We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TACAKN:2026:67 Accountantskamer Zwolle 25/3427 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:67
Datum uitspraak: 20-07-2026
Datum publicatie: 20-07-2026
Zaaknummer(s): 25/3427 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht. Betrokkene krijgt de maatregel van berisping opgelegd. Klaagster verwijt betrokkene dat hij zonder haar toestemming haar aangifte inkomstenbelasting 2024 bij de belastingdienst heeft ingediend en haar daarvan niet op de hoogte heeft gesteld. Volgens klaagster is de aangifte ook onjuist en heeft betrokkene opzettelijk informatie voor klaagster achtergehouden. Voorts verwijt klaagster betrokkene dat hij in een gesprek haar zorgen over de gang van zaken heeft genegeerd. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene op meerdere momenten het fundamentele beginstel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Hij heeft de aangifte inkomstenbelasting van klaagster zonder haar toestemming ingediend en klaagster daarvan niet op de hoogte gesteld. Betrokkene heeft ook niet adequaat gereageerd op klaagsters zorgen over de verwerking van de afspraken uit het echtscheidingsconvenant.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 20 juli 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 27 november 2025 ontvangen klacht met nummer 25/3427 Wtra AK van

X

wonende te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaat: mr. M.R.M. Schaap te Groningen

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de e-mail van klaagster van 24 april 2026 met bijlagen, waaronder een drietal geluidsfragmenten
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen
  • de op de zitting door betrokkene overgelegde kopie van de op 11 juni 2025 door hem ingediende aangifte inkomstenbelasting.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 18 mei 2026. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Betrokkene is eveneens verschenen.   

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1          Klaagster verwijt betrokkene dat hij zonder haar toestemming haar aangifte inkomstenbelasting 2024 bij de belastingdienst heeft ingediend en haar daarvan niet op de hoogte heeft gesteld. Volgens klaagster is de aangifte ook onjuist en heeft betrokkene opzettelijk informatie voor klaagster achtergehouden. Voorts verwijt klaagster betrokkene dat hij in een gesprek haar zorgen over de gang van zaken heeft genegeerd.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2         De klacht is gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft op meerdere momenten het fundamentele beginstel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. Hij heeft de aangifte inkomstenbelasting van klaagster zonder haar toestemming ingediend en klaagster daarvan niet op de hoogte gesteld. Betrokkene heeft ook niet adequaat gereageerd op klaagsters zorgen over de verwerking van de afspraken uit het echtscheidingsconvenant. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 1996 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA en is als openbaar accountant werkzaam bij [accountantskantoor1] te [plaats2].

3.2.        Klaagster was ten tijde van de verweten gedragingen verwikkeld in een echtscheiding. De ex-echtgenoot van klaagster heeft betrokkene begin 2025 verzocht om de aangiften inkomstenbelasting 2024 van hemzelf en klaagster op te stellen, met inachtneming van het echtscheidingsconvenant. Klaagster en haar ex-echtgenoot waren over het gehele jaar 2024 gehuwd.

3.3.        Op verzoek van betrokkene heeft klaagster op 31 maart 2025 haar jaaropgave aan betrokkene doen toekomen. Tevens heeft klaagster daarbij de voor de aangifte inkomstenbelasting relevante afspraken uit het echtscheidingsconvenant uiteengezet. Die luiden dat partijen voor het jaar 2024:

  • hun aangifte ieder voor zich en voor zover nodig in onderling overleg, zullen (laten) verzorgen;
  • gezamenlijk opteren voor (fiscaal) ‘voljaarspartnerschap’;
  • zich verplichten om hun aangiften op relevante onderdelen met elkaar af te stemmen (bijvoorbeeld een onverdeelde woning).
  • het belastbaar inkomen (rentedeel) voor de echtelijke woning overeenkomstig de wijze van betaling aan ieder zullen toerekenen;
  • buiten de eigen woning geen overige gezamenlijke heffingen en grondslagen hebben in 2024.

