ECLI:NL:TACAKN:2026:69 Accountantskamer Zwolle 25/3205 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:69
Datum uitspraak: 07-08-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s): 25/3205 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Tussen klager en zijn ex-vrouw is een geschil ontstaan over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Klager is hierover een procedure begonnen bij de rechtbank Gelderland. Betrokkene heeft van de ex-vrouw van klager de opdracht gekregen om in verband hiermee een prognose van de winst en de kasstroom van haar huisartsenpraktijk over de jaren 2025 tot en met 2027 op te stellen. De klacht gaat over de uitgangspunten van en de berekeningen in de prognose. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 7 augustus 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 22 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/3205 Wtra AK van

X

wonende in [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. D. Alblas te Barendrecht

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van klager, ontvangen op 4 mei 2026, waarmee bijlage 10 is overgelegd
  • het e-mailbericht van 6 mei 2026 van mr. Alblas, waarmee bijlage 7 is overgelegd
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2025. Beide partijen en mr. Alblas waren aanwezig. 

2.             De uitspraak samengevat

Klager is gescheiden van zijn vrouw. Tussen hen is een geschil ontstaan over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Klager is hierover een procedure begonnen bij de rechtbank Gelderland. Betrokkene heeft van de ex-vrouw van klager de opdracht gekregen om in verband hiermee een prognose van de winst en de kasstroom van haar huisartsenpraktijk over de jaren 2025 tot en met 2027 op te stellen. De klacht gaat over de uitgangspunten van en de berekeningen in de prognose.

De Accountantskamer wijst de klacht af.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2005 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats2]. [accountantskantoor1] bedient als accountant ondernemers in de zorg, waaronder huisartsen.

3.2.        Klager was gehuwd. In augustus 2023 vond de echtscheiding plaats. Klager en zijn ex-vrouw (hierna: de vrouw) zijn de ouders van twee minderjarige kinderen.

3.3.        De vrouw is een van de twee maten in een huisartsenmaatschap. De andere maat (hierna: de maat) wil medio 2026 uittreden. De vrouw wil de praktijk voortzetten.

3.4.        Betrokkene heeft voorheen de aangiften Inkomstenbelasting (IB) van klager en de vrouw verzorgd. De vrouw is klant van betrokkene gebleven, klager niet.

3.5.        Er is onenigheid ontstaan tussen klager en de vrouw over hun bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Klager heeft daarom in maart 2025 de Rechtbank Gelderland verzocht te beslissen dat de vrouw aan hem kinderalimentatie moet betalen.

3.6.        Op 13 mei 2025 heeft betrokkene de volgende opdracht van de vrouw schriftelijk aan haar bevestigd:

U heeft ons opdracht gegeven om een prognose voor uw winst en netto kasstroom voor de jaren 2025 t/m 2027 te verstrekken. De prognose heeft u nodig voor het bepalen van uw mogelijkheden tot het betalen van kinderalimentatie aan uw ex partner. De prognose zal tevens aan de Rechtbank verstrekt worden in het kader een verwachte zitting omtrent de kinderalimentatie, die uw ex partner en zijn advocaat hebben aangespannen. Deze brief is bedoeld om de voorwaarden van de aan ons verstrekte opdracht vast te leggen, waaronder de aard en beperkingen van onze werkzaamheden en de beperkingen in het gebruik van de prognose.”

3.7.        Betrokkene heeft per e-mail vragen aan de vrouw gesteld over de door haar verwachte ontwikkelingen van de huisartspraktijk, de gevolgen van het uittreden van de maat en de voorgenomen verhuizing medio 2026 naar een ander huurpand. De vrouw heeft op 14 mei 2025 de vragen per e-mail beantwoord.

