ECLI:NL:TACAKN:2026:65 Accountantskamer Zwolle 25/2136 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:65 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/2136 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht; berisping. Betrokkene heeft geen vergelijkende cijfers opgenomen in de door hem samengestelde jaarrekening, terwijl hij wel de beschikking had over een aangifte Vennootschapsbelasting. Ook deze cijfers kunnen, onder voorwaarden en mogelijk na nadere bewerking, het inzicht van de gebruiker vergroten. Betrokkene had ze dan ook niet zonder meer achterwege mogen laten, zoals hij zelf ook heeft ingezien. Verder treft betrokkene het verwijt dat hij onvoldoende actief is opgetreden toen hem bekend werd dat financiële informatie, afkomstig van een medewerker van zijn kantoor, in een gerechtelijke procedure is gebruikt als accountantsverklaring. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 10 juli 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 5 augustus 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2136 Wtra AK van
1. X1
2. X2
beiden wonende in [plaats1]
3. X3
wonende in [plaats2]
K L A G E R S
gemachtigde: [A] te [plaats2]
t e g e n
Y
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats3]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen en de aanvulling daarop
- het verweerschrift met bijlagen
- de brief van klagers van 2 oktober 2025
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2026. Voor klagers is de gemachtigde, [A], verschenen. Betrokkene is in persoon verschenen, samen met [B].
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Betrokkene heeft de jaarrekening van [BV1] over 2023 samengesteld en voorzien van een samenstellingsverklaring. In die jaarrekening zijn geen vergelijkende cijfers over boekjaar 2022 opgenomen. Klagers zijn van mening dat de jaarrekening daarom niet juist is en dat betrokkene dus ten onrechte een samenstellingsverklaring heeft afgegeven.
2.2. Tijdens de uitvoering van de samenstellingsopdracht heeft een medewerker van betrokkene financiële informatie gedeeld met de opdrachtgever. Betrokkene was ermee bekend dat die financiële informatie was ingebracht in een juridische procedure als ‘accountantsverklaring’. Klagers zijn van mening dat betrokkene maatregelen had moeten treffen tegen het gebruik van deze informatie in de juridische procedure.
De beslissing van de Accountantskamer
2.3. De klacht is grotendeels gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel op van berisping.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats3].
3.2. [C] is via [BV2] directeur van [BV1]. [BV1] richt zich met haar onderneming op diverse activiteiten, waaronder [recruitmentbureau1]. Klagers waren als partners betrokken bij de exploitatie van [recruitmentbureau1].
3.3. Betrokkene had de opdracht de jaarrekeningen van [BV1] en [BV2] samen te stellen.
3.4. [D] is als relatiebeheerder verbonden aan [accountantskantoor1]. Hij heeft in een e-mailbericht van 23 april 2024 aan [C] het volgende geschreven:
Dag [voornaamC],
Zoals besproken heb ik het resultaat van [BV1] bepaald v a naf 1-5-2023 t/m 31-12-2023.
De omzet is alleen van [recruitmentbureau1] en is bepaald in onderling overleg met jou tijdens onze bespreking bij jouw op
locatie. Tevens is rekening gehouden met de correctie van [E].
De kosten heb ik bepaald door de cijfers uit de jaarrekening te verminderen met de mutaties uit Jortt van 1-1-2023 t/m 30-4-2023. Het kan natuurlijk dat na 1-5-2023 kosten zijn betaald welke toezien op de periode voor 1-5-2023 maar hier heb ik nu geen rekening mee gehouden, omdat dit niet heel snel inzichtelijk is en ik dan elke factuur moet beoordelen.
Het resultaat vanaf 1-5-2023 is een verlies van€ 165.902 voor belastingen. Over heel 2023 is er sprake van een
verlies van€ 123.184. Het verschil van € 42.718 wordt vooral veroorzaakt doordat jij in de maanden januari t/m april en omzet Rexec € 68.781 omzet zelfstandig hebt gemaakt. Daarnaast zijn er € 26.062 kosten verantwoord in de maanden januari t/m april.
