We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TACAKN:2026:66 Accountantskamer Zwolle 25/1879 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:66
Datum uitspraak: 10-07-2026
Datum publicatie: 10-07-2026
Zaaknummer(s): 25/1879 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met doorhaling
Inhoudsindicatie: Betrokkene was penningmeester van een stichting. Na zijn defungeren is de administratie van de stichting onderzocht. Daarbij is gebleken dat betrokkene ten laste van de stichting allerlei betalingen heeft gedaan die niet in verband staan met het doel van de stichting en waarvoor hij ook geen toestemming van het bestuur had. Het gaat onder meer om betalingen voor privé-uitgaven. De klacht is gegrond. Betrokkene wordt de maatregel van doorhaling voor de duur van vijf jaar opgelegd.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 10 juli 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 9 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1879 Wtra AK van

STICHTING X

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

gemachtigde: [A] AA

t e g e n

Y

voorheen accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. A.W. Hooijen te Blaricum

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting door partijen overgelegde pleitaantekeningen
  • het proces-verbaal van de zitting van 2 maart 2026
  • de brief met bijlagen namens klaagster van 9 maart 2026
  • de brief namens betrokkene van 7 april 2026
  • de e-mail van de Accountantskamer van 29 april 2026 aan de gemachtigde van betrokkene
  • de e-mail namens betrokkene van 12 mei 2026.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 2 maart 2026. Aan de kant van klaagster waren daarbij aanwezig haar secretaris mevrouw [B], haar adviseur de heer [C] en de gemachtigde [A]. Betrokkene en mr. Hooijen waren ook aanwezig. 

1.3.        De Accountantskamer heeft het onderzoek ter zitting aangehouden. Klaagster is in de gelegenheid gesteld een overzicht over te leggen, afkomstig van [bank1], met betrekking tot de mutaties op de bankrekening van klaagster in 2018 en 2019. Klaagster heeft vervolgens (onder meer) [bank1]-bankafschriften van klaagster met betrekking tot deze jaren overgelegd en een gecomprimeerd overzicht van ontvangsten en uitgaven in deze jaren. Betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

1.4.        De Accountantskamer heeft betrokkene vervolgens schriftelijk verzocht op te geven of hij nog steeds bestuurlijke functies vervult en zo ja, welke functies bij welke organisaties. Betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd. Daarbij is een verzoek van betrokkene aan de NBA gevoegd om hem per [datum] 2026 als accountant uit te schrijven.

2.             De uitspraak samengevat

Betrokkene was penningmeester van een stichting. Na zijn defungeren is de administratie van de stichting onderzocht. Daarbij is gebleken dat betrokkene ten laste van de stichting allerlei betalingen heeft gedaan die niet in verband staan met het doel van de stichting en waarvoor hij ook geen toestemming van het bestuur had. Het gaat onder meer om betalingen voor privé-uitgaven. De klacht is gegrond. Betrokkene wordt de maatregel van doorhaling voor de duur van vijf jaar opgelegd.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene stond sinds 1988 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Met ingang van [datum] 2026 is deze inschrijving op verzoek van betrokkene doorgehaald. Betrokkene was werkzaam bij [accountantskantoor1] en is momenteel verbonden aan [accountantsorganisatie2] en [accountantsorganisatie 3]. Beide accountantsorganisaties hebben een AFM-vergunning.

3.2.        Klaagster is een stichting die zich ten doel stelt een vast ontmoetingspunt te creëren en te onderhouden voor de [plaats1] kunst en de ontmoeting tussen kunstenaars en het publiek te bevorderen. Klaagster ontving (ook) in de jaren 2016-2022 subsidies van (onder meer) de gemeente [plaats1]. Aan deze subsidiënt moet verantwoording worden afgelegd van baten en lasten in enig jaar. Betrokkene stelde daartoe en voor het bestuur van klaagster overzichten op.

3.3.        Van 3 juni 2016 tot 1 december 2023 was betrokkene een van de vijf bestuursleden van klaagster. Hij vervulde de (onbezoldigde) functie van penningmeester. Betrokkene kon zelfstandig over de bankrekening van klaagster beschikken, verrichtte betalingen, hield de administratie bij en presenteerde jaarlijks aan het bestuur een overzicht bestaande uit het beginsaldo van de bankrekening, de inkomsten en uitgaven, en het eindsaldo van de bankrekening. Betrokkene was in het bezit van een bankpas van klaagster.

3.4.        Na het aftreden van betrokkene heeft klaagster een onderzoek naar de financiële administratie laten verrichten door [BV1]. (BV1). De gemachtigde van klaagster is aan [BV1] verbonden.