3.8.        Op 16 mei 2025 heeft betrokkene zijn rapport aan de vrouw verstrekt. De vrouw heeft dit rapport gebruikt bij haar verweer in de procedure die klager tegen haar had aangespannen. De Rechtbank Gelderland heeft op 30 september 2025 de verzoeken van betrokkene afgewezen. De rechtbank heeft cijfers uit het rapport van betrokkene gebruikt.

3.9.        In zijn rapport heeft betrokkene de winst en de kasstroom over de jaren 2022 t/m 2027 opgenomen. De cijfers over de jaren 2025 tot en met 2027 zijn een prognose omdat het rapport in mei 2025 is uitgebracht. In de prognose is er onder meer van uitgegaan dat de maat per 30 juni 2026 zal uittreden en dat op dezelfde datum de huisartsenpraktijk zal verhuizen naar een ander huurpand.  

4.             De klacht

4.1.        Volgens klager heeft betrokkene bij het opstellen van zijn rapport gehandeld in strijd met de vijf fundamentele beginselen opgesomd in artikel 2 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Ter zitting heeft klager verklaard dat de punten 1 tot en met 14 in het klachtenformulier de onderdelen van zijn klacht bevatten.

Deze 14 klachtonderdelen zijn, kort samengevat:

1)            de uitgangspunten voor de berekening ontbreken;

2)            het was relevant ook 2028 te prognosticeren;

3)            het rapport vermeldt niet dat het gebruikelijk is een lening af te sluiten;

4)            het winstaandeel van de vrouw zal toenemen na het uittreden van de maat;

5)            de inkomsten uit de huisartsenpostdienst zullen na het uittreden verdubbelen;

6)            de kosten voor waarneming na het uittreden zijn te hoog;

7)            de berekening is niet gebaseerd op offertes;

8)            de bruto kasstroom 2024 is lager dan de winst 2024;

9)            de winstprognose 2027 is ondanks het uittreden aanzienlijk lager dan in 2024;

10)         het aantal uren waarneming is onjuist berekend;

11)         het bedrag van de investeringen in het nieuwe bedrijfspand is niet onderbouwd;

12)         geen rekening is gehouden met verwachte opbrengsten uit onderverhuur;

13)         in 2024 had gelet op de liquiditeit meer aan de vrouw uitgekeerd kunnen worden;

14)         in 2024 had om dezelfde reden meer aan de beide maten uitgekeerd kunnen worden.

4.2.        De Accountantskamer zal de klachtonderdelen hierna bespreken, waarbij een aantal klachtonderdelen vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk zullen worden besproken.

4.3.        Waar klager zijn klacht ter zitting met nieuwe stellingen heeft uitgebreid, zal de Accountantskamer daaraan voorbijgaan, omdat het in beginsel niet is toegestaan de klacht op de zitting uit te breiden. Betrokkene heeft zich bij zijn verdediging daarop immers niet kunnen voorbereiden. Er is geen grond om in deze zaak van dit beginsel af te wijken.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene, voor zover dat onderdeel uitmaakt van de klacht, aan de VGBA.

5.2.        De klacht van betrokkene betreft hoofdzakelijk de prognose over de jaren 2025 tot en met 2027. Een prognose is altijd onzeker omdat die een verwachting uitdrukt over een per definitie onzekere toekomst. Een door een accountant afgegeven prognose moet desondanks wel een toereikende grondslag hebben, de gehanteerde aannames en uitgangspunten bevatten en de prognose mag niet misleidend zijn[1]. De Accountantskamer beoordeelt niet de juistheid van de prognose.

5.3.        Betrokkene heeft in zijn rapport vermeld dat de werkelijke cijfers over de jaren 2025 tot en met 2027 kunnen afwijken van die in de prognose en dat op de cijfers geen accountantscontrole is toegepast. Met dit laatste heeft betrokkene tot uitdrukking gebracht dat geen assurance is gegeven.

