ECLI:NL:TACAKN:2026:72 Accountantskamer Zwolle 25/2702 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:72 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 24-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/2702 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht het handelen van betrokkene als executeur bij de afwikkeling van een nalatenschap. Betrokkene verleende ook dienstverlening als accountant aan de schoonmoeder, aan een vennootschap van de schoonzus van klaagster en aan een familiebedrijf opgericht door (wijlen) de schoonvader van klaagster. Klaagster meent dat betrokkene zich had moeten realiseren dat de verschillende rollen die hij vervulde ten opzichte van de familie een bedreiging vormden voor zijn objectiviteit. Ook verwijt klaagster betrokkene dat hij de door (wijlen) haar echtgenoot opgevraagde informatie niet heeft verstrekt. De klacht is geheel ongegrond. Betrokkene trad op als beheerder van de nalatenschap, waarvan (wijlen) de echtgenoot van klaagster was uitgesloten. Hij vertegenwoordigt de erfgenamen bij het afwikkelen van de erfenis. Als legitimaris is (wijlen) de echtgenoot daarentegen schuldeiser van de nalatenschap. Van een bedreiging van de objectiviteit waartegen betrokkene maatregelen had moeten nemen is onvoldoende gebleken. Betrokkene heeft zich laten bijstaan door een gespecialiseerde erfrechtjurist. Dat betrokkene een bepaald standpunt jegens klaagster heeft ingenomen is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, ook niet als (later) zou blijken dat het standpunt niet juist is |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 24 augustus 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 16 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2702 Wtra AK van
X1
wonende te [plaats1]
K L A A G S T E R
gemachtigde: mr. drs. [A] te [plaats2]
t e g e n
Y1
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats3]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. C.J. Soekra te Rotterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen
- het e-mailbericht van betrokkene van 10 april 2026 met drie bijlagen
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 24 april 2026. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klaagster klaagt over het handelen van betrokkene als executeur bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar schoonmoeder. Betrokkene verleende ook dienstverlening als accountant aan de schoonmoeder, aan een vennootschap van de schoonzus van klaagster en aan een familiebedrijf opgericht door (wijlen) de schoonvader van klaagster. Klaagster meent dat betrokkene zich had moeten realiseren dat de verschillende rollen die hij vervulde ten opzichte van de familie een bedreiging vormden voor zijn objectiviteit. Ook verwijt klaagster betrokkene dat hij de door (wijlen) haar echtgenoot opgevraagde informatie niet heeft verstrekt.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De klacht is geheel ongegrond. Er is een verschil in opvatting ontstaan tussen klaagster en betrokkene over het recht op informatie van de legitimaris jegens de executeur. In dat verband heeft betrokkene de bijstand ingeroepen van een gespecialiseerde erfrechtjurist. Dat betrokkene een bepaald standpunt jegens klaagster heeft ingenomen is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, ook niet als (later) zou blijken dat het standpunt niet juist is. Betrokkene trad op als beheerder van de nalatenschap, waarvan (wijlen) de echtgenoot van klaagster was uitgesloten. Hij vertegenwoordigt de erfgenamen bij het afwikkelen van de erfenis. Als legitimaris is (wijlen) de echtgenoot daarentegen schuldeiser van de nalatenschap. Van een bedreiging van de objectiviteit waartegen betrokkene maatregelen had moeten nemen is onvoldoende gebleken.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats3].
3.2. [B], de moeder van (wijlen) de echtgenoot van klaagster (hierna: de moeder) is overleden op 18 februari 2024. Zij heeft in haar testament betrokkene benoemd als executeur. Betrokkene heeft die benoeming aanvaard. [C] (hierna: de vader), de echtgenoot van de moeder, is in 1988 overleden. De vader was oprichter en aandeelhouder van [BV1].
3.3. In het testament heeft de moeder haar drie dochters (hierna: de dochters) benoemd tot enige erfgenamen. De moeder heeft aan (wijlen) de echtgenoot van klaagster, [D] (hierna: de zoon), een geldbedrag gelegateerd dat overeenkomt met de helft van de waarde van het erfdeel dat hij zou hebben gekregen als hij erfgenaam was geweest (hierna: het legaat).
3.4. Bij e-mailbericht van 29 november 2024 aan betrokkene heeft de zoon het legaat aanvaard. In hetzelfde bericht heeft hij vraagtekens gezet bij de omvang van de boedel en het legaat, zoals door betrokkene meegedeeld.
3.5. Naar aanleiding van de mededeling van betrokkene op 13 januari 2025 dat hij zal overgaan tot de uitkering van het legaat, heeft de zoon in een e-mailbericht van 14 januari 2025 uiteengezet dat hij nadere informatie wenst over de aandelen en grond van [BV2] (bedoeld is: [BV2]) en over de opbrengst van de verkoop van vastgoed, auto, antiek en juwelen. Ook heeft de zoon onder meer gewezen op de juridische gevolgen van het testament van vader (langstlevende-clausule).
