ECLI:NL:TACAKN:2026:68 Accountantskamer Zwolle 24/3943 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 24/3943 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is gescheiden. In het kader van de beëindiging van hun huwelijk hebben klaagster en haar ex-partner in 2014 een convenant gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt over de vaststelling en verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van de ex-partner maakte hiervan deel uit. Betrokkene zou – samen met prof.dr. [B] – als opdrachtnemer onder het convenant de gemaakte afspraken ten uitvoer leggen. Klaagster stelt dat betrokkene zijn opdracht tot op heden niet heeft uitgevoerd. Klaagster vindt dit tuchtrechtelijk verwijtbaar. De Accountantskamer oordeelt dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld bij de uitvoering van het convenant. De klacht is in zoverre gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van waarschuwing op. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 31 juli 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 11 november 2024 ontvangen klacht met nummer 24/3943 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A A G S T E R
advocaat: mr. R. Vane te Alphen aan den Rijn
t e g e n
Y
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen (via de NBA) op 11 november 2024
- het aanvullend klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 19 november 2024
- de e-mail van klaagster met bijlage, ontvangen op 2 januari 2025
- de e-mail van klaagster met bijlage, ontvangen op 10 januari 2025
- het verweerschrift met bijlagen
- de brief van klaagster met bijlagen, ontvangen op 27 oktober 2025
- de op de zitting door partijen overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 17 november 2025. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Betrokkene is ook verschenen. De uitspraak is aangehouden ten behoeve van minnelijk overleg. Omdat dit overleg niet tot een oplossing heeft geleid, heeft klaagster op 17 maart 2026 de Accountantskamer verzocht om uitspraak te doen. Nadien heeft betrokkene verzocht om een verslag van feitelijke bevindingen, opgesteld door
[A] AA, aan het dossier toe te voegen. Dit verzoek is afgewezen, omdat het onderzoek ter zitting is gesloten.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klaagster is gescheiden. In het kader van de beëindiging van hun huwelijk hebben klaagster en haar ex-partner in 2014 een convenant gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt over de vaststelling en verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van de ex-partner maakte hiervan deel uit. Betrokkene zou – samen met prof.dr. [B] (hierna: [B]) – als opdrachtnemer onder het convenant de gemaakte afspraken ten uitvoer leggen. Klaagster stelt dat betrokkene zijn opdracht tot op heden niet heeft uitgevoerd. Klaagster vindt dit tuchtrechtelijk verwijtbaar.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. Klaagster heeft haar klacht ter zitting uitgebreid. Dat is te laat. De klacht is in zoverre niet-ontvankelijk. Voorts oordeelt de Accountantskamer dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld bij de uitvoering van het convenant. De klacht is in zoverre gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van waarschuwing op.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 1982 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] te [plaats2].
3.2. Klaagster was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [C] (hierna: de man).
3.3. Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zutphen van 27 juni 2011 is betrokkene benoemd tot bewindvoerder over de goederen van de moeder van de man.[1]
3.4. Op 5 september 2011 is de moeder van de man overleden (hierna: erflaatster). De man is haar enig erfgenaam (naast een aantal legatarissen). Het testament van erflaatster bevat een uitsluitingsclausule, inhoudende dat de erfenis niet zal vallen in welke huwelijksgoederengemeenschap van de man dan ook.
3.5. Bij notariële akten van 15 maart 2012 is betrokkene benoemd tot opvolgend executeur van de nalatenschap van erflaatster en opvolgend bewindvoerder van de kinderen van klaagster en de man.
3.6. Bij brief van 31 december 2012 heeft betrokkene als bewindvoerder van erflaatster rekening en verantwoording afgelegd over de periode tot het overlijden van erflaatster.
Bij brief van 8 januari 2013 heeft de griffier aan betrokkene meegedeeld dat de kantonrechter de eindrekening voor gezien heeft getekend en dat diens taak als bewindvoerder hiermee is beëindigd.
3.7. In 2014 zijn klaagster en de man van elkaar gescheiden. Op 6 februari 2014 hebben zij een overeenkomst gesloten waarin zij de gevolgen van hun echtscheiding hebben geregeld. Dit convenant, dat mede is ondertekend door betrokkene en [B], luidt als volgt (hierin zijn klaagster als [voornaamX] en de man als [voornaamC] vermeld):
“(…).