5.4.        Wat betreft de op de opdracht toepasselijke regelgeving merkt de Accountantskamer voor de volledigheid op dat Standaard 3400 (Onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie) niet van toepassing is omdat betrokkene geen assurance, ook niet een beperkte mate van zekerheid, heeft gegeven en dat ook niet in de bewoordingen van zijn rapport ligt besloten. Standaard 5500N (Transactiegerelateerde adviesdienst) is ook niet van toepassing, omdat de opdracht geen verband houdt met een voorgenomen transactie. Betrokkene heeft er ook niet voor gekozen om Standaard 4410 -waar nodig aangepast- toe te passen. Vanwege het geschil tussen klager en de vrouw over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen en de daarover aanhangige gerechtelijke procedure, ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij Handreiking 1111 (Overige opdrachten) en Handreiking 1127 (Ondersteuning bij (potentiële) geschillen).    

5.5.        Het oordeel van de Accountantskamer is dat de klacht ongegrond is. De Accountantskamer legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

5.6.        Klachtonderdeel 1): de uitgangspunten voor de berekening ontbreken.

5.6.1.    Volgens klager ontbreken de uitgangspunten voor de berekening en is niet vermeld op grond van welke vraagstelling de berekening precies is gemaakt.

5.6.2.    Betrokkene heeft in zijn rapport aannames en uitgangspunten vermeld, zoals het uittreden van de maat en de verhuizing naar een ander huurpand, de voortzetting van de praktijk door (alleen) de vrouw, de inschakeling van waarnemers daarbij en het voornemen van de vrouw niet meer werkzaamheden ten behoeve van de huisartsenpost te gaan verrichten dan zij voor het uittreden van de maat deed. Ook heeft betrokkene vermeld dat in de prognose ervan is uitgegaan dat de situatie per 30 juni 2026 doorloopt zoals daarvoor, maar dan met één maat. Verder heeft betrokkene financiële uitgangspunten vermeld, zoals een gemiddelde tariefstijging van 2%, een kostenindexatie van 4% en een verhoging van de loonkosten voor heel 2025 van 4,5%.

5.6.3.    De vraagstelling staat niet als zodanig in het rapport vermeld, maar bij de gebruiker ervan kan, gegeven de inhoud en de bewoordingen van het rapport, redelijkerwijs geen misverstand erover bestaan dat betrokkene de winsten en kasstromen over de jaren 2022 tot en met 2027 in kaart heeft gebracht, waarbij de jaren 2025 tot en met 2027 zijn geprognosticeerd. Dit staat met zoveel woorden in het rapport.           

5.6.4.    Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag.

5.7.        Klachtonderdeel 2): het was relevant ook 2028 te prognosticeren.

5.7.1.    Klager is van mening dat betrokkene de prognose had moeten doortrekken tot en met 2028, omdat 2027 een overgangsjaar is en 2028 een beeld geeft van de nieuwe situatie.

5.7.2.    In 2025 was het voornemen dat de maat per 30 juni 2026 zou uittreden en dat dan ook de verhuizing naar een nieuw huurpand zou plaatsvinden. Het jaar 2026 is dus een overgangsjaar en 2027 het eerste ‘gewone’ jaar. Hierdoor had het doortrekken van de prognose tot en met 2028 naar het oordeel van de Accountantskamer geen redelijk doel.

5.7.3.    Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.8.        Klachtonderdeel 3): het rapport vermeldt niet dat het gebruikelijk is een lening af te sluiten.

5.8.1.    De Accountantskamer overweegt dat het rapport zich niet expliciet uitlaat over de financiering van het uittreden van de maat en de verhuizing naar een ander huurpand. Wel vermeldt het rapport dat tot het moment van uittreden en de verhuizing het beleid van de maatschap is om jaarlijks minder aan de maten uit te keren dan de winst. Daaraan ligt ten grondslag dat de maten voor de financiering van het uittreden en de verhuizing geen vreemd vermogen willen aantrekken.

