ECLI:NL:TACAKN:2026:71 Accountantskamer Zwolle 25/2700 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:71
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 10-08-2026
Zaaknummer(s): 25/2700 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht. Betrokkene was de accountant van klaagsters. Een vennootschap waarvan betrokkene de enig aandeelhouder en bestuurder was, heeft een toezichthouderstructuur voor klaagsters opgezet. De vrouw van betrokkene was daarbij betrokken en werd voorzitter van de Raad van Toezicht. In het voorjaar van 2025 ontstonden bij betrokkene zorgen over de continuïteit van klaagster. Deze zorgen heeft hij bij de bespreking van de conceptjaarrekening 2024 gedeeld met klaagsters en de Raad van Toezicht. Klaagsters verwijten betrokkene onder andere dat sprake hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen tegen belangenverstrengeling, dat de toezichthouderstructuur ondeugdelijk was en dat hij richting de Raad van Toezicht een onjuist en onvolledig financieel beeld heeft geschetst. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onvoldoende maatregelen heeft genomen tegen de belangenverstrengeling die met name ontstond toen zijn echtgenote voorzitter van de Raad van Toezicht van [X3] werd. In zoverre is de klacht gegrond. De Accountantskamer legt de maatregel van berisping op.

UITSPRAAK van 10 augustus 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 10 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2700 Wtra AK van

X1

wonende te [plaats1]

en

X2 B.V.

gevestigd te [plaats1]

en

de vennootschap onder firma X3

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R S

gemachtigde: mr. [A] te [plaats2]

t e g e n

Y1

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. J.J. Vetter te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2026. Voor klaagsters is verschenen [X1], bijgestaan door haar gemachtigde. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.     Betrokkene was de accountant van [X3] en [X2] B.V. [BV1], een onderneming waarvan betrokkene enig aandeelhouder en bestuurder is, heeft een toezichthouderstructuur voor [X3] opgezet. In het voorjaar van 2025 ontstonden bij betrokkene zorgen over de continuïteit van [X3]. Deze zorgen heeft hij bij de bespreking van de conceptjaarrekening 2024 gedeeld met [X1] en de Raad van Toezicht. Klaagsters verwijten betrokkene onder andere dat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen tegen belangenverstrengeling, dat de toezichthouderstructuur ondeugdelijk is en dat hij richting de Raad van Toezicht een onjuist en onvolledig financieel beeld heeft geschetst.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2.        De klacht is gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft onvoldoende maatregelen genomen tegen de belangenverstrengeling die met name ontstond toen zijn echtgenote voorzitter van de Raad van Toezicht van [X3] werd. De Accountantskamer legt de maatregel van berisping op.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is werkzaam bij [accountantskantoor1] B.V. te [plaats1].

3.2.        Op [datum1] is [X3] opgericht als een vennootschap onder firma.

[X3] is een zorgvilla voor kleinschalige ouderenzorg. [X1] en [X2] B.V. (waarvan [X1] 100% aandeelhoudster is) zijn vennoten van [X3].

3.3.        Tussen betrokkene en klaagsters hebben overeenkomsten van opdracht bestaan, uit hoofde waarvan betrokkene werkzaamheden verrichtte met betrekking tot administratieve dienstverlening, het samenstellen van jaarrekeningen, belastingaangiften, loonadministratie en advisering.

3.4.        Begin 2024 heeft [X1] met betrokkene gesproken over de verplichting op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders en de Governancecode Zorg 2022 om een Raad van Toezicht (hierna: RvT) in te stellen. Betrokkene heeft klaagsters doorverwezen naar [BV1], een onderneming waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. De werkzaamheden in [BV1] worden feitelijk verricht door, onder anderen, de echtgenote van betrokkene (hierna: de echtgenote).

3.5.        De echtgenote heeft een toezichthouderstructuur voor [X3] opgezet en een reglement voor de RvT opgesteld. De echtgenote is aangewezen als voorzitter van de RvT.