3.6. Betrokkene heeft naar aanleiding van ‘nieuwe informatie’ het saldo van de nalatenschap opnieuw berekend en deze berekening per e-mail van 19 februari 2025 met de zoon gedeeld. Door het opnemen van de vorderingen van de erfgenamen van de vader op het vermogen van de moeder, wordt de nalatenschap en het legaat lager vastgesteld. Op 21 maart 2025 is betrokkene overgegaan tot uitkering aan de zoon.
3.7. De zoon heeft per e-mailbericht van 27 maart 2025 zijn bezwaren tegen de opstelling van de verdeling van de nalatenschap kenbaar gemaakt. Betrokkene heeft volgens de zoon geen rekening gehouden met de vervreemding van de aandelen in [BV1] en het bezit van enkele juwelen en verwijst naar wetsbepalingen die betrekking hebben op de legitieme portie. Betrokkene heeft uit dit bericht begrepen dat de zoon een beroep doet op zijn legitieme portie. Hij schrijft in zijn bericht van 28 maart 2025: ‘Ik begrijp uit uw bericht dat u aanspraak maakt op uw legitieme portie, dat heeft u naar mijn mening in uw eerdere berichten richting mij nog niet kenbaar gemaakt. Ik zal voor u nagaan wat de omvang is van de legitieme portie en zal u te zijner tijd daarover informeren’. In een daaropvolgend bericht van 9 mei 2025 laat betrokkene weten dat het beroep op de legitieme portie meebrengt dat de zoon naast het reeds uitgekeerde bedrag recht heeft op een bedrag van € 105.450. Daarbij heeft betrokkene rekening gehouden met de schenking van de aandelen in [BV1] ter waarde van totaal € 1.080.000, aan een van de dochters.
3.8. In zijn e-mailbericht van 15 mei 2025 laat de zoon betrokkene weten dat hij de omvang van de legitieme portie zelf wil kunnen vaststellen aan de hand van de onderliggende bescheiden. Hij verzoekt betrokkene de notariële akten van overdracht van de aandelen in [BV1] en informatie inzake enkele juwelen/kostbaarheden. Vervolgens heeft de huidige gemachtigde van klaagster de communicatie overgenomen, zoals hij meedeelt in het bericht van 12 juni 2025. Ook de gemachtigde verzoekt om schriftelijke informatie te verschaffen. De gemachtigde stelt betrokkene in het vooruitzicht dat hij de kantonrechter zal verzoeken betrokkene te ontslaan als executeur, indien niet tijdig aan de verzoeken zal worden voldaan.
3.9. Betrokkene heeft vervolgens advocaat mr. [E] ingeschakeld. Namens betrokkene heeft mr. [E] gereageerd per brief van 27 juni 2025. Daarin is een herziene berekening opgenomen van de legitieme portie en het legaat. Daarnaast heeft mr. [E] onderbouwing gevraagd van het belang van de zoon bij alle gevraagde documenten. De gemachtigde van klaagster heeft op deze brief gereageerd per e-mail van 1 juli 2025, waarop mr. [E] op 7 juli 2025 weer een reactie heeft gegeven.
3.10. De gemachtigde van klaagster heeft op 7 juli 2025 een verzoekschrift als bedoeld in artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend bij de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam tot afgifte van bepaalde informatie. De kantonrechter heeft nog niet op dit verzoek beslist.
3.11. De zoon is op 11 september 2025 overleden. Klaagster was met de zoon gehuwd. Zij is in het testament van de zoon benoemd tot enige erfgename.
4. De klacht en de beoordeling daarvan
4.1. Klaagster heeft twee klachtonderdelen naar voren gebracht. Zij verwijt betrokkene het volgende:
1. Er was sprake van een bedreiging voor de objectiviteit, omdat betrokkene ook de ‘familieaccountant’ was. Betrokkene heeft daartegen geen maatregelen genomen.
2. Betrokkene heeft naar aanleiding van de informatieverzoeken van de zoon en later zijn gemachtigde onvoldoende informatie verstrekt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster aangevoerd dat deze klachtonderdelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang moeten worden gezien. Zij voert aan dat betrokkene de accountant was van de moeder, van een van haar dochters en haar vennootschap ([BV3]) en van [BV1]. Daardoor is bij de afwikkeling van de nalatenschap van moeder [B] sprake van meerdere belangen met pregnante tegenstellingen. Klaagster betoogt dat recht moet worden gedaan aan de gelijkberechtiging van alle kinderen van moeder [B]. In dit geval had betrokkene, zo stelt klaagster, moeten beseffen dat deze belangentegenstellingen een bedreiging vormden voor zijn objectiviteit, en daarom maatregelen had moeten nemen om deze bedreiging weg te nemen. De kern van de klacht is dat betrokkene deze maatregelen niet heeft getroffen. Hij had geen informatieverschillen tussen de zoon en de dochters mogen laten bestaan. Door bepaalde informatie aan de zoon niet te verstrekken werd de al aanwezige bedreiging van objectiviteit verder versterkt. Het had op de weg van betrokkene gelegen om maatregelen te treffen, zo stelt klaagster. Minst genomen had betrokkene de hem ter beschikking staande en relevante informatie open en tijdig met de zoon moeten delen of dienen te bewerkstelligen dat de erfgenamen dit zouden doen. Dat heeft betrokkene volgens klaagster onvoldoende gedaan, ondanks meerdere verzoeken en sommaties van de zoon en later de gemachtigde. Nadat de gemachtigde een verzoekschrift had ingediend bij de rechtbank Rotterdam, heeft betrokkene pas een aantal akten van overdracht van aandelen verstrekt.