5.8.2.    Los hiervan valt niet in te zien om welke reden betrokkene in zijn rapport had behoren te vermelden dat het gebruikelijk is hiervoor een lening af te sluiten, daargelaten of dit gebruikelijk is.

5.8.3.    Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.9.        Klachtonderdeel 4): het winstaandeel van de vrouw zal toenemen na het uittreden van de maat.

                Klachtonderdeel 9): de winstprognose 2027 is ondanks het uittreden aanzienlijk lager dan in 2024.

5.9.1.    Klager stelt dat de winst van de vrouw zal toenemen nadat de maat is uitgetreden, ook als een waarnemer wordt ingezet om het uittreden van deze maat op te vangen. De Accountantskamer begrijpt dat klager het onverklaarbaar vindt dat de winst in 2027 is begroot op € 106.131 hoewel de winst in 2024, dus voor het het uittreden van de maat, € 343.715 bedroeg. Hetzelfde geldt voor het winstaandeel van de vrouw voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering dat in 2024 € 159.355 bedroeg en volgens de prognose in 2027 daalt naar € 78.193.

5.9.2.    Betrokkene heeft aangevoerd dat in 2027 de winst geheel aan de vrouw toekomt omdat in dat jaar sprake is van een eenmanszaak, maar dat door toegenomen kosten de winst lager uitvalt dan ten tijde van de maatschap. In het rapport is dit transparant toegelicht, aldus betrokkene.

5.9.3.    De Accountantskamer overweegt dat het klachtonderdeel tot uitgangspunt neemt dat het winstaandeel van de vrouw in 2027 zal toenemen omdat in dat jaar sprake is van een eenmanszaak en de winst dus niet meer met de maat gedeeld hoeft te worden. Deze gedachte is begrijpelijk maar daarmee nog niet juist. Door het uittreden van de maat nemen volgens het rapport onder meer de kosten van waarneming toe (van € 56.160 in 2026 naar € 129.978 in 2027) en na de verhuizing ook de kosten van huisvesting (van € 41.816 in 2024 naar € 88.464 in 2027). De vrouw moet in 2027 de uren die de maat besteedde aan zorgverlening met hulp van waarnemers opvangen, zijn overige (indirecte) taken erbij doen en de praktijk verhuist in 2026 naar een ander (duurder) huurpand. In het rapport is een en ander uitgelegd en met cijfers onderbouwd.

5.9.4.    De klachtonderdelen zijn ongegrond.

5.10.      Klachtonderdeel 5): de inkomsten uit de huisartsenpostdienst zullen na het uittreden verdubbelen.

5.10.1.  Volgens klager zal de vrouw na het uittreden van de maat een dubbele omzet uit het verrichten van diensten bij de huisartsenpost genieten, omdat zij de diensten die de maat verrichtte erbij zal nemen. In 2024 ging het om een omzet van € 17.224 en volgens het rapport is deze omzet in 2027 slechts € 18.278.

5.10.2.  Betrokkene heeft gesteld dat de vrouw na het uittreden van de maat niet van plan is meer huisartsenpostdiensten te gaan verrichten en dat om die reden deze omzet niet zal verdubbelen of toenemen.

5.10.3.  De Accountantskamer overweegt dat betrokkene de omzet over de jaren vanaf 2022 uit de huisartsenpostdiensten in het rapport heeft verwerkt. Op grond van het voornemen van de vrouw om na het uittreden van de maat niet meer huisartsenpostdiensten te gaan verrichten dan zij deed, kon betrokkene deze omzet over eerdere jaren in 2027 tot uitgangspunt nemen, waarbij betrokkene ten opzichte van 2026 een tariefstijging van 2% heeft toegepast. Betrokkene had een toereikende grondslag voor deze geprognosticeerde omzet 2027.

5.10.4.  Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.11.      Klachtonderdeel 6): de kosten voor waarneming na het uittreden zijn te hoog.

                Klachtonderdeel 10): het aantal uren waarneming is onjuist berekend.