-[voornaamC] en [voornaamX] willen hetgeen zij bezitten met elkaar verdelen half om half, zonder inachtneming van de uitsluitingsclausule als door [voornaamC]'s ouders in hun testament is bepaald, met dien verstande en in zoverre dat de uitkomst wordt dat [voornaamC] en [voornaamX] geen schuld aan elkaar zullen overhouden. Zij zijn zich bewust dat een en ander een schenking inhoudt van [voornaamC] aan [voornaamX], waarvoor aangifte schenkbelasting zal worden gedaan;
-de heer [Y] is executeur-testamentair in de nalatenschap van mevr. (…); en hij is ook bewindvoerder; dit zal vooraf op de wettelijke wijze afgewikkeld worden door hem in
samenwerking met de heer [B];
-de heren [Y] en [B] zullen samen en worden voor zoveel nader nodig samen gemachtigd tot verrichten al hetgeen in verband met het vorenstaande nodig of wenselijk is, waaronder mogelijkerwijs mede: het handelen voor wat betreft het aandelenbelang in genoemde BV, en het verzorgen van aangiften vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en schenkbelasting, over de hier relevante jaren; met rapportage er van aan [voornaamC] en [voornaamX]. Zij nemen als gemachtigden de tenuitvoerlegging van de verplichtingen voor hen uit hoofde van deze overeenkomst tussen [voornaamC] en [voornaamX] op zich, ten bewijze waarvan zij deze overeenkomst mede ondertekenen;
-mocht er bij [voornaamC] en [voornaamX] enigerlei vraag, welke ook, nader opkomen, niet in het vorenstaande voorzien, dan zullen [voornaamC] en [voornaamX] die voorleggen aan de heren [Y] en [B] tezamen, welken te goeder trouw en in het belang van [voornaamC] en [voornaamX] tezamen, hierover samen bindend uitspraak zullen doen;
(…)”.
3.8. Nadat klaagster meerdere keren bij betrokkene had geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het convenant, en vergeefs had aangemaand om tot afwikkeling te komen, is zij een procedure tegen betrokkene (in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster) gestart waarin zij afgifte heeft gevorderd van (kopieën van), onder andere, de verantwoording van de afwikkeling van de nalatenschap, daaronder begrepen bescheiden die de hoogte van de nalatenschap in depot aantonen en onderbouwen. In die procedure heeft betrokkene een rekening en verantwoording (versie 30 januari 2023) overgelegd (zonder die onderbouwende stukken).
Bij vonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, voor zover hier van belang, klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, omdat – kort samengevat – niet langer sprake is van een executele van betrokkene.[2]
3.9. Klaagster heeft vervolgens de onderhavige klacht tegen betrokkene ingediend.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klaagster verwijt betrokkene, zoals blijkt uit het (aanvullend) klaagschrift en zoals door betrokkene opgevat, “dat hij zijn werkzaamheden niet correct volgens convenant heeft uitgevoerd. Ondanks de toezeggingen dat hij verantwoording zou afleggen aan professor [B], [C] en aan mij”.
Ter zitting heeft klaagster nog aangevoerd dat betrokkene vanwege het uitblijven en de manier van communicatie niet-professioneel is geweest en dat betrokkene door aanvaarding van de opdracht niet integer en niet objectief heeft gehandeld.
5. De beoordeling
5.1. Klaagster heeft ter zitting aangevoerd dat betrokkene (ook) in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit en objectiviteit.[3] Deze klachtonderdelen en de daarvoor aanvullend aangevoerde feitelijke grondslag moeten worden aangemerkt als een te late en daarmee ontoelaatbare aanvulling van de klacht. Betrokkene is hierdoor in zijn verdedigingsbelang geschaad en de uitbreiding is daarom in strijd met de goede procesorde. De klacht zal in zoverre buiten behandeling blijven en niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.2. Blijkens het door klaagster ingevulde klachtenformulier hebben de gedragingen waarop de klacht betrekking heeft, in 2022 plaatsgevonden. Eventuele klachtonderdelen over het aangaan van de opdracht op 6 februari 2014 zijn verjaard.
5.3. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
5.4. Klaagster en de man hebben op 6 februari 2014 met het convenant aan betrokkene (en [B]) opdracht verstrekt tot het vaststellen en verdelen van de tussen de man en klaagster te ontbinden huwelijksgoederengemeenschap, in welk verband klaagster en de man betrokkene (en [B]) ook hebben gemachtigd 'al dat wat nodig is' te regelen. Partijen hebben bevestigd dat het convenant deel is gaan uitmaken van de later in 2014 gegeven echtscheidingsbeschikking.
