ECLI:NL:TACAKN:2026:75 Accountantskamer Zwolle 25/3206 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:75
Datum uitspraak: 09-10-2026
Datum publicatie: 09-10-2026
Zaaknummer(s): 25/3206 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft een aantal vennootschappen verkocht aan een andere vennootschap, waarbij een deel van de koopsom schuldig werd gebleven. Na een aantal jaren bleek de koper niet aan haar betalingsverplichtingen jegens klaagster te kunnen voldoen. Betrokkene was de samenstellend accountant van de koper. De klacht gaat onder meer over rekening-courant opnames en over door betrokkene opgestelde jaarrekeningen voor de koper. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

UITSPRAAK van 9 oktober 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 17 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/3206 Wtra AK van

X B.V.

gevestigd te [plaats1] ([land1])

K L A A G S T E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. V.A. Zandvliet te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift van 27 november 2025 met bijlagen
  • de e-mail van klaagster van 21 december 2025 met bijlage 10
  • het verweerschrift van 15 mei 2026 met bijlagen
  • de e-mails van klaagster van 9 augustus 2026 met vijf bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

Klaagster heeft tegelijk met de pleitnota twee bijlagen (bijlagen 4 en 5) overgelegd. Voor zover die bijlagen niet al eerder waren overgelegd, laat de Accountantskamer die bijlagen buiten beschouwing omdat klaagster er te laat mee is.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 24 augustus 2026. Namens klaagster is de heer [A] verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaten. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Betrokkene was de accountant van [BV1] en haar (klein)dochtermaatschappijen. Klaagster heeft in 2018 een aantal vennootschappen verkocht aan [BV1] (verder te noemen: [BV1]), waarbij [BV1] een deel van de koopsom schuldig bleef. In 2022 bleek dat [BV1] niet aan haar betalingsverplichtingen jegens klaagster kon voldoen. Klaagster verwijt betrokkene onder meer dat hij bij het samenstellen en bespreken van de jaarrekeningen over 2022 en 2023 van [BV1] onvoldoende aandacht heeft gehad voor de toegenomen schuld in rekening-courant van de bestuurder en dat hij een te positief beeld heeft geschetst van de financiële positie van [BV1].

De beslissing van de Accountantskamer

2.2.        De klacht is ongegrond.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2019 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1].

3.2.        Eind juni 2018 heeft klaagster een aantal bedrijven verkocht aan [BV1] voor € 2,5 miljoen. Dit betrof [BV2], [BV3] [B4] en [BV5]. [BV1] heeft de aankoop voor de helft gefinancierd door middel van een bancaire lening. De resterende helft zou na vier jaar worden betaald.

3.3.        Op 3 februari 2022 is [BV4] door de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel veroordeeld tot betaling van € 293.347,16 aan het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's (FEDRIS).

3.4.        In 2022 bleek [BV1] niet aan haar betalingsverplichtingen jegens klaagster te kunnen voldoen. Klaagster en [BV1] hebben onderhandeld over een betalingsregeling. [BV1] werd in de onderhandelingen bijgestaan door [B] RA, destijds werkzaam bij [accountantskantoor1].

3.5.        Op 9 november 2022 kwam een vaststellingsovereenkomst tot stand.

In deze vaststellingsovereenkomst werd onder andere het volgende overeengekomen:

‘1.2        [BV1] heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding van een aan [X B.V.] toe te rekenen  aandeel in de zaak Fedris welk bedrag door haar is berekend

op € 89.458.

1.3         Dit bedrag van € 89.458 wordt door [X B.V.] schuldig erkend en wordt voor

€ 34.649,— verrekend met de rente over de periode 1 januari 2022 tlm 31 maart 2023 en

voor het overige ad € 54.809 in mindering gebracht op de hoofdsom van € 750.000,—,

waardoor het door [BV1] schuldig erkende bedrag € 695.191 zal gaan bedragen.

1.4         Met de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst stellen partijen aldus vast dat

alle hiervoor genoemde en niet genoemde vorderingen thans bekende en onbekende

vorderingen over en weer tegen elkaar moeten worden weggestreept. Zij stellen geen

prijs op een nadere omschrijving van deze vorderingen. Ook de zaak Fedris valt dus

onder deze overeenkomst en verrekening. [BV1] zal [X B.V.] en

haar bestuurder [[A] vrijwaren tegen bestuurdersaansprakelijkheid indien Fedris

daar toe zou besluiten, of indien sprake is van vorderingen terzake door of namens

Fedris.

(…)

5.1          [BV1] zal, zo lang sprake is van enige geldvordering van [X B.V.] uit hoofde van deze overeenkomst, geen nieuwe overeenkomsten van geldlening (in de ruimste zin) aangaan zonder voorafgaand overleg met SB.’