3.4.        Betrokkene heeft de door hem voor klaagster opgestelde concept-aangifte inkomstenbelasting 2024 op 16 april 2025 aan haar toegezonden. Klaagster heeft op 23 april 2025 aan betrokkene laten weten dat zij niet akkoord is met deze concept-aangifte en heeft – onder verwijzing naar de afspraken in het convenant – betrokkene verzocht enkele wijzigingen aan te brengen. Klaagster heeft tevens verzocht om inzage in de gehele aangifte, dus ook het deel van haar ex-echtgenoot.

3.5.        Betrokkene heeft omstreeks begin juni 2025 contact gehad met een door klaagster ingeschakelde adviseur en heeft op 11 juni 2025 de aangifte inkomstenbelasting van klaagster en haar ex-echtgenoot bij de belastingdienst ingediend.

3.6.        Op 17 juli 2025 heeft op verzoek van klaagster een bespreking tussen haar en betrokkene plaatsgevonden over de gang van zaken met betrekking tot het opstellen en indienen van klaagsters aangifte. Betrokkene heeft tijdens dat gesprek een gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting 2024 voor klaagster ingediend en klaagster daarvan een afschrift overhandigd.

3.7.        Op 18 juli 2025 heeft klaagster per brief aan betrokkene aangekondigd een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie van de NBA op grond van het feit dat betrokkene:

  • zonder toestemming van klaagster of haar adviseur een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend en daarbij opzettelijk informatie heeft achtergehouden;
  • gemaakte afspraken uit het echtscheidingsconvenant heeft genegeerd.

3.8.        Klaagster stelt in haar brief ook dat de werkwijze en houding van betrokkene tijdens het gesprek van 17 juli 2025 haar vertrouwen heeft geschaad omdat betrokkene in plaats van openheid en verantwoordelijkheid te tonen, de indruk wekte haar zorgen bewust te negeren en af te doen als onbelangrijk.

Voorts heeft klaagster in haar brief vermeld:

“Echter dient er nog steeds een oplossing te komen omdat er op dit moment drie onjuiste aangiftes bij de Belastingdienst zijn ingediend door u. U heeft zonder de juiste afspraken uit het echtscheidingsconvenant te volgen een aangifte inkomstenbelasting 2024 van mij ingediend op 11 juni 2025. Vervolgens heeft u gisteren (17 juli jl.), opnieuw zonder mijn akkoord, een herziene aangifte namens mij ingediend die wederom onvolledig en onjuist blijkt te zijn. Tot slot is de aangifte die u namens [A] heeft ingediend - waarin ook mijn gegevens onterecht ten gunste van [A] zijn opgenomen - eveneens onjuist en tot op heden niet door u gecorrigeerd.

Ik heb daarom melding gemaakt bij de Belastingdienst en u bent hierover vrijdagochtend 18 juli jl. telefonisch benaderd door de Belastingdienst, met de mededeling dat beide aangiftes zowel voor [A] als mij opnieuw ingediend dienen te worden. Nogmaals verzoek ik u dringend om de herziene aangifte eerst met mij te delen, vóórdat u deze opnieuw verstuurt. U mag deze pas indienen bij de Belastingdienst nadat ik daar schriftelijk akkoord op heb gegeven.

Ik verzoek u bovendien om mij binnen 3 werkdagen, uiterlijk op 23 juli 2025, per e-mail (via [e-mailadres]) een herziene versie van de aangifte toe te sturen, zodat dit zo snel mogelijk gecorrigeerd kan worden bij de Belastingdienst.”

3.9.        Op 24 juli 2025 heeft betrokkene aan klaagster per e-mail het volgende bericht:

‘Goedemiddag [voornaam],

Hierbij doe ik je de aangifte inkomstenbelasting 2024 ter beoordeling toekomen waarbij sprake is van

•             Fiscaal partnerschap geheel 2024

•             leder doet afzonderlijk aangifte

Ik zou je willen vragen deze aangifte te beoordelen en mij hierover te berichten.