5.5. Klaagster heeft haar klacht ter zitting aldus toegelicht dat betrokkene, ondanks herhaalde verzoeken, zijn opdracht nog steeds niet heeft uitgevoerd. Volgens klaagster heeft betrokkene pas in het kader van de procedure die tot het vonnis van 5 juni 2024 heeft geleid, voor het eerst (dus ruim tien jaar na het aanvaarden van de opdracht) een summier overzicht met als titel “Erven [naam erflaatster]” en ondertitel “ Rekening en verantwoording” overgelegd. Klaagster stelt dat dit overzicht onvolledig en onjuist is en geen voltooiing van de opdracht. Enkel omdat klaagster de hiervoor bedoelde procedure is gestart, beschikt zij over het document waarmee 'rekenschap' zou zijn afgelegd. Het had echter in het kader van de overeenkomst van opdracht op de weg van betrokkene gelegen die informatie uit eigen beweging al veel eerder met klaagster te delen en daarbij ook verantwoording over de afwikkeling van de nalatenschap af te leggen, zodat dat onderdeel van het totale te verdelen vermogen kon worden vastgesteld. Omdat betrokkene nog altijd de opdracht niet heeft uitgevoerd, handelt hij in strijd met het in artikel 2 sub d van de VGBA neergelegde beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, aldus klaagster.
5.6. Betrokkene voert als verweer dat klaagster vanaf het begin geen vertrouwen had in zijn functioneren. Volgens betrokkene heeft hij meerdere keren gepoogd om samen met [B] tot een afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap te komen, maar heeft klaagster gekozen voor de ramkoers. Betrokkene stelt dat er geen opdracht is maar mogelijk wel een inspanningsverbintenis op basis van het convenant. Als er wel een opdracht is geweest, dan is die er met het buitenspel zetten van [B] door klaagster in 2022 niet meer, aldus betrokkene. Daarbij wijst betrokkene erop dat hij bij e-mail van 9 januari 2025 heeft aangeboden om onder voorwaarden (alsnog) aan de wens van klaagster te voldoen. Omdat klaagster dit aanbod heeft afgewezen, verzoekt betrokkene om klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk te verklaren.
5.7. De Accountantskamer overweegt dat het in 3.7. bedoelde convenant een meerpartijenovereenkomst is, waarin klaagster en de man onder andere aan betrokkene (en [B]) opdracht hebben verstrekt tot tenuitvoerlegging van de daarin gemaakte afspraken over de vaststelling en verdeling van de (toen nog te ontbinden) huwelijksgoederengemeenschap tussen klaagster en de man, waarvan de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster onderdeel was. Met de medeondertekening van het convenant heeft betrokkene de opdracht aanvaard. Dat slechts sprake zou zijn van een inspanningsverbintenis, kan de Accountantskamer dan ook niet volgen. Behalve opdrachtnemer onder het convenant, was betrokkene tevens bewindvoerder van erflaatster, opvolgend executeur in haar nalatenschap en bewindvoerder van de kinderen van klaagster en de man.
Betrokkene heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de overeenkomst door hem en/of door klaagster aan hem is opgezegd, of anderszins dat en hoe deze is geëindigd. Weliswaar is uit de gedingstukken af te leiden dat klaagster op enig moment – volgens betrokkene: in het derde kwartaal van 2022 – aan [B] heeft medegedeeld dat zij van zijn diensten geen gebruik meer wilde maken, maar daaruit kon betrokkene niet zonder meer de conclusie trekken dat de opdracht (ook) te zijnen aanzien was beëindigd. En als betrokkene dat al meende, of meende dat de gang van zaken hem er aanspraak op gaf om zijnerzijds de opdracht te beëindigen, dan had het tenminste op zijn weg gelegen om daarover duidelijk te communiceren met de (overige) partijen bij de overeenkomst, maar dat heeft hij niet gedaan. Overigens schreef betrokkene in zijn e-mail van 30 november 2022 aan mr. [D][4] nog dat hij samen met [B] zou gaan afwikkelen en ook in zijn e-mail van 10 februari 2023 aan [B][5] ging hij daarvan uit en vroeg hij om (her)bevestiging daarvan.
5.8. Niet ter discussie staat dat de aan betrokkene opgedragen werkzaamheden een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de VGBA betreffen.[6] Dit betekent dat betrokkene bij de uitvoering van de opdracht zich moest houden aan de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel 2 van de VGBA.