3.5.        Op 14 september 2024 is door [BV1] een rapport uitgebracht dat is omschreven als: “Rapport van feitelijke bevindingen 2e Versie” (het rapport). Volgens dit rapport heeft betrokkene in de periode 2014-2022 per saldo een bedrag van € 21.230,13 aan klaagster “zonder rechtmatigheid en doelmatigheid” onttrokken. Het onderzoek door [BV1] was gericht op de jaren 2016 tot en met 2022. Over de jaren 2014 en 2015 was het onderzoek beperkt.

3.6.        Op 19 september 2024 is door [BV1] een “concept-opstelling gemaakt van de balans met toelichting en vermogensverloop, de staat van baten en lasten en specificaties van de correcties over de jaren 2014 tot en met 2022” (de conceptopstelling). Hierin is aan de hand van de gegevens van de bank van klaagster (bank1) een opstelling gemaakt van uitgaven die volgens klaagster geen verband houden met haar activiteiten en privé-uitgaven van betrokkene zijn.  

  4.          De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klaagster verwijt betrokkene, kort weergegeven, het volgende:

1) betrokkene heeft geld van klaagster verduisterd;

2) de jaarlijkse overzichten heeft betrokkene niet conform de voorschriften opgesteld;

3) betrokkene heeft geen deugdelijke administratie gevoerd;

4) betrokkene heeft desgevraagd geen opheldering verschaft.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klaagster

5.2.        Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de VGBA niet van toepassing is op zijn werkzaamheden als penningmeester, omdat hij deze werkzaamheden op vrijwillige basis en onbezoldigd heeft uitgevoerd. Volgens betrokkene heeft hij geen professionele dienst verricht, omdat voor zijn werkzaamheden geen specifieke accountantsbekwaamheden noodzakelijk waren. Klaagster is daarom niet-ontvankelijk in haar klacht, aldus betrokkene.

5.3.        De Accountantskamer overweegt dat van een professionele dienst als accountant, zoals bedoeld in artikel 1 van de VGBA, sprake is als er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor vakbekwaamheid als accountant “wordt of kan worden aangewend”. Daarbij is niet van belang of een accountant daarvoor wordt betaald. Ook privé handelen, onbetaald vrijwilligerswerk of een vriendendienst kan een professionele dienst zijn[1]. Als sprake is van een professionele dienst dan zijn alle fundamentele beginselen genoemd in artikel 2 van de VGBA op de werkzaamheden van een accountant van toepassing. Als geen sprake is van een professionele dienst, dan moet een accountant zich nog steeds houden aan het fundamentele beginsel professionaliteit.

5.4.        Omdat betrokkene als penningmeester werkzaamheden van administratieve, financiële aard heeft verricht, heeft hij zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend dan wel kunnen aanwenden. Daarom moest hij zich daarbij aan de vijf in artikel 2 VGBA genoemde fundamentele beginselen houden.

Ten aanzien van het beroep op verjaring van het recht om te klagen

5.5.        Betrokkene heeft ook naar voren gebracht dat de klacht gedeeltelijk is verjaard, voor zover die betrekking heeft op zijn handelen in de periode tussen 3 juni 2016 en 1 januari 2019.

5.6.        De Accountantskamer overweegt het volgende. Met ingang van 1 januari 2019 geldt een klachttermijn van tien jaar na het moment van de verweten gedraging. Dat is bepaald in artikel 22 lid 1 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). Op grond van de overgangswetgeving (artikel 51 Wtra) wordt een klacht echter niet in behandeling genomen als de oude klachttermijn, die drie of zes jaar was, al vóór 1 januari 2019 was verstreken.

5.7.        Wat betreft de zesjaarstermijn moet worden beoordeeld of een verweten gedraging plaatsvond vóór 1 januari 2013. Over gedragingen van voor die datum kan na 1 januari 2019 niet meer worden geklaagd. Ten aanzien van de driejaarstermijn moet worden beoordeeld of klaagster vóór 1 januari 2016 zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat zij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de accountant kon baseren. Omdat de klacht ziet op het handelen van betrokkene vanaf 3 juni 2016 (de datum van aantreden als penningmeester), staat ook deze termijn niet aan de ontvankelijkheid in de weg.

5.8.        Gelet op het voorgaande is de overgangswetgeving niet van toepassing. Omdat nog geen tien jaren zijn verstreken sinds betrokkene is begonnen met zijn werkzaamheden als penningmeester van de stichting, was de termijn waarbinnen kon worden geklaagd op de datum van de indiening van de klacht (10 juli 2025) niet verstreken.

