrechter B niet onafhankelijk en onpartijdig kan zijn, omdat zij advocaat is in Voorschoten en bovendien onderdeel uitmaakte van de zittingscombinatie van de raad die bij beslissing van 20 december 2021 (kenmerk 21-115DH/DH) eerder beslist heeft op het verzet van (onder meer) verzoeker tegen de voorzittersbeslissing van 5 mei 2021 waarbij de klacht van verzoeker over verweerder kennelijk ongegrond is verklaard.
2.14    De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat tuchtrechter B betrokken is geweest bij de beslissing van 20 december 2021 en dat deze beslissing niet het voor verzoeker gewenste resultaat heeft opgeleverd, niet de conclusie rechtvaardigt dat tuchtrechter B partijdig en of vooringenomen zou zijn jegens verzoeker. Deze wrakingsgrond is dan ook kennelijk ongegrond.
Wrakingsgrond 5
2.15    Deze wrakingsgrond richt zich tegen tuchtrechter B. Klager voert aan dat tuchtrechter B op haar website artikel 1 van de grondwet heeft vermeld, terwijl zij zich volgens klager schuldig maakt aan juridische discriminatie van de klokkenluiders ten opzichte van collega-advocaat. 
2.16    De wrakingskamer overweegt dat klager op geen enkele wijze duidelijk heeft gemaakt wat hij met juridische discriminatie bedoelt. Ook heeft verzoeker niet onderbouwd of nader toegelicht waarom een dergelijke vermelding van artikel 1 van de grondwet op haar website maakt dat er een gerechtvaardigde twijfel zou bestaan aan haar onpartijdigheid ten aanzien van de behandeling van het door verzoeker ingediende verzet. Deze wrakingsgrond is eveneens kennelijk ongegrond.
Wrakingrond 7
2.17    Deze wrakingsgrond richt zich tegen tuchtrechter C. Aangezien tuchtrechter C niet alleen als tuchtrechter optreedt, maar ook als advocaat en in die hoedanigheid (van advocaat) vooral advocaten, notarissen, deurwaarders en makelaars bijstaat, staat hij volgens verzoeker duidelijk niet aan de kant van de door hen gedupeerden. Tuchtrechter C zou volgens klager als tuchtrechter de voorkeur hebben om zijn collega-advocaten in bescherming te nemen om die niet later als klant te verliezen. Hij is dus als tuchtrechter niet onafhankelijk en niet onpartijdig vanwege conflicterende belangen, aldus verzoeker.
2.18    De wrakingskamer overweegt het volgende. Tuchtrechter C voert terecht aan dat het feit dat hij zich in zijn praktijk als advocaat mede richt op het tuchtrecht voor advocaten, notarissen, deurwaarders en makelaars, niet betekent dat hij niet aan de kant staat van de door hen gedupeerden. Bovendien heeft tuchtrechter C toegelicht dat hij in de tuchtrechtkwesties die hij als advocaat behandelt, zowel klagers als beklaagden bijstaat. Het vermoeden van verzoeker dat tuchtrechter C als tuchtrechter de voorkeur zou hebben om zijn collega-advocaten in bescherming te nemen om die niet als klant te verliezen en dus niet onafhankelijk en onpartijdig zou zijn vanwege conflicterende belangen, heeft verzoeker niet onderbouwd. Deze wrakingsgrond biedt de wrakingskamer dan ook geen enkele grond voor gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van tuchtrechter C ten aanzien van de behandeling van het door verzoeker ingediende verzet. Deze wrakingsgrond is derhalve kennelijk ongegrond.
Wrakingsgrond 8
2.19    Deze wrakingsgrond richt zich tegen tuchtrechter C. Volgens verzoeker heeft tuchtrechter C vanwege zijn nevenfuncties niet alleen als advocaat maar ook bij de NOvA te veel verschillende petten en leidt dit tot te grote risico’s van belangenverstrengeling, fraude en netwerkcorruptie. 
2.20    De wrakingskamer overweegt dat verzoeker niet heeft onderbouwd waarom deze nevenfuncties, die zich bovendien hebben afgespeeld voordat tuchtrechter C is benoemd als tuchtrechter, het risico van belangenverstrengeling, fraude en netwerkcorruptie meebrengen. De grote woorden die hier worden gebruikt moet verzoeker kunnen waarmaken en daarvan blijkt niets. Tegen dit soort uit de lucht gegrepen stellingen hoeft tuchtrechter C zich niet te verweren en dat standpunt behoeft geen nadere motivering. Wrakingsgrond 8 is derhalve kennelijk ongegrond.
Wrakingsgrond 11
2.21    Wrakingsgrond 11 richt zich, naar de wrakingskamer begrijpt, tegen alle tuchtrechters. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat geen van de tuchtrechters, die tevens advocaat, curator, rechter-commissaris, officier van justitie of hogere rechter zijn of zijn geweest, in het bezit is van een garantieverklaring, certificaat, getuigschrift of VOG waaruit adequaat blijkt dat die functionaris, na adequaat onderzoek door een extern deskundige namens de overheid, in aanmerking komt voor een garantie namens onze overheid en dat die persoon zich altijd en overal stipt aan alle relevante administratieve papieren wet- en regelgeving heeft gehouden en zal houden. Zonder een dergelijke verklaring is die persoon volgens verzoeker onbetrouwbaar op basis van het verleden en niet te vertrouwen voor de toekomst omdat die niet/nooit onderhevig zijn geweest, noch zijn, aan extern adequaat toezicht, externe adequate handhaving en de vereiste complete inhoudelijke publieke tegenspraak/hoor en wederhoor, noch dat zij verantwoording hebben afgelegd voor hun doen en laten sinds hun beëdiging/aanstelling.
2.22    De wrakingskamer overweegt dat de Advocatenwet geen garantieverklaring, certificaat, getuigschrift of VOG vereist om te kunnen optreden als tuchtrechter. Verder heeft te gelden dat verzoeker zijn stelling dat een persoon zonder een dergelijke verklaring onbetrouwbaar is voor het verleden en niet te vertrouwen is voor de toekomst op geen enkele wijze heeft gespecificeerd of geconcretiseerd, zodat de tuchtrechters terecht hebben gesteld dat zij zich tegen dergelijke verwijten niet kunnen verweren. Deze wrakingsgrond bevat ook overigens geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechters schade zou kunnen lijden. Wrakingsgrond 11 is derhalve kennelijk ongegrond.
2.23    Het wrakingsverzoek bevat ook verder geen feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van de (schijn van) partijdigheid van de tuchtrechters jegens verzoeker.
2.24    De wrakingskamer is van oordeel dat de indiening van het wrakingsverzoek moet worden beschouwd als misbruik van het recht op wraking. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 47 lid 2 Advocatenwet en artikel 515 lid 4 Wetboek van Strafvordering bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker met betrekking tot de klachtzaak 22-182/DH/DH niet meer in behandeling wordt genomen.
2.25    De wrakingskamer verklaart het verzoek, voor zover verzoeker dit bedoeld heeft in te dienen namens de heer R, de heer D en medebenadeelden, kennelijk niet-ontvankelijk. Verder verklaart de wrakingskamer het verzoek van verzoeker kennelijk ongegrond voor wat betreft de wrakingsgronden 2 (tegen tuchtrechters B en C), 4 (tegen tuchtrechter B), 5 (tegen tuchtrechter B), 7 (tegen tuchtrechter C), 8 (tegen tuchtrechter C), 10 (tegen tuchtrechter A) en 11 (tegen tuchtrechters A, B, en C) en kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft de wrakingsgronden 1, 3, 6 en 9. 
2.26    De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.


         BESLISSING
       De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek, voor zover verzoeker dit bedoeld heeft in te dienen namens de heer R, D en medebenadeelden, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de wrakingsgronden 2, 4, 5, 7, 8, 10 en 11 kennelijk ongegrond;
- verklaart de wrakingsgronden 1, 3, 6 en 9 kennelijk niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak 22-182/DH/DH zal worden hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend; 
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker met betrekking tot de klachtzaak 22-182/DH/DH niet in behandeling zal worden genomen.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. D. Horeman en K.C. van Hoogmoed, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2022. 

        
        Griffier    Voorzitter 
        

        verzonden op: 31 oktober 2022.