5.11.1.  Zoals hiervoor is overwogen (5.9.3.) stijgen de kosten van waarneming van € 56.160 in 2024 naar € 129.978 in 2027. Volgens klager bedragen de kosten van waarneming in 2027 in het rapport € 161.595, maar dat berust naar het oordeel van de Accountantskamer op een verkeerde lezing. In het bedrag van € 161.595 zijn volgens het rapport ook de kosten van uitbesteed werk en andere externe kosten begrepen en dus niet alleen de kosten van waarneming. Betrokkene heeft de stijging van de kosten van de waarneming in zijn rapport toegelicht. Na het uittreden van de maat zal de vrouw volgens het rapport voor drie dagen per week à negen uren per dag, gedurende 58 weken per jaar een waarnemer moeten inschakelen tegen een tarief in 2027 van gemiddeld € 83 per uur.

5.11.2.  Volgens klager is drie dagen per week te veel en is twee à tweeënhalve dag per week logisch, omdat de vrouw drie dagen per week werkt. Ook begrijpt klager niet dat betrokkene met 58 weken waarneming per jaar rekent.

5.11.3.  Betrokkene heeft aangevoerd dat de maat eveneens drie dagen per week werkt, maar allerlei andere (indirecte) taken erbij verricht die de vrouw na zijn uittreden zal verrichten. Om die reden is bij een gelijkblijvende omzet meer waarneming noodzakelijk. Voor de vervanging van de maat is met 52 weken waarneming gerekend, maar in verband met de vakantie van de vrouw zal voor haar ook waarneming geregeld moeten worden en die vakantie is gesteld op zes weken. In totaal dus 58 weken waarneming.

5.11.4.  De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene in zijn rapport afdoende heeft toegelicht op grond van welke aannames de kosten van waarneming in 2027 zijn berekend. Daaraan ligt ten grondslag het gemotiveerde antwoord van de vrouw in haar e-mail aan betrokkene van 14 mei 2025 op zijn vraag hoe zij denkt het vertrek van de maat op te vangen. Betrokkene heeft daarmee een toereikende grondslag verkregen voor de berekening van de kosten van waarneming in 2027.  

5.11.5.  De klachtonderdelen zijn ongegrond.

5.12.      Klachtonderdeel 7): de berekening is niet gebaseerd op offertes.

Klachtonderdeel 11): het bedrag van de investeringen in het nieuwe bedrijfspand is niet onderbouwd.

5.12.1.  Klager vindt dat de in het rapport verwerkte kosten fors en de indexcijfers hoog zijn en hij vraagt zich af of dit gestaafd kan worden met offertes. De kosten van de investeringen in het nieuwe huurpand zijn begroot op € 70.000 en dit bedrag is volgens betrokkene een ruwe schatting.

5.12.2.  De Accountantskamer overweegt dat een toereikende grondslag voor een prognose niet betekent dat kosten en indexcijfers steeds op offertes moeten zijn gebaseerd, daargelaten of dat wel telkens mogelijk is. Een toereikende grondslag kan ook op een andere manier worden verkregen. Van belang is verder dat betrokkene in het rapport, waar dat nodig is, duidelijk heeft gemaakt dat het bij de kosten en indexcijfers om verwachtingen gaat, zodat de gebruiker ervan niet op het verkeerde been wordt gezet. De stelling van klager dat de in het rapport gehanteerde kosten en indexcijfers fors/hoog zijn, heeft klager niet onderbouwd en betrokkene heeft deze stelling bestreden. De stelling van klager is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

5.12.3.  De investeringen zijn mede begroot aan de hand van een opgave van de vrouw die de kosten stelde op € 50.000 à € 80.000, omdat in het nieuwe huurpand acht kamers moeten worden ingericht. Eerder had een financieel adviseur deze kosten voorzichtig begroot op

€ 50.000, aldus de vrouw in haar e-mail aan betrokkene van 14 mei 2025. Betrokkene heeft het bedrag begroot op € 70.000 en in zijn rapport vermeld: “In de eerste helft van 2026 wordt naar verwachting € 70.000 geïnvesteerd in het nieuwe bedrijfspand (acht kamers inrichten en voorzien van apparatuur) ”. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van de investeringen geen toereikende grondslag heeft.