3.6.        Betrokkene was vanaf medio 2023 de accountant van [BV1] en haar (klein)dochtermaatschappijen. Hij heeft de jaarrekeningen over 2022 en 2023 van [BV1] samengesteld.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klaagster heeft ter zitting twee klachtonderdelen ingetrokken. Klaagster verwijt betrokkene nog het volgende, waarbij de Accountantskamer de nummering hanteert zoals vermeld in het klaagschrift:

1. het ontbreken van interne vastlegging van afspraken, contracten en overdracht cliënt binnen [accountantskantoor1];

3.a het niet ondernemen van actie bij een rekening courant-opname in 2022;

3.b te late afronding van de jaarrekening over 2022, begin 2024;

4. het niet vermelden van een schuld in de jaarrekeningen over 2022 en 2023.

4.3.        Ter zitting heeft klaagster haar klacht uitgebreid. De Accountantskamer betrekt deze uitbreiding van de klacht niet bij haar beoordeling. Een uitbreiding van de klacht ter zitting is namelijk in beginsel te laat en in strijd met de goede procesorde. Betrokkene was er niet op voorbereid en heeft zijn verweer er niet op kunnen afstemmen. Er bestaat geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken. De Accountantskamer behandelt daarom de klachtonderdelen zoals die in het klaagschrift naar voren zijn gebracht en ter zitting niet zijn ingetrokken.

5.             De beoordeling

5.1.        De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1.1.    De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.1.2.    Klaagster stelt dat haar in augustus 2025 is gebleken dat de bestuurder van [BV1], de heer [C], in 2022 ruim € 630.000 had opgenomen in rekening-courant. Volgens klaagster was de heer [B] hiervan op de hoogte en heeft hij deze informatie tijdens de onderhandelingen met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst achtergehouden voor klaagster. Verder stelt klaagster dat, doordat de rekening-courantopnames verder zijn opgelopen en daartegen geen maatregelen zijn getroffen, het voortbestaan van [BV1] zeer onzeker is geworden. Ook is volgens klaagster een rooskleuriger financieel beeld van [BV1] geschetst, doordat in de jaarrekeningen van [BV1] over 2022 en 2023 de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst niet correct zijn opgenomen en een schuld aan FEDRIS in het geheel niet in de jaarrekeningen is vermeld.

Klachtonderdeel 1: het ontbreken van interne vastlegging van afspraken, contracten en overdracht cliënt binnen [accountantskantoor1];

5.1.3.    Klaagster heeft ter zitting toegelicht dat zij ervan uitgaat dat betrokkene het accountantsdossier inzake [BV1] van [B] heeft overgenomen, maar dat zij betwijfelt of betrokkene ervan op de hoogte was dat [BV1] op grond van de vaststellingsovereenkomst geen nieuwe leningen mocht aangaan.

5.1.4.    Betrokkene heeft aangevoerd dat hij toegang heeft tot het volledige dossier van [BV1], inclusief dat van zijn voorgangers. Binnen het kantoor van betrokkene was de vaststellingsovereenkomst bekend.

5.1.5.    De Accountantskamer overweegt dat ook klaagster tot uitgangspunt neemt dat het accountantsdossier inzake [BV1] door betrokkene van [B] is overgenomen. Het is zeer aannemelijk  dat betrokkene als opvolger van [B] en werkzaam bij hetzelfde accountantskantoor volledig inzage heeft in en toegang heeft tot het dossier van [BV1]. Klaagster heeft niet onderbouwd op welke punten de vastlegging van afspraken of contracten in het dossier zou tekortschieten. De bekendheid met de (precieze inhoud van de) vaststellingsovereenkomst blijkt (in elk geval) uit de brief van [accountantskantoor1] aan klaagster van 12 november 2025. Daarmee is dit klachtonderdeel naar het oordeel van de Accountantskamer ongegrond.  

Klachtonderdeel 3a: het niet ondernemen van actie bij een rekening courant-opname;

5.1.6.    Klaagster heeft erop gewezen dat de bestuurder van [BV1] in 2022 ongeveer

€ 630.000 aan rekening-courant opnamen heeft gedaan. Volgens klaagster had betrokkene daar vragen over moeten stellen aan de bestuurder en actie moeten ondernemen, om te voorkomen dat de financiële positie van de vennootschap verder zou verslechteren.

5.1.7.    Betrokkene heeft verklaard dat hij de stand van de rekening-courant ultimo 2022 met de bestuurder van [BV1] heeft besproken. De bestuurder heeft betrokkene meegedeeld dat hij de rekening-courantverhouding terug wilde brengen. Daarvoor wilde hij zijn woning verkopen en een deel van de overwaarde gebruiken om de schuld (gedeeltelijk) af te lossen. Betrokkene heeft de bestuurder ook gewezen op de fiscale risico’s die verbonden zijn aan hoge opnames in rekening-courant, gelet op de Wet excessief lenen.