Hopelijk ben je hiermee voldoende geïnformeerd.
3.5. Klagers zijn verwikkeld in een gerechtelijke procedure met [BV1]. Ter onderbouwing van het standpunt van [BV1] in die procedure heeft haar advocaat, mr. [F], het hiervoor genoemde e-mailbericht van [D] ingebracht. De procedure heeft geleid tot een tussenvonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2024, waarbij klagers in het ongelijk zijn gesteld. Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Den Haag.
3.6. Klagers hebben bij monde van hun gemachtigde, [A], betrokkene er telefonisch over geïnformeerd dat de e-mail van [D] was ingebracht in de juridische procedure. Daarop heeft betrokkene het volgende e-mailbericht aan mr. [F] verzonden:
Geachte heer [F], Beste [voornaamF],
Naar aanleiding van uw email van 11 september 15:49 u. voel ik mij genoodzaakt hier op te reageren. Ondanks dat u woensdag na onze uitleg toegaf iets te snel en wellicht wat stevig te hebben gereageerd.
U stelt in uw email dat wij een verklaring hebben afgegeven bij de cijfers. Uw en onze gezamenlijk cliënt refereren maar bijgevoegde email van 23 april 2024 van [D]. Hierbij heeft [voornaamD] toelichting op de cijfers welke hij heeft gebaseerd op de jaarrekening 2022 (jaarrekening 2023 moest nog opgesteld worden) en de mutaties uit de financiële administratie (Jorrt). Deze mailwisseling mag niet als een accountantsverklaring worden gezien maar betreft onderling mailverkeer over de cijfers waarop nog geen samenstelwerkzaamheden zijn verricht. Ik verwijs hierbij tevens naar de disclaimer onder de mail:
De informatie verzonden met dit e-mailbericht is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde[n] en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten, beschermd door een beroepsgeheim. Gebruik van deze informatie door anderen dan de geadresseerde[n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is verboden. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, en wordt u verzocht dit bericht terug te sturen en het origineel te vernietigen. Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld is op in dit bericht of in enige bijlage opgenomen verantwoording(en) door ons geen accountantscontrole toegepast.
[voornaamD] heeft geen accountantstitel en is het te kort door de bocht dat een accountant een verklaring heeft verstrekt.
U stelt dat wij nalaten om mee te werken aan het verstrekken van een accountantsverklaring. Wij hebben geen concrete opdracht gehad om een verklaring te verstrekken. Wij hebben de opdracht verkregen om een jaarrekening samen te stellen. Wij hebben de verklaring aangehouden omdat wij meer informatie wensten te ontvangen over de inhoudelijke discussie tussen [BV1]/[C] en [achternaamX1,X2]. Een accountant moet gebeurtenissen na balansdatum beoordelen om te bepalen of deze van invloed zijn op de jaarrekening en of er aanpassingen of toelichtingen nodig zijn. Op basis van informatie welke wij hebben ontvangen van de bestuurder en uw mail is een goede afwikkeling van de rechtszaak van belang omdat anders onze gezamenlijke cliënt grote schade zal oplopen. Wij moeten daarom vanuit onze wettelijke regels meer informatie over de omvang van een eventuele schade, hetgeen de tegenpartij claimt en wat de gevolgen zijn opvragen.
Dit gezegd hebbende willen wij in het belang van onze gezamenlijk cliënt wel meedenken en het maximaal mogelijke doen om ondersteuning te geven met toelichtingen en verklaringen voor zover deze binnen onze beroepsregels liggen en in dat kader verantwoord kunnen worden. Wij komen uiterlijk volgende week (aanstaande) maandag met een antwoord welke mogelijkheden dat zijn.