5.12.4.  Beide klachtonderdelen zijn ongegrond.

5.13.      Klachtonderdeel 8): de bruto kasstroom 2024 is lager dan de winst 2024.

Klachtonderdeel 13): in 2024 had gelet op de liquiditeit meer aan de vrouw uitgekeerd kunnen worden.

Klachtonderdeel 14): in 2024 had aan de vrouw vanwege haar winstaandeel meer uitgekeerd kunnen worden.

5.13.1.  In 2024 heeft de vrouw € 128.000 als voorschot op haar winstaandeel opgenomen, hoewel volgens de balans per 31 december 2024 het bedrag aan liquide middelen € 229.862 was. Het winstaandeel van de vrouw voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bedroeg over 2024 € 159.355. Haar kasstroom 2024 voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bedroeg € 115.057. Klager is van mening dat de vrouw in 2024 meer als voorschot had kunnen opnemen dan zij heeft gedaan.

5.13.2.  De Accountantskamer overweegt het volgende. In het rapport is vermeld:

Het beleid van de afgelopen jaren en het huidige beleid om tot moment van uitkoop van (…) en verhuizing naar de nieuwe praktijkruimte, jaarlijks minder aan de maten uit te keren dan de jaarwinst, blijkt noodzakelijk om na hetbetrekken van de nieuwe praktijkruimte (investeringsbehoefte geschat op € 70.000 en eenmalige kosten geschat op € 15.000) en uitbetaling van het kapitaal van de uittredende maat (…) (geprognotiseerd op € 229.133) voldoende liquiditeit in de praktijk te houden om aan de lopende betalingsverplichtingen te kunnen blijven voldoen.”

5.13.3.  Hiermee maakt het rapport naar het oordeel van de Accountantskamer voldoende duidelijk dat en om welke redenen in de voorbije jaren minder aan de maten is uitgekeerd dan op grond van de winst en de liquide middelen had gekund. Hierop stuiten de klachtonderdelen 13) en 14) af. De Accountantskamer is ook van oordeel dat betrokkene in het rapport het verschil tussen de bruto kasstroom en de winst zowel in woorden als in cijfers voldoende heeft onderbouwd en toegelicht. Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.14.      Klachtonderdeel 12): geen rekening is gehouden met verwachte opbrengsten uit onderverhuur.

5.14.1.  De opbrengsten uit onderverhuur zijn door betrokkene in de berekening van de huisvestingskosten 2024 en 2025 begroot op € 2.600 respectievelijk € 2.704 en met ingang van 2026 op nihil. Volgens klager is met de verwachte inkomsten uit onderverhuur (na de verhuizing) ten onrechte geen rekening gehouden.

5.14.2.  Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat de onderverhuur in het verleden marginaal was en dat de vrouw niet van plan is een of meer ruimten in het nieuwe huurpand te verhuren waardoor de inkomsten uit onderverhuur in de prognose op nihil zijn gesteld. Dit verweer treft doel. Betrokkene hoefde geen huurinkomsten te prognosticeren omdat de vrouw niet langer wil verhuren.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijer en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en E.M. van der Velden AA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Vergelijk ECLI:NL:CBB:2019:418, rov. 5.4: “Het College stelt vast dat de prognoses geen enkel inzicht bieden in de daarbij gehanteerde uitgangspunten en aannames en dat aan het door [naam 9] opgestelde businessplan geen marktonderzoek ten grondslag ligt. De omzetprognoses berusten naar het oordeel van het College dan ook op een ontoereikende grondslag.”