3.6.        Op 20 mei 2025 heeft betrokkene de conceptjaarrekening van [X3] over 2024 besproken met [X1]. Tijdens deze bespreking heeft betrokkene [X1] erop gewezen dat zij als vennoot in 2024 bijna € 100.000 te veel ten opzichte van het resultaat van [X3] over dat jaar had opgenomen en dat sprake was van aanzienlijke belastingschulden. Op dezelfde dag heeft betrokkene per e-mail aan [X1] bericht dat de Belastingdienst had laten weten over te gaan tot beslaglegging op de bankrekening van [X3].

3.7.        Eveneens op 20 mei 2025 hebben betrokkene en [X1] een transparantietoestemming ondertekend, inhoudende dat [X1] toestemming gaf aan betrokkene om informatie betreffende de financiële verantwoording van [X3] te delen met de RvT.

3.8.        Op 21 mei 2025 heeft betrokkene de conceptjaarrekening van [X3] over 2024 met de RvT besproken. Tijdens die bespreking heeft betrokkene de RvT ingelicht over, onder andere, de belastingschulden en het voornemen van de Belastingdienst om beslag te leggen op de bankrekening van [X3].

3.9.        In de periode na de bespreking van de conceptjaarrekening heeft [X1] zich gewend tot [BV2] (hierna: [BV2]). Vanaf 21 mei 2025 is gecorrespondeerd tussen [X1] en betrokkene, [X1] en (leden van) de RvT, [BV2] en de RvT, en [BV2] en betrokkene. Voor zover van belang zal hierna naar die correspondentie worden verwezen. Op 8 juli 2025 heeft [X1] de samenwerking met betrokkene beëindigd.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagsters gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klaagsters verwijten betrokkene het volgende:

1. schending van onafhankelijkheid en objectiviteit door (de schijn van) belangenverstrengeling;

2. ondeugdelijke advisering en inrichting governance/toezicht;

3. onzorgvuldige en onjuiste beeldvorming over de financiële positie;

4. tekortschieten in waarschuwings-, informatie- en communicatieplicht;

5. het niet onvoorwaardelijk meewerken aan tijdige en volledige overdracht van het dossier aan de opvolgend adviseur [BV2];

6. schending van vertrouwelijkheid;

7. onjuiste verwerking van de arbeidsbeloning in de jaarrekening 2023 en de aangifte inkomstenbelasting 2023 van [X1];

8. tegenstrijdige en/of onjuiste publicatiestukken ten aanzien van [X2] B.V. en onjuistheden in de loonadministratie;

9. het doen voorkomen alsof meerdere accountants aan het kantoor verbonden zijn terwijl feitelijk slechts één accountant aan het kantoor is verbonden;

10. structureel niet of onvoldoende reageren op inhoudelijke correspondentie.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en aan de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden.

5.2.        Waar sprake is van onderlinge samenhang, zal de Accountantskamer klachtonderdelen gezamenlijk bespreken.

Klachtonderdeel 1 : schending van onafhankelijkheid en objectiviteit door (de schijn van) belangenverstrengeling, doordat betrokkene klaagster heeft doorverwezen naar [BV1], een vennootschap waarvan hij zelf bestuurder en aandeelhouder is, en heeft toegestaan dat zijn echtgenote feitelijk de toezichthouderstructuur opzette en als voorzitter van de RvT fungeerde.

5.3.        Klaagsters hebben ter onderbouwing van klachtonderdeel 1 aangevoerd dat betrokkene een stapeling van belangen heeft gecreëerd die een bedreiging vormden voor zijn onafhankelijkheid en objectiviteit. Betrokkene stelde de jaarrekeningen van [X3] samen en fungeerde ook als adviseur van [X3]. Hij was enig aandeelhouder en bestuurder van [BV1], die de toezichthouderstructuur van [X3] heeft opgezet en het reglement van de RvT heeft opgesteld. Zijn echtgenote werd, op voordracht van [BV1], voorzitter van de RvT van [X3].