3.7. Betrokkene heeft op 25 september 2024 een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening 2023 van [BV1] afgegeven. In de jaarrekening zijn geen vergelijkende cijfers met voorgaand jaar opgenomen. De balans is opgesteld per 31 december 2023. Dat is als volgt in de jaarrekening toegelicht:
Vergelijking met voorgaand jaar
Er is geen vergelijking met voorgaand jaar aangezien er voorgaande jaren geen jaarrekeningen zijn samengesteld waarbij een samenstellingsverklaring is afgegeven.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klagers verwijten betrokkene het volgende:
1. In de jaarrekening 2023 van [BV1] zijn geen vergelijkende cijfers over het voorgaande boekjaar 2022 opgenomen. Daarom voldoet de jaarrekening niet aan Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en heeft betrokkene ten onrechte een samenstellingsverklaring afgegeven.
2. Het e-mailbericht van [D] van 23 april 2024 is (als ‘accountantsverklaring’) ingebracht in een juridische procedure. Betrokkene heeft ten onrechte nagelaten daartegen op te treden.
5. De beoordeling
5.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).
Opmerking vooraf.
5.2. Klagers richten in hun klaagschrift, los van de klachten, twee verzoeken aan de Accountantskamer. Ten eerste willen zij dat de Accountantskamer vaststelt dat de samenstellingsverklaring onterecht is afgegeven omdat de jaarrekening in strijd is met artikel 2:363 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten tweede willen zij dat de Accountantskamer vastlegt dat [accountantskantoor1] in toekomstige samenstellingsopdrachten moet voldoen aan de verplichte opname van vergelijkende cijfers. Als zodanig zijn dit verzoeken waaraan de Accountantskamer niet kan voldoen, want dat behoort niet tot haar wettelijke taak. Zij moet, aan de hand van een klaagschrift, beoordelen of een accountant al dan niet in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
Klachtonderdeel 1. In de jaarrekening 2023 van [BV1] zijn geen vergelijkende cijfers over het voorgaande boekjaar 2022 opgenomen. Daarom voldoet de jaarrekening niet aan Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en heeft betrokkene ten onrechte een samenstellingsverklaring afgegeven.
5.3. In artikel 2:363 lid 5 BW is het volgende bepaald:
‘Zoveel mogelijk wordt bij iedere post van de jaarrekening het bedrag van het voorafgaande boekjaar vermeld; voor zover nodig, wordt dit bedrag ter wille van de vergelijkbaarheid herzien en wordt de afwijking ten gevolge van de herziening toegelicht’.
5.4. Klagers zijn van mening dat betrokkene niet mocht volstaan met de toelichting in de jaarrekening dat er geen vergelijkende cijfers zijn opgenomen omdat in voorgaand boekjaar geen samenstellingsverklaring is afgegeven. Dat is onvoldoende reden om de verplichting uit artikel 2:363 lid 5 BW op te heffen. Het is voor de gebruikers van de jaarrekening essentieel dat de vergelijkende cijfers zijn opgenomen. Nu deze ontbreken, ook in de gedeponeerde jaarstukken, heeft betrokkene volgens klagers ten onrechte een samenstellingsverklaring afgegeven. Ook stellen klagers dat niet duidelijk is hoe de wel in de jaarrekening opgenomen cijfers over verslagjaar 2023 tot stand konden komen zonder cijfers van het voorgaande jaar.
5.5. Betrokkene heeft aangevoerd dat een samengestelde jaarrekening 2022, gedeponeerde cijfers en/of interne rapportages over 2022 ontbraken. [BV1] heeft wel een aangifte Vennootschapsbelasting (Vpb) aan betrokkene gegeven, maar deze is zonder begeleiding ingevuld door iemand met gebrekkige kennis van het boekhoudpakket Jortt. De cijfers uit 2022 zijn dus op geen enkele manier getoetst. Betrokkene vond het in die situatie beter om geen vergelijkende cijfers op te nemen. Dat was zijn interpretatie van de aanhef van artikel 2:363 lid 5 BW (‘Zoveel mogelijk’). Achteraf vindt betrokkene dat hij beter vergelijkende cijfers had kunnen opnemen met de toelichting dat deze ontleend waren aan de aangifte Vpb 2022 die door het bestuur van de vennootschap was ingediend bij de Belastingdienst. Betrokkene wijst er wel op dat hij niet verantwoordelijk is voor de gedeponeerde jaarstukken. Het tijdig en correct deponeren van de jaarstukken is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de vennootschap. Betrokkene stelt dat hij wel in staat is geweest om de balans per 1 januari 2023 te herleiden.