Bij het samenstellen van de jaarrekening over 2023 heeft betrokkene geconstateerd dat de rekening-courantverhouding niet was teruggebracht, maar was opgelopen tot ongeveer

€ 735.000. Betrokkene heeft toen opnieuw met de bestuurder van [BV1] gesproken over de rekening-courantverhouding, de ongebruikelijkheid daarvan en de daaraan verbonden risico’s. Betrokkene heeft verklaard dat dit voor zijn kantoor reden was om de klantrelatie te beëindigen.

5.1.8.    De Accountantskamer overweegt dat betrokkene het klachtonderdeel gemotiveerd heeft weersproken. Betrokkene heeft gedetailleerd uiteengezet welke acties hij heeft ondernomen ten aanzien van de rekening-courantverhouding tussen de bestuurder en [BV1]. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat het kantoor van betrokkene de klantrelatie met [BV1] heeft beëindigd. Dat betrokkene geen of onvoldoende actie heeft ondernomen, zoals klaagster stelt, is dan ook niet aannemelijk geworden. Betrokkene heeft gedaan wat van hem onder meer op grond van Standaard 4410.32 mocht worden verlangd. Klachtonderdeel 3a is ongegrond.

Klachtonderdeel 3b: te late afronding van de jaarrekening over 2022, begin 2024;

5.1.9.    Klaagster verwijt betrokkene dat de jaarrekening van [BV1] over het jaar 2022 pas begin 2024 is afgerond.

5.1.10.  Betrokkene heeft toegelicht dat hij voor het opstellen van de jaarrekening van [BV1] over het jaar 2022 informatie heeft opgevraagd bij de bestuurder van [BV1]. Deze informatie kwam versnipperd binnen. De samenstellingsverklaring is pas begin 2024 afgegeven omdat hij eerder nog niet beschikte over alle benodigde informatie. Klaagster heeft deze verklaring van betrokkene niet tegengesproken en heeft naar het oordeel van de Accountantskamer niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene de jaarrekening eerder had kunnen afronden. Klachtonderdeel 3b is ongegrond.

Klachtonderdeel 4: het niet vermelden van een schuld in de jaarrekening over 2022 en 2023;

5.1.11.  Volgens klaagster had een schuld aan FEDRIS in de jaarrekeningen over het jaar 2022 en 2023 moeten staan. De Accountantskamer begrijpt dat klaagster de jaarrekeningen van [BV1] bedoelt. Klaagster verwijst in haar klaagschrift op dit onderdeel immers naar haar bijlagen 2 en 4 en dat zijn twee jaarrekeningen van [BV1]. Betrokkene heeft de klacht op dit onderdeel ook zo begrepen.

5.1.12.  Betrokkene heeft aangevoerd dat het gaat om een schuld van [BV4] aan FEDRIS, nu deze vennootschap blijkens het overgelegde vonnis is veroordeeld tot betaling aan FEDRIS van
€ 293.347,16. De schuld en de daarmee samenhangende last zijn daarom in de jaarrekening(en) van [BV4] verwerkt. [BV1] was geen partij in het geschil met FEDRIS, is niet tot betaling veroordeeld en zij heeft zich ook niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van [BV4] als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 sub f. BW. Betrokkene heeft ook gesteld dat er geen verplichting tot het opmaken van (een) geconsolideerde jaarrekening(en) bestond. Om deze redenen is volgens betrokkene de schuld aan FEDRIS niet expliciet in de jaarrekening(en) van [BV1] opgenomen, maar maakt deze deel uit van de waardering van de deelneming in [BV4], die vanwege de toegepaste waarderingsgrondslagen en de afwezigheid van aansprakelijkheid van [BV1] jegens de schulden van [BV4] niet lager wordt gewaardeerd dan nihil.

5.1.13.  De Accountantskamer is van oordeel dat dit onweersproken gebleven verweer van betrokkene doel treft. De vraag van klaagster ter zitting om welke reden, uitgaande van het verweer van betrokkene, de schuld aan FEDRIS (toch) is genoemd in de vaststellingsovereenkomst tussen klaagsters en [BV1] van 9 november 2022, waarbij betrokkene geen bemoeienis heeft gehad, is een vraag die de Accountantskamer noch betrokkene hoeft te beantwoorden. Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.1.14.  De klacht zal ongegrond worden verklaard.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.


Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijer en mr. J.E. Brink-Van der Meer (rechterlijke leden) en D. van der Bij RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.

U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.

Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.