Betrokkene heeft niet inzichtelijk gemaakt i) welke bedreigingen zijn geïdentificeerd, ii) hoe de significantie daarvan is beoordeeld, iii) welke waarborgen zijn getroffen en iv) hoe deze afweging is gedocumenteerd.

5.4.        Betrokkene heeft aangevoerd dat hij heeft gesignaleerd dat de benoeming van zijn echtgenote als voorzitter van de RvT een bedreiging vormde voor zijn onafhankelijkheid en objectiviteit. Zowel hij als zijn echtgenote hebben dit besproken met [X1]. Ook hebben zowel hij als zijn echtgenote ruggespraak gehouden met deskundigen over de vraag of zijn echtgenote kon worden aangesteld als voorzitter van de RvT terwijl hij de accountant van [X3] was en zo ja, welke waarborgen getroffen moesten worden. Afgesproken werd dat zijn echtgenote als voorzitter van de RvT geen bemoeienis zou hebben met de bespreking van de conceptjaarrekening en dat zij niet betrokken zou zijn bij de (her)benoeming van de accountant. Ook spraken betrokkene en zijn echtgenote af dat zij niet met elkaar zouden spreken over de gang van zaken bij [X3].

5.5.        De Accountantskamer overweegt het volgende. Aangezien betrokkene geen assurance heeft gegeven is onafhankelijkheid van betrokkene geen vereiste, wel objectiviteit[1]. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de VGBA, identificeert en beoordeelt de accountant omstandigheden die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan een fundamenteel beginsel en neemt met betrekking tot dergelijke omstandigheden een toereikende maatregel die ertoe leidt dat de accountant zich houdt aan de fundamentele beginselen.

5.6.        De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene enig aandeelhouder en bestuurder is van [BV1] en dat zijn echtgenote middels [BV1] (mede) de toezichthouderstructuur van [X3] heeft opgezet. Vervolgens is zijn echtgenote voorzitter van de RvT van [X3] geworden. Met name dit laatste vormde een bedreiging voor de objectiviteit van betrokkene. Betrokkene heeft dat onderkend en stelt maatregelen te hebben genomen, zoals weergegeven onder 5.4.

5.7.        De Accountantskamer overweegt dat de gestelde afspraak dat de echtgenote niet betrokken zal zijn bij de financiële aangelegenheden van [X3] en de (her)benoeming van haar accountant niet geborgd zijn in het reglement van de RvT of anderszins zijn vastgelegd. Integendeel, in het profiel van de voorzitter van de RvT is beschreven dat de voorzitter fungeert als gesprekspartner van de accountant. Bovendien zijn de genoemde maatregelen in de praktijk niet volledig[2] uitgevoerd en ook niet in het dossier van betrokkene vastgelegd. De echtgenote van betrokkene was namelijk aanwezig bij de bespreking van de conceptjaarrekening op 21 mei 2025 wat in strijd is met de gestelde afspraak dat zij geen bemoeienis zou hebben met de financiële aangelegenheden van [X3].

5.8.        Betrokkene heeft twee documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij overleg heeft gevoerd met twee accountants in relatie tot de bedreiging van zijn objectiviteit. Het ene document is op 5 juni 2024 gedateerd en daarin staat dat áls de echtgenote voorzitter wordt van de RvT er strikte afspraken moeten komen, maar de echtgenote was toen al voorzitter. Het andere document is van 24 april 2024 en bevat de conclusie dat er randvoorwaarden geschapen moeten worden in relatie tot de rol van de echtgenote in de RvT, maar uit dit document of uit andere documenten volgt niet dat die randvoorwaarden vervolgens ook zijn geschapen, laat staan uitgevoerd. Beide documenten kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een vastlegging van toegepaste maatregelen en de conclusie van betrokkene als bedoeld in artikel 21 lid 3 van de VGBA. Dit alles leidt tot het oordeel dat betrokkene onvoldoende maatregelen heeft genomen en dat de maatregelen ook niet zijn gedocumenteerd, waardoor betrokkene heeft gehandeld in strijd met artikel 21 VGBA en met het fundamentele beginsel van objectiviteit ex artikel 2 sub c en 11 VGBA. Klachtonderdeel 1 is in zoverre gegrond.