Ten aanzien van het beroep op décharge

5.9.        Betrokkene heeft aangevoerd dat de stichting hem niet mag aanspreken op zijn werkzaamheden als penningmeester, omdat hem door het bestuur décharge is verleend. Ook heeft hij erop gewezen dat in de klacht niet is ingegaan op de verantwoordelijkheden van de andere vier bestuurders. Het bestuur draagt volgens hem een collectieve verantwoordelijkheid voor de financiële administratie.

5.10.      De Accountantskamer overweegt dat de vraag of betrokkene ter zake van zijn beleid als penningmeester décharge is verleend en zo ja, of hij daarop een beroep kan doen, in de tuchtrechtelijke procedure niet van belang is. In deze procedure staat immers het handelen en nalaten van betrokkene als accountant centraal. Décharge kan mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten niet wegnemen.

Daarmee komt de Accountantskamer toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Klachtonderdeel 1: betrokkene heeft geld van klaagster verduisterd.

5.11.      Klachtonderdeel 1 is gegrond. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel integriteit geschonden omdat hij niet eerlijk en oprecht is geweest (artikel 6 VGBA). Ook heeft betrokkene het accountantsberoep in diskrediet gebracht wat in strijd is met het fundamentele beginsel professionaliteit (artikel 4 VGBA). De Accountantskamer baseert dit oordeel op het volgende, waarbij de Accountantskamer voor de goede orde opmerkt dat geen uitputtende opsomming van onrechtmatige betalingen ten laste van de bankrekening van klaagster wordt gegeven.  

5.12.      Betrokkene heeft erkend dat hij geld van klaagster heeft gebruikt om daarmee betalingen te doen die niet in verband staan met haar activiteiten, zoals uitgaven ter zake van kleding, sieraden, reizen en horeca, welke betalingen hij aan het bestuur niet als zodanig heeft gerapporteerd en waarvoor hij evenmin toestemming aan het bestuur heeft gevraagd, laat staan gekregen. Betrokkene heeft niet tegengesproken dat hij met geld van klaagster in 2018 een bedrag van in totaal € 26.087,00 aan privé-uitgaven heeft gefinancierd. In 2019 ging het om een bedrag van in totaal € 26.472,58. Uit de conceptopstelling van [BV1] van 19 september 2024 blijkt, dat betrokkene ook in andere jaren privé-uitgaven heeft gefinancierd met geld van klaagster.

5.13.      Naast deze privé-uitgaven heeft betrokkene eigenmachtig in 2019 in totaal

€ 100.350,00 van de bankrekening van klaagster naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. In hetzelfde jaar heeft betrokkene in totaal € 129.350,00 van zijn privébankrekening naar de bankrekening van klaagster overgemaakt.

5.14.      Betrokkene heeft geld van klaagster ook gebruikt om daarmee leningen te verstrekken. In 2019 is bijvoorbeeld € 40.000 aan een zakenrelatie van betrokkene geleend. Voor zover het bedrag van een geldlening niet was terugbetaald aan het einde van het boekjaar waarin de lening was verstrekt, verwerkte betrokkene de vordering uit hoofde van de geldlening per einde boekjaar als bankdeposito en dus niet als vordering op deze relatie, zo heeft betrokkene ter zitting verklaard. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene de geldlening aldus verhulde.

5.15.      Voorts was sprake van onrechtmatig betalingsverkeer met een vereniging waarvan betrokkene tot 11 november 2019 ook penningmeester was, welke vereniging (een ondernemersvereniging) overigens een ander doel heeft dan klaagster. Vooral in 2019 was sprake van omvangrijk betalingsverkeer tussen deze vereniging en klaagster. Door de vereniging is aan klaagster in dat jaar in totaal € 149.325,00 betaald en door klaagster is in hetzelfde jaar aan de vereniging in totaal € 126.765,00 betaald, aldus het door klaagster opgestelde, onweersproken gebleven gecomprimeerd overzicht van ontvangsten en uitgaven 2019.

5.16.      Naast de hiervoor genoemde betalingen hebben in de periode tot 2022 andere betalingen vanaf de bankrekening van klaagster plaatsgevonden, welke betalingen volgens klaagster niet het doel van de stichting dienden en zonder medeweten of instemming van de overige bestuursleden hebben plaatsgevonden. De Accountantskamer overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of de klacht gegrond is, het niet nodig is van al deze betalingen vast te stellen of die al dan niet onrechtmatig waren. Of betrokkene per saldo[2] nog een bedrag van

€ 21.320,13[3] aan klaagster is verschuldigd zoals zij stelt, is een vraag die bij de financiële afwikkeling tussen klaagster en betrokkene moet worden beantwoord, maar geen vraag die de Accountantskamer met het oog op de al dan niet gegrondheid van de klacht hoeft te beantwoorden. Betrokkene stelt dat klaagster niets meer van hem heeft te vorderen omdat hij alles aan haar heeft terugbetaald.

Klachtonderdeel 2: de jaarlijkse overzichten heeft betrokkene niet conform de voorschriften opgesteld.

Klachtonderdeel 3: betrokkene heeft geen deugdelijke administratie gevoerd.

5.17.      De Accountantskamer bespreekt de klachtonderdelen 2 en 3 vanwege hun samenhang gezamenlijk.

5.18.      De Accountantskamer overweegt dat klaagster geen onderneming drijft. Voor haar gelden geen specifieke wettelijke voorschriften voor de inrichting van haar balans en staat van baten en lasten, behoudens het bepaalde in artikel 2:10 BW. Het eerste lid van dit artikel bepaalt: “Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.” In het tweede lid staat kort gezegd dat het bestuur jaarlijks (en tijdig[4]) een balans en staat van baten lasten moet opstellen.

5.19.      Vaststaat dat betrokkene de door hem met geld van klaagster verstrekte geldlening aan een zakelijke relatie van hem in de administratie heeft verhuld (zie 5.15). De vordering op deze zakenrelatie had in de balans van klaagster immers als lening of als vordering opgenomen moeten worden. Ook staat vast dat betrokkene de privé-uitgaven en het betalingsverkeer met de vereniging niet steeds[5] transparant in de administratie, de balans en de staat van baten en lasten heeft verwerkt. Daaruit vloeit voort dat betrokkene, die binnen het bestuur met het voeren van de administratie en het opstellen van de balans en de staat van baten en lasten was belast, niet op zodanige wijze de administratie heeft gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van klaagster konden worden gekend. Artikel 2:10 lid 1 BW stelt deze eis aan de administratie van een rechtspersoon. Het was de taak van betrokkene als penningmeester en accountant de administratie correct te voeren en jaarlijks een correcte balans en staat van baten en lasten op te stellen.

5.20.      Beide klachtonderdelen zijn gegrond. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en vanwege het verhullen van de geldlening ook het fundamentele beginsel integriteit geschonden.

Klachtonderdeel 4: niet meewerken aan hoor en wederhoor

5.21.      De Accountantskamer overweegt dat betrokkene voor het eerst bij brief namens klaagster van 10 januari 2025 is geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek door [BV1]. Aan betrokkene is toen de conceptopstelling van [BV1] van 19 september 2024 toegestuurd. Daarin zijn onder meer de bankmutaties verwerkt die volgens klaagster niet rechtmatig en niet doelmatig zijn. Betrokkene is uitgenodigd om hierover op 7 februari 2025 door het bestuur van klaagster te worden gehoord.

5.22.      Wegens ziekte heeft betrokkene geen gehoor aan de uitnodiging gegeven. Hij heeft laten weten schriftelijk te zullen reageren. Betrokkene heeft via een brief van zijn gemachtigde van 28 februari 2025 op de brief van 10 januari 2025 gereageerd. Bij deze brief was als bijlage een reactie van betrokkene zelf op de brief van 10 januari 2025 gevoegd. Kort gezegd komt de reactie van betrokkene erop neer dat hij de aantijgingen afwijst. Betrokkene heeft geschreven dat hij niet meer over de administratie beschikt doordat zijn computer waarop de administratie van klaagster stond, is gecrasht[6]. Om de bevindingen van [BV1] te kunnen weerleggen, zo schrijft betrokkene, dient hij de beschikking te krijgen over de gegevens en de administratie waarop [BV1] haar rapport van 19 september 2024 heeft gebaseerd.    

5.23.      In de brief van de advocaat van betrokkene aan de advocaat van klaagster staat onder meer: “Hierbij verzoeken wij u dan ook ons deze documenten en stukken te doen toekomen zodat wij de bevindingen van [BV1] hieraan kunnen toetsen”. Met de documenten en stukken zijn blijkens de brief de “onderleggers” bedoeld, dat wil zeggen de documenten en stukken die [BV1] bij haar onderzoek heeft gebruikt. Na de ontvangst ervan stelt betrokkene zich beschikbaar voor overleg, aldus de brief.

5.24.      Vaststaat dat namens klaagster aan betrokkene (pas) na de indiening van de klacht een usb-stick met bestanden is toegestuurd. Daaruit kon betrokkene geen wijs worden, zo is namens hem ter zitting verklaard.

5.25.      De Accountantskamer neemt tot uitgangspunt dat een accountant tevens (gewezen) penningmeester bereid moet zijn verantwoording van zijn handelen en nalaten als penningmeester af te leggen als daarom binnen redelijke grenzen en binnen een redelijke termijn wordt gevraagd. Die bereidheid heeft betrokkene in de brief van zijn advocaat tot uitdrukking gebracht. Zijn verzoek in die brief om eerst de stukken en documenten waarop het rapport van [BV1] (de conceptopstelling) is gebaseerd te ontvangen, is naar het oordeel van de Accountantskamer in de gegeven omstandigheden, waarin betrokkene is beschuldigd van financiële onrechtmatigheden, begrijpelijk en gerechtvaardigd. Klaagster had betrokkene op tijd in het bezit moeten stellen van de bankmutaties waarop de conceptopstelling is gebaseerd, zodat betrokkene (mede) aan de hand daarvan verantwoording had kunnen afleggen. Het verwijt dat betrokkene geen opheldering heeft wíllen verschaffen mist daarom feitelijke grondslag. Klachtonderdeel 4 is daarom ongegrond.

Conclusie

5.26.      De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond worden verklaard en wat betreft klachtonderdeel 4 ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van doorhaling is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene over een langere periode in ernstige mate niet-integer is geweest en misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als accountant en penningmeester is gesteld. Dat vertrouwen was blijkbaar van dien aard dat geen, althans onvoldoende toezicht is gehouden op het handelen en nalaten van betrokkene als penningmeester. Betrokkene heeft de bankrekening van klaagster als was het zijn privébankrekening gebruikt en publieke middelen (subsidie) die aan klaagster ter beschikking waren gesteld, (mede) voor eigen nut gebruikt. Zijn handelwijze heeft het accountantsberoep ernstig in diskrediet gebracht, omdat een derde erop zal en moet kunnen vertrouwen dat een accountant tevens penningmeester zich zal onthouden van gedragingen zoals in deze zaak aan de orde. Hieraan doet niet af dat betrokkene stelt alles te hebben terugbetaald wat door hem onrechtmatig aan het vermogen van klaagster is onttrokken, omdat dat – indien juist – wel de financiële gevolgen van zijn gedragingen wegneemt, maar niet het kwalijke ervan. De Accountantskamer weegt mee dat betrokkene in de brief namens hem van 7 april 2026 zijn excuses heeft aangeboden voor zijn handelwijze, meer specifiek het doen van privébetalingen vanaf de bankrekening van klaagster. Op verzoek van betrokkene is zijn inschrijving in het accountantsregister met ingang van 1 juni 2026 doorgehaald en hij heeft desgevraagd laten weten geen bestuurlijke functies meer te vervullen. De Accountantskamer ziet daarom geen grond haar uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, nu het gevaar voor herhaling hierdoor is geweken.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

●             verklaart de klacht gegrond wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond en wat betreft klachtonderdeel 4 ongegrond;

●             legt aan betrokkene op de maatregel van doorhaling als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, te weten die van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;

●             bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op vijf jaar;

●             verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

●             verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. A.W.P. Esmeijer (rechterlijke leden) en drs. E.R. van der Wösten RA en drs. E. van Splunter RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.

U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.

Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Zie Toelichting VGBA paragraaf 4 Professionele Dienst, versie 2025. In eerdere versies van de VGBA stond een minder uitgebreide uitleg van het begrip professionele dienst bij de Toelichting op artikel 1 VGBA, maar die kwam wel op hetzelfde neer.

[2] Na verrekening van alle onrechtmatige betalingen vanaf de bankrekening van klaagster en terugbetalingen op de bankrekening van klaagster.

[3] Betrokkene was vanaf 3 juni 2016 penningmeester van klaagster, maar het rapport en de conceptopstelling van [BV1] gaan terug tot 2014. Voor de beoordeling van de klacht is echter niet relevant dat in het bedrag van € 21.320,13 dat betrokkene per saldo onrechtmatig zou hebben onttrokken ook de jaren 2014 en 2015 zijn begrepen.  

[4] Binnen zes maanden na afloop van het boekjaar.

[5] Sommige privé-uitgaven zijn volgens de conceptopstelling als zodanig in de administratie opgenomen.

[6] Ter zitting heeft betrokkene verklaard dat zijn computer besmet was met een virus.