Nog even over vorige week:

Ik bied je bij deze mijn excuses aan voor mijn gedrag en houding tijdens het gesprek. Geen excuus, maar had om 9.00 een aansluitende bespreking die (ook) voor mij heel belangrijk was! Neemt echter niet weg dat ik meer verantwoordelijkheid had moeten tonen. Ik was me helaas ook niet bewust van de essentie voor jou voor wat betreft de uitwerking van de aangifte inkomstenbelasting met je ex-partner. Ik had de vermogensbestanddelen verdeeld tussen jullie beide zodat de eigen woning gezamenlijk onderdeel was van de aangifte. Bovendien was jouw heffingsvrij vermogen niet overgeheveld aan je ex-partner. Ik was in der veronderstelling dat jouw huidig adviseur mij een min of meer een akkoord had gegeven op de aangifte, maar bleek dus niet waar te zijn! Op basis van deze veronderstelling heb ik de aangifte ingediend bij de belastingdienst. De belastingdienst heeft me vrijdag 18 juli gebeld met het verzoek om alsnog een gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting 2024 in te dienen. Deze correctie heeft echter geen gevolgen voor de verwachte teruggaaf, deze blijft onveranderd € 89.

Ik zal de gecorrigeerde aangifte pas indienen na jouw akkoord.

Nogmaals betreur ik de gang van zaken en de rol die ik hierin heb gespeeld.”

3.10.      Op 24 juli 2025 heeft klaagster op het kantoor van de belastingdienst in Groningen met hulp van een medewerker van de belastingdienst haar (gewijzigde) aangifte inkomstenbelasting 2024 ingediend.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

1. Betrokkene heeft zonder toestemming van klaagster haar aangifte inkomstenbelasting 2024 bij de belastingdienst ingediend en heeft klaagster daarvan niet op de hoogte gesteld;

2. De door betrokkene ingediende aangifte inkomstenbelasting 2024 is onvolledig en bovendien onjuist omdat daarin de afspraken uit het echtscheidingsconvenant zijn genegeerd, ondanks dat klaagster betrokkene meerdere malen daarop heeft gewezen. Betrokkene heeft daarbij opzettelijk informatie voor klaagster achtergehouden;

3. Betrokkene heeft tijdens een gesprek met klaagster op 17 juli 2025 haar zorgen over de gang van zaken genegeerd en daarbij aangegeven dat hij heeft gehandeld op verzoek van haar ex-echtgenoot.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).  De door betrokkene verrichte werkzaamheden betreffen een zogenaamde ‘overige opdracht’, waarop geen Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) van toepassing zijn.

5.2.        Het is aan klaagster de verwijten die zij betrokkene maakt voldoende toe te lichten en te onderbouwen en bij gemotiveerd verweer aannemelijk te maken.

Klachtonderdeel 1: betrokkene heeft zonder toestemming van klaagster haar aangifte inkomstenbelasting 2024 bij de belastingdienst ingediend en heeft klaagster daarvan niet op de hoogte gesteld.

5.3.        Volgens klaagster heeft betrokkene op 11 juni 2025 de aangifte inkomstenbelasting 2024 van klaagster ingediend zonder haar toestemming en zonder dat zij deze aangifte volledig heeft kunnen inzien. Op 9 juli 2025 heeft betrokkene over de aangifte inkomstenbelasting

e-mailcontact gehad met een door klaagster ingeschakelde adviseur. Hierbij heeft hij wederom niet vermeld dat hij de aangifte reeds verzonden had op 11 juni 2025. Klaagster ontdekte dit pas op 16 juli 2025 nadat zij inlogde op Mijn Belastingdienst.

5.4.        Betrokkene stelt dat hij op 16 april 2025 aan klaagster haar concept-aangifte inkomstenbelasting 2024 heeft toegestuurd met de vraag of deze aangifte akkoord is. Daarop heeft zij hem laten weten niet akkoord te kunnen gaan met de aangifte. Op basis van die informatie heeft hij de aangifte inkomstenbelasting 2024 van klaagster en haar ex-echtgenoot opgesteld.

Op 20 mei 2025 informeerde klaagster naar de status, waarop betrokkene haar liet weten dat zij de aangifte nog diezelfde week zou ontvangen onder de voorwaarde dat de kosten van de aangifte worden gedeeld. Daarop heeft betrokkene geen reactie ontvangen. Eind mei 2025 heeft de adviseur van klaagster telefonisch overlegd met betrokkene, waarna betrokkene hem op 2 juni 2025 de door hem opgestelde concept-aangifte van klaagster ter beoordeling heeft gemaild. In de veronderstelling dat haar adviseur akkoord zou zijn met deze aangifte heeft betrokkene de aangifte van klaagster, na goedkeuring door haar ex-echtgenoot, op 11 juni 2025 verzonden naar de belastingdienst. Ter zitting heeft betrokkene erkend dat het beter was geweest als hij bij klaagster of haar adviseur had geverifieerd of de aangifte akkoord was.