Klachtonderdeel 2: onder regie en advies van betrokkene is de totstandkoming van het RvT-reglement ondeugdelijk verlopen en niet passend bij de feitelijke organisatie (vennootschap onder firma).

5.9.        Klaagsters hebben aangevoerd dat het reglement voor de RvT ondeugdelijk is en niet aansluit bij de rechtsvorm van [X3]. Zij verwijten betrokkene dat hij niet heeft getoetst of de toezichthouderstructuur deugdelijk was en voldeed aan de normen van de Wet toetreding zorgaanbieders en de Governancecode Zorg 2022.

5.10.      Betrokkene heeft aangevoerd dat hij slechts aandeelhouder is van [BV1] en dat hij niet betrokken was bij de dienstverlening door de onderneming. Verder heeft hij aangevoerd dat niet is gebleken dat het reglement of de toezichthouderstructuur ondeugdelijk was.

5.11.      De Accountantskamer overweegt als volgt. Klaagsters hebben aangevoerd dat het reglement voor de RvT en de toezichthouderstructuur in het geheel ondeugdelijk is en zij rekenen dit betrokkene aan. Zij hebben tegenover de betwisting door betrokkene echter niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming en de inhoud van het reglement en de toezichthouderstructuur. Of het reglement en de toezichthouderstructuur ondeugdelijk zijn, kan daarom in het midden worden gelaten.

Betrokkene kan er tuchtrechtelijk gezien immers niet op worden aangesproken. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

Klachtonderdeel 3 : betrokkene heeft op 21 mei 2025 een onvolledig en onjuist financieel beeld geschetst aan de RvT.

Klachtonderdeel 4 : betrokkene heeft in aanloop naar de bijeenkomst van 21 mei 2025 en nadien niet tijdig, niet volledig en niet transparant gecommuniceerd over (veronderstelde) financiële risico’s en governance-gebreken.

5.12.      Op 21 mei 2025 heeft betrokkene de conceptjaarrekening 2024 met de RvT besproken, in de aanwezigheid van [X1]. Klaagsters verwijten hem dat hij daarbij heeft gesproken over een dreigend faillissement van [X3], zonder [X1] daarover vooraf te (weder)horen, terwijl hij betaalinformatie, die hem voorafgaand aan de vergadering was verschaft, niet had verwerkt, en dat het scenario dat hij heeft geschetst niet was gebaseerd op een actueel en volledig financieel beeld. Betrokkene had klaagsters eerder moeten waarschuwen voor de financiële risico’s. Ter zitting heeft [X1] toegelicht dat betrokkene met name wordt verweten dat hij richting de RvT heeft gesproken over een dreigend faillissement, terwijl hij dat richting haar niet zo heeft verwoord.

5.13.      Betrokkene heeft aangevoerd dat de Belastingdienst hem in april 2025 heeft geïnformeerd over betalingsachterstanden van [X3] met betrekking tot de loonbelasting en dat de Belastingdienst voornemens was beslag te leggen op de bankrekening van [X3]. Ook heeft betrokkene gesignaleerd dat [X1] in 2024 ongeveer € 100.000,-- meer had opgenomen dan het resultaat over dat jaar van € 240.000,--. Verder was [X1] financiële verplichtingen aangegaan met betrekking tot de bouw van een serre, terwijl zij daarvoor geen financiering had. Betrokkene heeft bij de bespreking van de conceptcijfers 2024 op 20 mei 2025 zijn zorgen over de continuïteit van [X3] met [X1] besproken. [X1] heeft dezelfde dag nog betaalbevestigingen met betrekking tot de loonheffing gestuurd, waaruit zou moeten blijken dat de loonheffing over heel 2024 betaald was en dat de betaling voor de maand oktober niet openstond. Betrokkene heeft geconcludeerd dat de betaling voor de maand november dubbel verwerkt was en dat er nog steeds sprake was van betalingsachterstanden. De informatie die hij van [X1] kreeg, stelde hem niet gerust. Op 21 mei 2025 heeft betrokkene tijdens de bespreking van de conceptjaarrekening 2024 zijn zorgen over de continuïteit van [X3] met de RvT gedeeld. Betrokkene stelt dat hij zowel in het gesprek met [X1] op 20 mei 2025 als in het gesprek met de RvT op 21 mei 2025 heeft gesproken over een mogelijk faillissement van [X3].