4.2. De Accountantskamer overweegt als volgt. De verwijten van klaagster zien op de wijze waarop betrokkene als executeur van de nalatenschap van de moeder is opgetreden. Dat optreden merkt de Accountantskamer aan als het verlenen van een professionele dienst, omdat het werkzaamheden betreffen waarvoor betrokkene zijn vakbekwaamheid als accountant aanwendt of kan aanwenden. Dat betekent dat het handelen en nalaten van betrokkene moet worden getoetst aan alle fundamentele beginselen uit de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
4.3. In dit geval is de vraag aan de orde of betrokkene zich heeft gehouden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Dat beginsel houdt in dat een accountant zich niet ongepast laat beïnvloeden en niet ongepast vertrouwt op derden, technologie of andere factoren (artikel 11 VGBA). De Toelichting bij de VGBA beschrijft een aantal (voorbeelden van) bedreigingen van de objectiviteit, zoals het adviseren van cliënten met onderling strijdige belangen. Als sprake is van een bedreiging, wordt van de accountant verlangd dat hij een passende maatregel neemt.
4.4. Volgens klaagster was sprake van een bedreiging van de objectiviteit, omdat betrokkene ook de ‘familieaccountant’ was. Bij de afwikkeling van de nalatenschap door betrokkene zou daarom sprake zijn van meerdere, tegengestelde belangen. De Accountantskamer volgt klaagster daarin niet. De wet (artikel 4:144 BW en verder) en het testament dragen de executeur de taak op de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen. Hij vertegenwoordigt de erfgenamen bij het afwikkelen van de erfenis. In deze zaak zijn dat de dochters. Gesteld noch gebleken is dat sprake is (geweest) van tussen de erfgenamen strijdige belangen, of dat zij in een onderling conflict lagen.
De positie van de zoon is een wezenlijk andere dan die van erfgenaam. Als legitimaris is de zoon strikt genomen een schuldeiser van de nalatenschap. Hij kan een vordering indienen en heeft recht op informatie die hij voor het berekenen van zijn legitieme portie nodig heeft (artikel 4:78 BW). Van een gelijke positie tussen erfgenamen en legitimarissen is daarom geen sprake. Betrokkene heeft de nalatenschap en de erfgenamen vertegenwoordigd en niet de legitimaris. Daardoor brengt de enkele omstandigheid dat er een belangentegenstelling tussen een legitimaris en de erfgenamen bestaat, nog geen bedreiging van de objectiviteit mee. Dat geldt ook als het gaat om kinderen van de erflaatster, zoals in dit geval de dochters en de zoon. Onder de gegeven omstandigheden was naar het oordeel van de Accountantskamer dan ook niet vereist dat betrokkene een passende maatregel trof.
4.5. De Accountantskamer stelt verder vast dat tussen klaagster en betrokkene een verschil van mening bestaat over de vraag op welke informatie de zoon als legitimaris recht heeft. Dat is een vraag die wordt beheerst door artikel 4:78 BW en die de inzet vormt van een procedure bij de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam. Het is niet aan de Accountantskamer om daarover een oordeel te geven.
4.6. Waar het om gaat is of het betrokkene tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij niet steeds op alle verzoeken om informatie van de zoon is ingegaan. Die vraag beantwoordt de Accountantskamer ontkennend. De accountant die optreedt als executeur kan alleen op zijn handelen worden aangesproken als hij daarbij onzorgvuldig en in strijd met de goede uitoefening van het accountantsberoep heeft gehandeld (zie de uitspraak van de Accountantskamer van 2 december 2013, ECLI:NL:TACAKN:2013:66). Het is de accountant toegestaan om als executeur een bepaald standpunt in te nemen jegens de schuldeisers, in dit geval te weigeren bepaalde informatie te verstrekken, zolang dat standpunt niet kennelijk onjuist of misleidend is. Betrokkene heeft vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid de bijstand ingeroepen van een jurist, gespecialiseerd in het erfrecht en zich door diens adviezen laten leiden. Daarvan kan betrokkene niet een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt, ook niet als zou later blijken dat de adviezen van mr. [E] onjuist zijn.
4.7. De Accountantskamer komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de klacht geheel ongegrond is.
5. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en drs. J.C. Scheper RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.
U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.
Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.