5.6. De Accountantskamer overweegt het volgende. Het zoveel mogelijk toevoegen van de vergelijkende cijfers vergroot het inzicht in de ontwikkeling van de financiële positie en de resultaten van de onderneming. Zonder vergelijkende cijfers kan de gebruiker van de jaarrekening niet beoordelen of de omzet stijgt of daalt, kosten zijn toe- of afgenomen, de solvabiliteit verbetert of verslechtert en of de liquiditeit verandert. Artikel 2:363 lid 5 BW bepaalt daarom expliciet dat de vergelijkende cijfers “zoveel mogelijk”moeten worden opgenomen. Alleen in situaties zoals het opstellen van de eerste jaarrekening van een onderneming, het ontbreken van betrouwbare cijfers uit het verleden of de overgang naar andere verslaggevingsstelsels mogen vergelijkende cijfers achterwege blijven of beperkt worden opgenomen, mits dit wordt toegelicht.
5.7. In dit geval beschikte de onderneming over jaarcijfers over boekjaar 2022 in de vorm van de aangifte Vpb. Ook deze cijfers kunnen, onder voorwaarden en mogelijk na nadere bewerking, het inzicht van de gebruiker vergroten. Betrokkene had ze dan ook niet zonder meer achterwege mogen laten, zoals hij zelf ook heeft ingezien. Betrokkene heeft daarom ten onrechte een samenstellingsverklaring afgegeven en daarmee in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld. Klachtonderdeel 1 is in zoverre gegrond.
5.8. Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat hij aan de hand van de kolommenbalans, informatie over debiteuren en crediteuren en met hulp van de bankafschriften in staat is geweest een balans per 1 januari 2023 op te stellen. Daarmee had betrokkene, zo stelt hij, in beginsel voldoende basis voor het samenstellen van de jaarrekening 2023 van [BV1]. Klagers hebben op deze toelichting niet meer gereageerd. Voor zover klagers bedoeld hebben te klagen dat betrokkene onvoldoende basis had voor het samenstellen van de jaarrekening, is de klacht onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel 2. Het e-mailbericht van [D] is als accountantsverklaring ingebracht in een juridische procedure. Betrokkene heeft ten onrechte nagelaten daartegen op te treden.
5.9. Eerder hebben klagers een tuchtklacht ingediend tegen [D]. De Accountantskamer heeft die klacht geregistreerd onder zaaknummer 25/2135 Wtra AK. Bij beslissing van de voorzitter van 26 september 2025 is de klacht niet-ontvankelijk verklaard, omdat [D] ten tijde van het verweten handelen nog niet stond ingeschreven in het accountantsregister. De Accountantskamer kon daarom geen klachten over zijn handelen of nalaten in behandeling nemen.
5.10. Klagers hebben bij brief, door de Accountantskamer ontvangen op 7 oktober 2025, aangekondigd dat zij de klacht tegen [D] willen voegen in de tuchtprocedure tegen betrokkene. Ter zitting is dat als volgt toegelicht.
5.10.1. Het e-mailbericht van [D] van 23 april 2024, dat is ingebracht in de civiele procedure, betreft geen accountantsverklaring in de zin van een controle-, beoordelings- of samenstellingsverklaring, althans een verklaring van een accountant. Het is een werkdocument, dat is opgesteld door een niet-accountant tijdens de samenstellingswerkzaamheden voor de jaarstukken van [BV1] waarin de door de opdrachtgever verstrekte informatie werd bevestigd. Desondanks werd dit in de civele procedure ingebracht als een verklaring van ‘de accountant’. Dit was aanleiding voor klagers om betrokkene begin september 2024 te informeren dat vertrouwelijke correspondentie tussen het accountantskantoor en de klant als accountantsverklaring was gepresenteerd in een rechtszaak.
5.10.2. Klagers gaan ervan uit dat betrokkene niet vooraf op de hoogte was van het gebruik van de e-mail van [D] door mr. [F] in de rechtszaak tegen klagers. Maar klagers nemen het betrokkene kwalijk dat hij heeft nagelaten maatregelen te nemen om het misbruik, toen hem daarvan bleek, te redresseren door bijvoorbeeld de overige belanghebbenden, waaronder de rechterlijke organisaties, te (laten) informeren dat de vertrouwelijke correspondentie niet moet worden gezien als een accountantsverklaring.
5.11. De Accountantskamer heeft voorgaande aangemerkt als een uitbreiding van de klacht ter zitting. Het is dus niet zo dat de Accountantskamer de onderhavige klacht gevoegd zal behandelen met de eerdere klacht tegen [D], zoals klagers hebben verzocht. Die klacht is immers al door de voorzitter afgedaan en daartegen zijn klagers niet in verzet gekomen. Betrokkene is er blijkens zijn spreekaantekeningen vanuit gegaan dat de tegen hemzelf gerichte klacht zich mede uitstrekt over het gewraakte e-mailbericht van [D] en het handelen/nalaten van betrokkene zelf naar aanleiding daarvan. Daarom heeft de Accountantskamer voorgaande uitbreiding van de klacht ter zitting toelaatbaar geacht.
5.12. Betrokkene heeft toegelicht dat hij naar aanleiding van een telefoongesprek met [A] op 11 september 2024 heeft geconcludeerd dat [C] het e-mailbericht van [D] zonder toestemming en voor andere doeleinden aan derden heeft verstrekt. In overleg met een jurist heeft betrokkene in zijn e-mailbericht van 13 september 2024 [C] en mr. [F] erover geïnformeerd dat het e-mailbericht van 23 april 2024 niet moet worden gezien als accountantsverklaring. Ook heeft betrokkene erop gewezen dat deze informatie niet gebruikt mag worden in het publieke domein, aldus betrokkene. Ondanks deze waarschuwing heeft mr. [F] het e-mailbericht, met verwijdering van de disclaimer dat de informatie vertrouwelijk is en dat geen accountantscontrole is toegepast, opnieuw ingebracht in de hogerberoepsprocedure. Dat is zonder medeweten van betrokkene gebeurd, zo stelt hij. Betrokkene meent dat hem niet tuchtrechtelijk kan worden verweten dat deze informatie, ondanks het dringende verzoek de betreffende mail niet te gebruiken in het publieke domein, toch als zodanig is gebruikt.
5.13. De Accountantskamer overweegt als volgt. Volgens artikel 9, lid 1, van de VGBA moet de accountant die betrokken is bij of in verband wordt gebracht met informatie die materieel onjuist, onvolledig of misleidend is, een maatregel nemen gericht op het wegnemen van de onjuistheid, onvolledigheid of misleiding (fundamentele beginsel van integriteit). Of hij voegt aan deze informatie een mededeling toe waarin deze de onjuistheid, onvolledigheid of misleiding aan de beoogde gebruikers van de informatie kenbaar maakt. Als de maatregel of mededeling, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is, distantieert de accountant zich van deze informatie, zo bepaalt lid 2. Artikel 10 VGBA voegt daaraan het volgende toe: als de betrokkenheid van de accountant bij bepaalde informatie door een ander onjuist wordt voorgesteld, treft de accountant een redelijkerwijs te nemen maatregel om aan de beoogde gebruikers van de informatie kenbaar te maken waaruit de betrokkenheid bij die informatie werkelijk bestaat.