5.14.      De Accountantskamer overweegt als volgt. Klaagsters hebben niet weersproken dat de financiële situatie van [X3] zorgelijk was. Op grond van Standaard 4410.27 dient de accountant met het management of de met governance belaste personen, in voorkomend geval, tijdens de samenstellingsopdracht tijdig aangelegenheden betreffende de samenstellingsopdracht te communiceren. Dit betreffen de aangelegenheden die op grond van professionele oordeelsvorming van de accountant belangrijk genoeg zijn om de aandacht van het management of de met governance belaste personen, in voorkomend geval, te verdienen.
 

Daartoe behoort zonder twijfel de vraag of de jaarrekening 2024 wel op basis van de continuïteitsveronderstelling[3] kon worden opgesteld vanwege de informatie die betrokkene van de Belastingdienst had ontvangen over beslaglegging met alle gevolgen daarvan voor de continuïteit van [X3]. Betrokkene heeft dan ook conform Standaard 4410.27 gehandeld door op 20 mei 2025 met [X1] en vervolgens op 21 mei 2025 met de RvT te bespreken dat, indien niet zou worden ingegrepen, een faillissement tot de mogelijkheden behoorde. Klaagsters hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene daarbij een onjuist beeld heeft geschetst.

5.15.      Het verwijt dat betrokkene de RvT heeft ingelicht over de continuïteitsproblemen van [X3] zonder voorafgaand overleg met [X1], is niet aannemelijk. De door [X1] ondertekende verklaring waarmee zij betrokkene toestemming heeft gegeven informatie te delen met de RvT is gedateerd op 20 mei 2025 en [X1] heeft voor 21 mei 2025 met betrokkene over de (betaling van) belastingschulden gecorrespondeerd. Zo heeft zij bijvoorbeeld op 20 mei 2025 om 19:28 uur bevestigingen van betalingen aan betrokkene toegestuurd. Eerder die dag, om 15:43 uur, heeft betrokkene aan haar geschreven: ‘Zoals uit bijgaand overzicht blijkt staan in tegenstelling tot hetgeen je hedenmorgen hebt meegedeeld(onderstreping Ack) de inkomstenbelasting 2022 (€ 43.151) en de loonheffing oktober 2024 (€17.073) nog open’. Het is aannemelijk dat betrokkene, gegeven de ernst van de situatie, ook met [X1] over een mogelijk faillissement van [X3] heeft gesproken, althans dat dit in de op 20 mei 2025 door betrokkene gebruikte bewoordingen lag besloten. En het is onaannemelijk dat betrokkene in de bespreking met de RvT op 21 mei 2025 opeens een nóg slechter financieel beeld heeft geschetst. De klachtonderdelen 3 en 4 zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 5 : betrokkene heeft – ondanks herhaalde, duidelijke verzoeken en sommaties – niet onvoorwaardelijk meegewerkt aan tijdige en volledige overdracht van het dossier aan de opvolgend adviseur [BV2].

Klachtonderdeel 10 : betrokkene reageert structureel niet of onvoldoende op inhoudelijke correspondentie.

5.16.      Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat hij gebruik maakt van het boekhoudprogramma [B]. Hij beschikte over de licentie. Het dossier van klaagsters was volledig digitaal beschikbaar. [X1] boekte zelf de administratie in het boekhoudprogramma, waarna betrokkene de administratie verwerkte. Hij heeft [BV2] uitgenodigd voor een overdrachtsgesprek, maar daar is geen gebruik van gemaakt. Betrokkene stelt dat klaagsters (bij tussenkomst van [BV2]) veelvuldig richting hem hebben gecorrespondeerd en dat hij steeds heeft gereageerd, maar dat hij zijn reacties niet altijd ook aan [BV2] heeft gericht. Betrokkene betwist dat hij het retentierecht heeft uitgeoefend op stukken van klaagsters zelf.

5.17.      Klaagsters hebben aangevoerd dat zij weliswaar konden inloggen in [B], maar dat zij slechts toegang hadden tot het dashboard. Zij hadden geen toegang tot de dossierstukken en konden het dossier ook niet bewerken. Volgens klaagsters heeft betrokkene, kort gezegd, niet gereageerd op de brieven die aan hem zijn verstuurd.

5.18.      De Accountantskamer overweegt dat het niet, niet op tijd of niet behoorlijk reageren op vragen onder omstandigheden kan betekenen dat de accountant het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldig en/of het fundamentele beginsel van professionaliteit heeft geschonden. Of daarvan sprake is hangt af van alle omstandigheden, zoals de redelijkheid van de gestelde reactietermijn, de aard van de relatie tussen de vragensteller en de accountant, de aard van de vragen, de voor de accountant kenbare belangen die met de beantwoording van de vragen zijn gemoeid, de beschikbaarheid van informatie om de vragen te kunnen beantwoorden en de urgentie van de vragen. Het is aan de klaagster om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken die tot de conclusie kunnen leiden dat in een concreet geval van een schending sprake is.

5.19.      Klaagsters hebben niet toegelicht welke punten uit de vijf brieven/e-mails die namens hen in de periode 19 juli 2025 tot 11 september 2025 aan betrokkene zijn gestuurd, onbeantwoord zijn gebleven en om welke redenen betrokkene wel steeds had behoren te reageren. De brieven/e-mails bevatten meerdere verwijten en al in de brief van 19 juli 2025 wordt betrokkene een klacht in het vooruitzicht gesteld. Betrokkene heeft op 22 juli 2025 inhoudelijk gereageerd. Betrokkene was niet gehouden om op de verwijten te (blijven) reageren.

5.20.      Betrokkene heeft onweersproken aangevoerd dat hij destijds geen stukken van klaagsters onder zich had waarop hij het retentierecht vanwege de openstaande nota’s niet mocht uitoefenen[4]. Klaagsters beschikten zelf over de administratie (hard copy), zoals de facturen. Uit de brief van betrokkene van 22 juli 2024 aan [BV2] volgt dat dit bureau is uitgenodigd voor de overdracht van het dossier mits onder meer de openstaande facturen zouden worden betaald, maar die uitnodiging is in de brief van 28 juli 2025 afgeslagen. De klachtonderdelen 5 en 10 zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 6 : schending van vertrouwelijkheid, doordat betrokkene op 30 juli 2025 ongevraagd dossier- en cliëntinhoudelijke zaken heeft besproken met de moeder van klaagster.

5.21.      Betrokkene betwist dat hij vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met mevrouw [C].

5.22.      Volgens artikel 16 VGBA is de accountant die de beschikking krijgt over gegevens of inlichtingen waarvan deze het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht tot geheimhouding van die gegevens of inlichtingen. Het is aan de klaagster om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat de accountant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid. In het klaagschrift noch ter zitting hebben klaagsters toegelicht welke vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrokkene zou hebben gedeeld met mevrouw [C]. De door klaagsters overgelegde verklaring van mevrouw [C] vermeldt dergelijke gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Accountantskamer niet. Klachtonderdeel 6 is ongegrond.

Klachtonderdeel 7 : betrokkene heeft de arbeidsbeloning van € 110.160 onjuist verwerkt in de jaarrekening 2023 en de aangifte inkomstenbelasting 2023 van klaagster.

5.23.      Klaagsters hebben aangevoerd dat de arbeidsbeloning in de jaarrekening 2023 van [X3] ten onrechte als kostenpost in de winst- en verliesrekening is verwerkt en in de aangifte inkomstenbelasting van [X1] is aangegeven als ‘inkomsten uit overige werkzaamheden’, terwijl deze beloning integraal onderdeel vormt van de winst uit onderneming van de beherend vennoot.

5.24.      Betrokkene heeft aangevoerd dat klaagsters op advies van andere financiële adviseurs uitdrukkelijk ervoor hebben gekozen de arbeidsbeloning ten laste van de winst te laten komen. Bij de bespreking van de jaarrekening 2022 is besproken dat dit gevolgen heeft voor de MKB-winstvrijstelling. Desondanks is ervoor gekozen de arbeidsbeloning te verwerken zoals dat is gedaan.

5.25.      De Accountantskamer overweegt dat betrokkene in het verslag van de bespreking van de conceptjaarrekening over 2022 heeft opgenomen: ‘Besproken zijn onze bevindingen en significante aangelegenheden (inclusief presentatie in de jaarrekening): (…) c) Arbeidsbeloning

(€ 97.200) mevr. [X1] en de verwerking t.l.v. P/L[5];(…)’

Van klaagsters mag verwacht worden dat zij de inhoud van die bespreking, zoals door betrokkene toegelicht en vastgelegd in het besprekingsverslag, gemotiveerd betwisten indien zij het daarmee niet eens zijn. Klaagsters hebben dat ter zitting niet gedaan. Het gedeelte in de pleitnota waarin op dit klachtonderdeel wordt ingegaan, is wegens overschrijding van de toegestane spreektijd van 20 minuten niet voorgedragen. Het maakt daarom geen onderdeel uit van het partijdebat waarop de Accountantskamer acht slaat. De Accountantskamer acht het overigens niet aannemelijk dat betrokkene een advies heeft gegeven aan klaagsters, en tegen hun wil heeft uitgevoerd, hoewel het de belastingdruk verhoogt. Daarbij overweegt de Accountantskamer ook dat de jaarrekening en de aangifte inkomstenbelasting over 2022 zijn geaccordeerd. Klachtonderdeel 7 is ongegrond.

Klachtonderdeel 8 : tegenstrijdige en/of onjuiste publicatiestukken ten aanzien van [X2] B.V. Er bestaan ook aanwijzingen dat geen rekening is gehouden met het economische/financiële belang van de B.V. in de vof. Ook zijn onjuistheden in de loonadministratie aan de orde gesteld, zonder dat daarop de vereiste inhoudelijke reactie volgde.

5.26.      Dit klachtonderdeel is ongegrond, omdat klaagsters het niet hebben toegelicht en onderbouwd. Ook op dit onderdeel is de pleitnota wegens overschrijding van de toegestane spreektijd niet voorgedragen en het vormt daarom geen onderdeel van het partijdebat waarop de Accountantskamer acht slaat.

Klachtonderdeel 9 : betrokkene doet voorkomen alsof meerdere accountants aan het kantoor verbonden zijn ([accountantskantoor1]) terwijl feitelijk slechts één accountant aan het kantoor is verbonden.

5.27.      Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel hebben klaagsters aangevoerd dat zij op grond van de kantoornaam mochten uitgaan van een breed en multidiscipinair team, en dat dit een rol heeft gespeeld bij hun keuze voor betrokkene en hun vertrouwen in het kantoor van betrokkene. De praktijk is daarmee niet in lijn gebleken.

5.28.      Betrokkene heeft aangevoerd dat hij een samenwerkingsverband heeft met een andere accountant, die ook zijn eigen kantoor heeft.