5.5.        De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene de aangifte inkomstenbelasting van klaagster zonder haar toestemming heeft ingediend bij de belastingdienst. Betrokkene heeft klaagster of haar adviseur daarvan niet op de hoogte gesteld en heeft de op 11 juni 2025 ingediende aangifte ook niet aan hen toegezonden. Daarmee heeft betrokkene onzorgvuldig gehandeld. Van betrokkene mag worden verwacht dat hij zich voorafgaand aan het indienen van een aangifte ervan vergewist dat een belastingplichtige, voor wie hij een aangifte inkomstenbelasting indient, met deze aangifte instemt. In de onderhavige situatie was extra zorgvuldigheid geboden, omdat klaagster en haar ex-echtgenoot inmiddels waren gescheiden en klaagster eerder had aangegeven niet akkoord te zijn met de door betrokkene opgestelde concept-aangifte. 

5.6.        Het klachtonderdeel is gegrond. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Klachtonderdeel 2: de door betrokkene ingediende aangifte inkomstenbelasting 2024 is onvolledig en bovendien onjuist omdat daarin de afspraken uit het echtscheidingsconvenant zijn genegeerd, ondanks dat klaagster betrokkene meerdere malen daarop heeft gewezen. Betrokkene heeft daarbij opzettelijk informatie voor klaagster achtergehouden.

5.7.        Uit het klaagschrift is op te maken dat dit klachtonderdeel ziet op de op 11 juni 2025 door betrokkene ingediende aangifte inkomstenbelasting. Klaagster heeft dat desgevraagd op de zitting bevestigd. Volgens klaagster is in het echtscheidingsconvenant afgesproken dat zij en haar ex-echtgenoot voor het jaar 2024 fiscale partners zijn en dat zij buiten de eigen woning geen andere gemeenschappelijke grondslagen en heffingen hebben. Naar stelling van klaagster impliceert dit dat, hoewel alle bezittingen in Box 3 aan haar ex-echtgenoot zijn toegerekend, deze geen gebruik mag maken van het heffingsvrije vermogen van klaagster. Volgens klaagster is dit echter niet als zodanig verwerkt in de aangifte. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij niet beschikt over de aangifte van haar ex-echtgenoot, omdat betrokkene deze niet aan haar heeft verstrekt en deze ook niet voorafgaand aan de zitting heeft overgelegd.

5.8.        Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat in overeenstemming met het echtscheidingsconvenant in de aangifte van 11 juni 2025 de grondslag sparen en beleggen bij de ex-echtgenoot van klaagster is opgenomen, dat daarbij alleen het individuele heffingsvrije vermogen van de ex-echtgenoot van € 57.000 is toegepast en dat de ex-echtgenoot dus geen gebruik heeft gemaakt van het heffingsvrije vermogen van klaagster (in lijn met zijn e-mail van 24 juli 2025 ‘Bovendien was jouw heffingsvrij vermogen niet overgeheveld aan je ex-partner.’, vlg. hiervoor, 3.9). Daarna heeft betrokkene op verzoek van de Accountantskamer deze aangifte ter zitting alsnog overgelegd. Daaruit blijkt echter – anders dan betrokkene heeft gesteld – dat rekening is gehouden met een heffingsvrij vermogen van € 114.000. Betrokkene heeft desgevraagd erkend dat zijn eerdere bewering niet juist is en dat de ex-echtgenoot wel gebruik heeft gemaakt van het heffingsvrije vermogen van klaagster, dat wil zeggen het aandeel van klaagster in het gezamenlijke heffingsvrije vermogen.

5.9.        Voor de beoordeling van de vraag of de aangifte onjuist is, is niet alleen het echtscheidingsconvenant van belang maar ook hoe dit zich verhoudt tot de relevante fiscale wetgeving. De Accountantskamer heeft klaagster voorgehouden dat het bepaalde in het  echtscheidingsconvenant, en zeker de uitleg die klaagster daaraan geeft, geen steun vindt in de fiscale regelgeving zoals vastgelegd in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Artikel 5.2 Wet IB bepaalt dat bij fiscaal partnerschap aangifte wordt gedaan van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, die gelijk is aan de gezamenlijke rendementsgrondslag verminderd met het gezamenlijke heffingsvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner. De door klaagster verlangde uitwerking in de aangifte, inhoudende dat het door haar niet benutte deel van het totale heffingsvrije vermogen niet door haar ex-echtgenoot mag worden benut, is eenvoudigweg niet mogelijk. Klaagster heeft ter zitting erkend dat deze constatering juist is en dat zij bij haar bezoek aan de belastingdienst ook door de belastingdienst daarop is gewezen.

5.10.      Uit de door betrokkene ter zitting overgelegde concept-aangifte van 2 juni 2025 (die hij op 11 juni aldus heeft ingediend, vlg. hiervoor, 5.4) blijkt dat klaagster en haar ex-echtgenoot in overeenstemming met het echtscheidingsconvenant (passend binnen de mogelijkheden van de Wet IB) als fiscale partners zijn aangemerkt. Ook blijkt dat het gezamenlijke heffingsvrije vermogen van klaagster en haar ex-echtgenoot in overeenstemming met de geldende fiscale wetgeving in mindering is gebracht op de gezamenlijke rendementsgrondslag. De daaruit resulterende grondslag sparen en beleggen is geheel toegerekend aan de ex-echtgenoot van klaagster. Deze aangifte verschilt op dit punt niet van de volgens klaagster door haarzelf nadien met hulp van de belastingdienst ingediende aangifte, die volgens haar juist is. De klacht dat betrokkene de afspraken uit het echtscheidingsconvenant zoals klaagster die uitlegde ten onrechte heeft genegeerd is dan ook ongegrond, reeds omdat die afspraken – aldus uitgelegd –fiscaal onuitvoerbaar waren. Klaagster heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene opzettelijk informatie voor haar heeft achtergehouden. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3: betrokkene heeft tijdens een gesprek met klaagster op 17 juli 2025 haar zorgen over de gang van zaken genegeerd en daarbij aangegeven dat hij heeft gehandeld op verzoek van haar ex-echtgenoot.

5.11.      Klaagster stelt ter toelichting van dit klachtonderdeel dat zij zich niet kon vinden in de werkwijze van betrokkene en geen goed gevoel had bij de gang van zaken. Daarom heeft klaagster een afspraak met betrokkene op zijn kantoor gepland op 17 juli 2025. De werkwijze en manier van communiceren van betrokkene tijdens dat gesprek hebben het vertrouwen van klaagster geschaad. In plaats van openheid en verantwoordelijkheid te tonen, wekte hij volgens klaagster de indruk haar zorgen bewust te negeren en af te doen als onbelangrijk, terwijl het volgens klaagster zijn fouten zijn die hieraan ten grondslag liggen. Betrokkene gaf tijdens het gesprek aan dat het niet zijn probleem was en dat hij op deze manier heeft gehandeld omdat dit moest van klaagsters ex-echtgenoot. Betrokkene heeft tijdens het gesprek een gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting 2024 voor klaagster opgesteld en ingediend bij de belastingdienst en klaagster daarvan een afschrift verstrekt. Klaagster heeft een drietal geluidsopnamen verstrekt van het gesprek, en transcripties daarvan.

5.12.      Betrokkene heeft bevestigd dat klaagster op 7 juli 2025 een afspraak heeft gemaakt voor een bespreking met betrokkene op diens kantoor op 17 juli 2025. De reden en agenda van deze afspraak waren betrokkene niet door zijn secretaresse meegedeeld. Betrokkene stelt de bespreking met klaagster als uitermate onprettig en zelfs intimiderend te hebben ervaren. Betrokkene heeft de bespreking afgebroken. Klaagster weigerde daarop zijn spreekkamer te verlaten en heeft na tussenkomst van een collega uiteindelijk het pand verlaten. De volgende dag heeft betrokkene in een e-mailbericht aan klaagster zijn excuses aangeboden voor de abrupte beëindiging van het gesprek. Betrokkene is tot het inzicht gekomen dat hij wellicht de bespreking op een andere, professionele manier, had moeten beëindigen. Ter zitting heeft betrokkene uitgelegd dat hij onder tijdsdruk stond omdat de volgende afspraak al op hem stond te wachten en de spreekkamer moest worden vrijgemaakt.

5.13.      De Accountantskamer overweegt het volgende. Betrokkene heeft niet bestreden dat het door klaagster overgelegde transcript van de geluidsopname het gesprek correct weergeeft. Uit het transcript blijkt dat klaagster betrokkene heeft gevraagd om tekst en uitleg over het indienen van de aangifte zonder de goedkeuring van haarzelf of haar adviseur. Betrokkene heeft klaagster daarover in het gesprek geen opheldering gegeven. Hij heeft inderdaad aan klaagster verteld dat hij de aangifte heeft ingediend na goedkeuring door haar ex-echtgenoot en, naar hij zei te hebben begrepen, goedkeuring door haar adviseur. Hij heeft naar het oordeel van de Accountantskamer geen begrip getoond voor de zorgen van klaagster daarover. Daarnaast heeft klaagster betrokkene verzocht om duidelijkheid te geven over de vraag of het heffingsvrij vermogen in overeenstemming met het echtscheidingsconvenant is verwerkt. Ook daarover is betrokkene niet duidelijk geweest naar klaagster. Het had op de weg van betrokkene gelegen om aan klaagster ten minste uit te leggen dat de door haar verlangde wijze van verwerken op grond van de fiscale wetgeving niet mogelijk was. In plaats daarvan heeft betrokkene tijdens het gesprek een gecorrigeerde aangifte voor klaagster gemaakt waarin – in afwijking van het echtscheidingsconvenant, en in strijd met de wet (artikel 5a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)) – geen sprake is van fiscaal partnerschap. Betrokkene heeft deze aangifte direct ingediend bij de belastingdienst.

5.14.      Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat hij de volgende dag zijn excuses heeft aangeboden voor de abrupte beëindiging van het gesprek stelt de Accountantskamer vast dat dit niet strookt met de feiten zoals die aan de Accountantskamer bekend zijn geworden. Het is klaagster geweest die de dag na het gesprek per e-mail en per aangetekende brief van 18 juli 2025 zich bij betrokkene heeft beklaagd over zijn houding en werkwijze tijdens het gesprek en aan betrokkene heeft laten weten een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie van de NBA. Betrokkene heeft vervolgens (pas) op 24 juli 2025 per e-mail zijn excuses aan klaagster aangeboden.

5.15       De Accountantskamer komt tot de slotsom dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.  Dat betrokkene onder tijdsdruk stond en zich overvallen voelde door de indringende vragen van klaagster maakt dat niet anders. Ook in die situatie wordt van een accountant verwacht dat hij zijn werkzaamheden nauwgezet en grondig uitvoert en de relevante wet- en regelgeving toepast en als dat op dat moment niet mogelijk is moet de accountant op een andere wijze  zorgen dat hij de fundamentele beginselen naleeft, bijvoorbeeld door een nieuw overleg te plannen.

5.16       Het klachtonderdeel is gegrond. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

5.15.      Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond zullen worden verklaard en klachtonderdeel 2 ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van berisping is passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer het volgende overwogen.

6.2         Betrokkene heeft op meerdere momenten tijdens deze opdracht het fundamentele beginsel vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

6.3          In het nadeel van betrokkene wordt meegewogen dat hij ter zitting aanvankelijk heeft volgehouden dat in de aangifte van de ex-echtgenoot geen gebruik is gemaakt van het heffingsvrije vermogen van klaagster, en pas na het op verzoek van de Accountantskamer overleggen van deze aangifte heeft erkend dat dit niet juist is en dat de ex-echtgenoot wel gebruik heeft gemaakt van (het aandeel van klaagster in het gezamenlijke) heffingsvrije vermogen.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr.dr. A.M. van Amsterdam en mr. G. Lycklama à Nijeholt (rechterlijke leden) en drs. E.R. van der Wösten RA en Th.A. Verkade RA  (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.