5.14. Naar het oordeel van de Accountantskamer is aan het e-mailbericht van [D] een onjuiste dan wel misleidende lading gegeven door mr. [F], nu deze het heeft gepresenteerd als een accountantsverklaring. Betrokkene was met deze wijze van presentatie in een juridische procedure bekend geworden door het telefoongesprek met de gemachtigde van klagers op 11 september 2024. Het bericht is opgesteld door een medewerker waarvoor betrokkene de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt, zoals betrokkene zelf ook erkent, nu hij zich bezig hield met de werkzaamheden in het kader van een samenstellingsopdracht waarvoor betrokkene de opdrachtpartner was. Daarmee is sprake van betrokkenheid van betrokkene bij bepaalde informatie die door een ander onjuist wordt voorgesteld. Artikel 10 VGBA (het fundamentele beginsel van integriteit) verlangde van betrokkene dat hij een maatregel nam om aan de beoogde gebruikers van de informatie kenbaar te maken waaruit de betrokkenheid van de accountant bij die informatie werkelijk bestaat. Dat had in dit geval eens te meer op de weg van betrokkene gelegen, nu in het e-mailbericht van [D] zeer stellige bewoordingen worden gebruikt ([D] heeft het resultaat ‘bepaald’), terwijl er geen beperking in de reikwijdte van zijn uitspraken in is opgenomen.
5.15. Aan betrokkene moet worden toegegeven dat hij in zijn e-mailbericht van 13 september 2024 heeft gewezen op het feit dat op de verstrekte informatie nog geen samenstelwerkzaamheden waren verricht. Echter, dat de verklaring van [D] geen accountantsverklaring mocht heten, is niet voor elke gebruiker duidelijk, door de woordkeuze in de mail en het feit dat de mail van een medewerker van een accountantskantoor afkomstig was. En betrokkene heeft in deze e-mail, anders dan hij in zijn reactie op het klachtonderdeel stelt, niet specifiek aan de orde gesteld dat het (verdere) gebruik van die informatie (als accountantsverklaring) niet was toegestaan. Ook heeft hij er niet op toegezien, of althans heeft hij zich er onvoldoende voor ingespannen, dat zijn mededeling in de e-mail van 13 september 2024 (informatie betreft geen accountantsverklaring) aan de gebruikers van die informatie bekend is geworden. Dat is te passief. Ten minste had van betrokkene verlangd kunnen worden dat hij bijvoorbeeld, als eerste stap, aan [C] en mr. [F] expliciet bevestiging had gevraagd dat zij de misleidende/onjuiste informatieverschaffing met betrekking tot de e-mail van [D] in de desbetreffende juridische procedure zouden redresseren (zo mogelijk), alsook bevestiging dat verder extern gebruik niet meer zou plaatsvinden. Daarom is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Daarbij geldt dat betrokkene niet is opgetreden zoals artikel 10 VGBA voorschrijft. Hij is niet actief genoeg geweest. Dat is een andere dimensie van handelen in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit dan een situatie waarin bewust niet eerlijk en oprecht is opgetreden. Het klachtonderdeel is gegrond.
6. De maatregel
6.1. De klacht is grotendeels gegrond. Daarom legt de Accountantskamer de tuchtrechtelijke maatregel op van berisping.
6.2. Het achterwege laten van de vergelijkende cijfers in de jaarrekening is onjuist, betrokkene heeft dat ook erkend. Betrokkene heeft hiermee in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
6.3. Verder heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. Betrokkene wist van het geschil tussen klagers en [BV1] en van het feit dat mr. [F] de informatie die onder zijn verantwoordelijkheid was gedeeld, had gebruikt ter onderbouwing van een partijstandpunt. Bovendien wist betrokkene dat mr. [F] de informatie ten onrechte had gepresenteerd als accountantsverklaring. Gelet daarop heeft betrokkene te passief gehandeld door enkel aan [C] en mr. [F] te berichten dat hun opvatting over de informatie van [D] onjuist was. Dat rekent de Accountantskamer betrokkene zwaar aan.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart klachtonderdeel 1 deels gegrond, zoals hiervoor is toegelicht onder 5.7, en klachtonderdeel 2 geheel gegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
- verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoedt.
Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. A.A.T. van Rens en mr. D. van den Berg (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en B.J.G. van den Bragt RA AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.
U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.
Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.