5.29.      De Accountantskamer stelt vast dat alleen betrokkene als accountant was (en is) verbonden aan [accountantskantoor1]. Klaagsters hebben niet gesteld dat betrokkene uitspraken heeft gedaan op grond waarvan de indruk is ontstaan dat aan het kantoor van betrokkene meerdere accountants verbonden waren. Dat is ook niet gebleken. De Accountantskamer houdt het er daarom voor dat de verwarring over de samenstelling van het kantoor enkel is ontstaan door de naamgeving van het kantoor. Die omstandigheid alleen is volgens een beslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven uit 2016[6] niet voldoende voor het oordeel dat betrokkene het fundamentele beginsel integriteit heeft geschonden. Er bestaat ook nu geen wet- of regelgeving die aan het gebruik van de meervoudsvorm ‘accountants’ in een kantoornaam voorwaarden verbindt. Onder verwijzing naar de genoemde beslissing overweegt de Accountantskamer dat de beroepsorganisatie op dit punt regelgeving kan opstellen, maar dat tot op heden niet heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Conclusie

5.30.      De klacht zal wat betreft klachtonderdeel 1 gegrond worden verklaard. Voor het overige is de klacht ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit, doordat zijn echtgenote middels [BV1] betrokken is geweest bij het opzetten van de toezichthouderstructuur van [X3], en voorzitter werd van de RvT, terwijl betrokkene de accountant van [X3] was en de directeur-grootaandeelhouder van [BV1]. Tegen deze verstrengeling van belangen heeft betrokkene onvoldoende (toereikende) maatregelen genomen en evenmin voldaan aan de eis van vastlegging in zijn dossier. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene de maatregel van berisping op.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond voor wat betreft klachtonderdeel 1 en voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van

- berisping.

  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijer en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en E.M. van der Velden AA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Zie ook artikel 3 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (Vio).

[2] Of betrokkene met zijn echtgenote niet over [X3] heeft gesproken zoals tussen hen is afgesproken, onttrekt zich aan elke objectieve waarneming, maar kan ook weer niet worden uitgesloten. Ook deze maatregel is niet door betrokkene gedocumenteerd.

[3] Artikel 2:384 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: ‘Bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel der werkzaamheden van de rechtspersoon waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet, tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is; alsdan wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en resultaat in de toelichting uiteengezet.’

[4] De accountant is - kort gezegd - gerechtigd het retentierecht vanwege openstaande facturen alleen uit te oefenen op de door de accountant vervaardigde stukken en gedane bewerkingen, zoals een jaarrekening. Daarbij dient de accountant wel steeds een zorgvuldige afweging te maken tussen zijn eigen belang bij het achterhouden ervan en dat van zijn cliënt bij het verkrijgen ervan. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2015:206 r.o. 3.4.4: ‘Met betrekking tot het door appellant onder zich houden van de jaarstukken 2009 overweegt het College allereerst dat, zoals de accountantskamer terecht heeft overwogen, het uitoefenen van een retentierecht op door de accountant vervaardigde stukken en gedane bewerkingen in beginsel toelaatbaar is. Daarbij dient echter een zorgvuldige afweging te worden gemaakt tussen het belang van de accountant bij het achterhouden van de stukken of bescheiden en het – voor de accountant – kenbare belang dat de cliënt heeft bij de afgifte daarvan.

[5] Met P/L is bedoeld profit/loss, zo heeft betrokkene ter zitting toegelicht.

[6] Zie ECLI:NL:CBB:2016:294, r.o. 6 inzake een klacht over het gebruik van het woord accountants in de naam van een kantoor dat bestond uit een samenwerking tussen  een accountant en een niet-accountant: ‘Het ligt niet op de weg van de tuchtrechter een nieuwe, vergaande, regel op dit terrein voor de beroepsgroep in te voeren. De beroepsorganisatie kan na ampel beraad en desgewenst op dit punt regelgeving opstellen.’