5.9. Van een accountant die een opdracht heeft aanvaard mag worden verwacht dat hij voldoende voortvarend te werk gaat. Dit volgt uit artikel 13 lid 2 van de VGBA, waarin is bepaald dat een accountant een professionele dienst nauwgezet, grondig en tijdig uitvoert. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene ruim twaalf jaar na de verstrekking van de opdracht nog altijd niet de omvang van de tussen klaagster en de man ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft vastgesteld, laat staan de verdeling daarvan heeft bewerkstelligd. Uit het dossier blijkt dat klaagster hem in elk geval vanaf 11 juli 2022 daartoe heeft aangespoord, maar vergeefs. Het had op de weg van betrokkene gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat het (verder) uitblijven van zijn prestatie niet aan hem te verwijten is, bijvoorbeeld door omstandigheden buiten zijn macht. Betrokkene heeft dat niet gedaan. De Accountantskamer is daarom van oordeel dat betrokkene, door niet voldoende voortvarend te werk te gaan, gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
5.10. De Accountantskamer overweegt verder dat van een accountant mag worden verwacht dat met voldoende voortvarendheid wordt gereageerd op vragen die aan hem worden gesteld. Uit de door klaagster overgelegde correspondentie blijkt dat betrokkene vaak langdurig niet (of in ieder geval niet afdoende) heeft gereageerd op inhoudelijke en herhaalde vragen die klaagster of haar advocaat hem met betrekking tot de door hem te verrichten werkzaamheden heeft gesteld. Het lag op de weg van betrokkene om feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat hij wel degelijk voldoende voortvarend heeft gereageerd dan wel waaruit volgt dat hem van het niet reageren geen verwijt kan worden gemaakt. Dat heeft betrokkene niet gedaan. Naar het oordeel van de Accountantskamer is hier sprake geweest van een patroon van niet tijdig en niet (voldoende) inhoudelijk reageren op inhoudelijke vragen die hem door een klant zijn gesteld. Met dit alles heeft betrokkene in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld. Als betrokkene het op enig moment, om welke reden dan ook, niet meer mogelijk of wenselijk achtte om de overeengekomen werkzaamheden te voltooien, dan had hij daarover duidelijkheid moeten verschaffen. Ook dat heeft betrokkene echter (steeds) niet gedaan.
5.11. Betrokkene heeft ook nog aangevoerd dat hij betaald wilde worden voor zijn werkzaamheden en dat klaagster weigerde te betalen, maar ook op dat punt is niet gebleken van duidelijke communicatie van zijn zijde richting klaagster of van een verzuim aan de zijde van klaagster.
5.12. Betrokkene heeft door de overeengekomen werkzaamheden niet tijdig te verrichten en door niet met voldoende voortvarendheid te reageren op inhoudelijke vragen die hem zijn gesteld, gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De klacht is in zoverre gegrond.
6. De maatregel
6.1. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van waarschuwing is passend en geboden. Daartoe overweegt de Accountantskamer als volgt.
6.2. Uit de door partijen overgelegde correspondentie blijkt dat klaagster zich vanaf 11 juli 2022 heeft beklaagd over de trage afwikkeling van het te verdelen vermogen en dat zij eind 2022/begin 2023 betrokkene (in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster) in rechte heeft betrokken. Waarom het niet eerder tot een financiële afwikkeling heeft kunnen komen, heeft betrokkene niet duidelijk kunnen maken. Wel staat vast dat betrokkene niet voortvarend te werk is gegaan (zie 5.9) en dat hij niet adequaat op vragen van klaagster heeft gereageerd (zie 5.10). Nadat de rechtbank op 5 juni 2024 uitspraak had gedaan, heeft betrokkene getracht om samen met [B] (alsnog) tot een definitieve financiële afwikkeling en verdeling te komen. Dit blijkt onder meer uit de e-mail van betrokkene van 7 januari 2025 aan [B]. Ook na de zitting heeft betrokkene zich hiervoor ingespannen. Gelet op de aard en ernst van de normschending, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de gedraging plaatsvond, de gevolgen van de gedraging en de persoon van betrokkene (geen tuchtrechtelijk verleden), acht de Accountantskamer in dit geval de maatregel van waarschuwing passend, die als een zakelijke terechtwijzing kan worden beschouwd.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk, voor zover deze betrekking heeft op de eerst ter zitting gestelde schending van de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit en objectiviteit en de daarvoor aanvullend aangevoerde feitelijke grondslag;
- verklaart de klacht voor het overige gegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
- verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.
Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. J.E. Brink-van der Meer en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en mr. drs. J.B. Backhuijs RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.
U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.
Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Zaaknummer: 431217 BM VERZ 10-192
[2] Zaaknummer: C/16/556649 / HA ZA 23-347.
[3] Zie randnummers 15 t/m 24 van de pleitnota van klaagster.
[4] Aanvullend klaagschrift, productie 4.
[5] Klaagschrift, productie 4.
[6] Professionele dienst: werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend.