We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TACAKN:2026:64 Accountantskamer Zwolle 25/2485 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:64
Datum uitspraak: 10-07-2026
Datum publicatie: 10-07-2026
Zaaknummer(s): 25/2485 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met tijdelijke doorhaling
Inhoudsindicatie: Klager had via zijn persoonlijke holding een joint venture met een partner. Nadat klager te kennen had gegeven de joint venture te willen beëindigen, is met de partner een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling daarvan. Betrokkene was de accountant van klagers, de partner en hun persoonlijke vennootschappen, alsmede van de joint venture. Betrokkene heeft op verzoek van de partner een brief met daarin een voorstel opgesteld en zij heeft dit voorstel daarna in een tweede brief tegenover klagers verdedigd. Klagers verwijten betrokkene kort gezegd dat zij niet objectief is geweest, dat zij geen hoor en wederhoor heeft toegepast, dat zij heeft gedreigd met extra kosten als de joint venture zou overstappen naar een andere accountant en dat zij zonder toestemming vertrouwelijke informatie uit een gesprek met klager heeft gedeeld met de partner. De klacht is grotendeels gegrond en betrokkene wordt de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 10 juli 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 16 september 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2485 Wtra AK van

1. X1 HOLDING B.V.

gevestigd te [plaats1]

2. X2

wonende te [plaats1]

K L A G E R S

t e g e n

drs. Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

Advocaat: mr. F.W. Linders te Eindhoven

1.             De procedure

De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • de e-mail van klagers met bijlage van 3 oktober 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van betrokkene met bijlagen van 14 april 2026
  • de op de zitting door klagers overgelegde pleitaantekeningen
  • de door klagers ter zitting overgelegde twee producties die, gehoord betrokkene, zijn toegelaten.

1.1.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2026. Klager 2 is namens beide klagers verschenen. Betrokkene is verschenen zonder haar advocaat.

2.             De uitspraak samengevat

2.1.        Klager 2 had via klaagster 1 een joint venture met een partner. Nadat klager te kennen had gegeven de joint venture te willen beëindigen, is met de partner een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling daarvan. Betrokkene was de accountant van klagers, de partner en hun persoonlijke vennootschappen, alsmede van de joint venture. Betrokkene heeft op verzoek van de partner een brief met daarin een voorstel opgesteld en zij heeft dit voorstel daarna in een tweede brief tegenover klagers verdedigd. Klagers verwijten betrokkene kort gezegd dat zij niet objectief is geweest, dat zij geen hoor en wederhoor heeft toegepast, dat zij heeft gedreigd met extra kosten als de joint venture zou overstappen naar een andere accountant en dat zij zonder toestemming vertrouwelijke informatie uit een gesprek met klager heeft gedeeld met de partner. De klacht is grotendeels gegrond en betrokkene wordt de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Zij is verbonden [accountantskantoor1] te [plaats2] (hierna: het accountantskantoor).

3.2.        Klaagster 1 is de persoonlijke holding van klager 2 (hierna afzonderlijk: klaagster en klager).

3.3.        Klaagster en [BV1] (hierna: [BV1]), de persoonlijke holding van de partner, vormden een joint venture.

3.4.        Klaagster en [BV1] zijn beide voor 50% aandeelhouder van [BV2] (hierna: [BV2]) en [BV3] (hierna: [BV3]). Zij zijn ook de bestuurders van deze vennootschappen.

3.5.        Betrokkene was de accountant van klagers, de partner, [BV1], [BV2] en [BV3].

3.6.        Klager heeft in december 2024 aan zijn partner laten weten dat hij de joint venture wilde beëindigen. Tussen hen is daarna een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling daarvan.

3.7.        Klagers hebben hun relatie met betrokkene op 1 maart 2025 opgezegd. Betrokkene is daarna de accountant van de partner, [BV1], [BV2] en [BV3] gebleven.

3.8.        Betrokkene heeft in haar brief van 2 juli 2025 een voorstel gedaan om de discussie over de financiële afwikkeling tussen klager en de partner over een aantal zaken te beëindigen (hierna: brief I). In dit voorstel gaat betrokkene onder andere in op de door klaagster in 2023 ontvangen performance fee, de nog niet door [BV3] gefactureerde bedragen en de managementfees over 2024 en 2025. De advocaat van de partner heeft deze brief naar klagers gestuurd. Betrokkene schrijft in de brief dat haar is verzocht een voorstel te schrijven met betrekking tot de discussie die gaande is tussen klager en de partner.

3.9.        De advocaat van klagers heeft bij brief van 11 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen het voorstel en de handelwijze van betrokkene. Hij heeft onder andere geschreven dat betrokkene partij heeft gekozen in het aandeelhoudersgeschil en dat zij niet langer kan optreden als accountant van de joint venture, omdat de noodzakelijke distantie en objectiviteit ontbreekt.

3.10.      Betrokkene heeft op 14 juli 2024 een (tweede) brief gestuurd naar de advocaat van klagers en (in cc) aan klager en de partner (hierna: brief II). In deze brief heeft zij geschreven dat zij niet optreedt als partijadviseur en heeft zij het schikkingsvoorstel verdedigd.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klagers hebben betrokkene in hun klaagschrift verschillende verwijten gemaakt. In hun pleitnota hebben klagers ook verwijten naar voren gebracht die niet in het klaagschrift staan. Omdat betrokkene geen gelegenheid heeft gehad om haar verweer tegen deze nieuwe verwijten voor te bereiden, zal de Accountantskamer deze in verband met de goede procesorde niet beoordelen.

4.3.        De Accountantskamer heeft klagers op de zitting een samenvatting van de klacht voorgehouden en klagers hebben desgevraagd bevestigd dat hun klachten daarmee juist zijn samengevat. De Accountantskamer zal de klacht daarom bespreken aan de hand van deze samenvatting.

4.4.        Gelet op deze samenvatting verwijten klagers betrokkene het volgende.  

1. Betrokkene heeft in het conflict tussen de twee partijen bij de joint venture, tevens haar cliënten, op eenzijdig verzoek (van de partner) twee brieven opgesteld waarin zij standpunten van de partner in het conflict heeft verwoord en aldus een partijbelang heeft gediend, en waarin zij ook eigen standpunten heeft ingenomen.

2. Betrokkene heeft nagelaten klager vooraf te horen en ten onrechte de opdrachtrelatie met beide partijen voortgezet, waarbij zij heeft gedreigd met extra kosten indien een andere accountant zou worden ingeschakeld.

3. Betrokkene heeft de vertrouwelijkheid geschonden door in haar tweede brief, die ook aan de partner is gestuurd, informatie te delen uit haar gesprek met klager op 6 januari 2025. 

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.2.        Gelet op de onderlinge samenhang zullen de klachtonderdelen 1 en 2 gezamenlijk worden besproken.

  • 5.3.        Klagers hebben met betrekking tot deze klachtonderdelen – kort gezegd – naar voren gebracht dat betrokkene op verzoek van (de advocaat van) de partner stelling heeft genomen in het bestaande geschil en dat zij daarmee partijadviseur van de partner is geworden. Volgens klagers heeft betrokkene zich ten onrechte niet afgevraagd of zij de opdracht tot het maken van een overzicht van hetgeen uit de administratie blijkt en tot het op basis van de administratie doen van een voorstel om een einde te maken van het dispuut tussen klaagster en [BV1] wel kon aannemen gelet op haar rol als objectief en onpartijdig accountant en is zij volledig voorbijgegaan aan het belang van klagers. Daarbij hebben klagers erop gewezen dat betrokkene ook na de reactie van hun advocaat van 11 juli 2025 haar taken voor de joint venture niet heeft neergelegd, hoewel daarin gemotiveerd bezwaar is gemaakt tegen de handelwijze van betrokkene en waarin is aangegeven dat betrokkene vanwege de belangentegenstelling niet langer kan optreden als accountant van de joint venture. Volgens klagers heeft betrokkene alleen praktisch gekeken waarom zij haar werkzaamheden niet zou moeten neerleggen en heeft zij daarbij gedreigd met extra kosten. Daarnaast hebben klagers aangevoerd dat betrokkene ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast voordat zij de brieven met daarin haar bevindingen naar de advocaat van de partner stuurde. Ook heeft zij zich in haar brieven niet beperkt tot een weergave van hetgeen zij uit de cijfers heeft kunnen vaststellen. Zij heeft volgens klagers het standpunt van de partner overgenomen en daarnaast ongefundeerde en onjuiste conclusies getrokken en haar persoonlijke mening gegeven over zaken die ter discussie staan, alsmede over zaken die volledig buiten haar vakgebied liggen.

5.4.        Betrokkene heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de partner en haar advocaat haar hebben gevraagd om orde te scheppen in de cijfermatige chaos. Volgens betrokkene was zij geen partijadviseur en heeft zij uitsluitend uiteengezet wat uit  de administratie van [BV2] en [BV3] bleek en op basis daarvan een voorstel gedaan dat ziet op de onderwerpen waarover de partners discussie hadden . Hierdoor was er geen sprake van een bedreiging van de fundamentele beginselen en was er volgens haar dan ook geen maatregel nodig. Zij heeft zich, ook na de brief van de advocaat van klagers van 11 juli 2025, niet teruggetrokken als accountant. Daarbij voert betrokkene aan  dat het benoemen van het feit dat overstappen naar een andere accountant zou leiden tot extra kosten geen dreigement is, maar een constatering. Naar aanleiding van de ingediende tuchtklacht heeft betrokkene alsnog de relatie met [BV2], [BV3] en de partner opgezegd. Klagers hadden de relatie met betrokkene al op 1 maart 2025 beëindigd.

Verder heeft betrokkene aangevoerd dat hoor en wederhoor van klager niet aan de orde was, omdat zij slechts feiten uit boekhoudingen en jaarrekeningen op een rij heeft gezet en heeft verwoord wat dat boekhoudtechnisch betekende. Betrokkene heeft haar bevindingen ook niet besproken met de partner en zij heeft geen mening gegeven over discussiepunten die niet uit de boekhouding volgden. Volgens betrokkene heeft zij de discussie slechts teruggebracht tot een paar “hapklare brokken” en was het aan partijen om op basis daarvan hun geschil af te wikkelen.

Ten aanzien van de objectiviteit

5.5.        De Accountantskamer overweegt het volgende. De VGBA definieert een bedreiging als een onaanvaardbaar risico dat de accountant zich niet houdt aan de fundamentele beginselen als gevolg van eigen belang, zelftoetsing, belangenbehartiging, vertrouwdheid of intimidatie.[1] Uit artikel 11 VGBA volgt dat het fundamentele beginsel van objectiviteit inhoudt dat de accountant zich bij zijn afwegingen niet ongepast laat beïnvloeden. In de toelichting bij dit artikel staat dat een accountant ter naleving van het fundamentele beginsel objectiviteit iedere situatie moet vermijden die zijn professionele oordeelsvorming op ongepaste wijze beïnvloedt. Het adviseren van cliënten met onderling tegenstrijdige belangen wordt daarbij genoemd als voorbeeld van een omstandigheid die een bedreiging van de objectiviteit (kan) zijn.

5.6.         De accountant is verder verplicht om omstandigheden te identificeren en te beoordelen die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan de fundamenteel beginselen. Met betrekking tot dergelijke omstandigheden moet de accountant een toereikende maatregel nemen die ertoe leidt dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen. Als de accountant bij een bedreiging niet in staat is een maatregel te nemen, weigert of beëindigt hij de professionele dienst en beëindigt hij zo nodig de relatie met de organisatie waarvoor hij een professionele dienst uitvoert. Indien sprake is van een bedreiging waarbij een maatregel is genomen die ertoe leidt dat de accountant zich houdt aan de fundamentele beginselen legt de accountant de bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie vast teneinde zich tegenover derden te kunnen verantwoorden.[2] Bij de identificatie en de beoordeling van de omstandigheden en de (eventueel) te nemen  vervolgstappen moet de accountant steeds een onderzoekende geest hebben, professionele oordeelsvorming toepassen en zich baseren op hetgeen een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde aanvaardbaar en toereikend acht.[3] Een onderzoekende geest vraagt om een actieve alerte houding. Dit brengt mee dat de accountant actief moet letten op tussentijdse wijzigingen en op nieuwe informatie die een ander licht kan werpen op de omstandigheden die (mogelijk) een bedreiging zijn.[4]

5.7.        De Accountantskamer overweegt dat op het moment dat betrokkene ermee bekend raakte dat de joint venture was beëindigd waarbij  de samenwerking financieel moest worden afgewikkeld en er daardoor mogelijk een geschil zou kunnen ontstaan er al een (mogelijke) bedreiging van haar objectiviteit ontstond. Als accountant van de joint venture moest zij namelijk de belangen van beide partners dienen. Doordat de partners niet langer dezelfde belangen hadden, had betrokkene zich moeten realiseren dat dit voor haar mogelijk zou kunnen leiden tot een bedreiging van het fundamentele beginsel objectiviteit. Nadat er daadwerkelijk een geschil was ontstaan tussen klager en zijn partner en klagers hun relatie met betrokkene hadden opgezegd (op 1 maart 2025), nam de mate waarin haar objectiviteit werd bedreigd sterk toe. Zij bleef namelijk de accountant van [BV2] en [BV3], waarvan klager nog steeds (indirect) aandeelhouder en bestuurder was, waardoor zij naast de belangen van de partner ook de (tegengestelde) belangen van klagers moest dienen. Toen de partner betrokkene vervolgens vroeg een voorstel op te stellen, was sprake van een ernstige bedreiging van haar objectiviteit. Haar rol als accountant van de joint venture was vanwege de tegengestelde belangen van de beide partners zonder een toereikende maatregel te nemen niet langer houdbaar.

5.8.        Betrokkene heeft echter op geen enkel moment onderkend dat haar objectiviteit werd bedreigd. Hierdoor heeft zij de opdracht om een voorstel te maken aanvaard en uitgevoerd zonder een maatregel te treffen die ervoor zorgde dat deze bedreiging tot een aanvaardbaar niveau werd teruggebracht. Evenmin heeft zij zich afgevraagd of een toereikende maatregel in de gegeven omstandigheden, waarin toen al sprake was van een geschil, nog wel mogelijk was. Als dat niet het geval was, had zij de opdracht om een voorstel te formuleren moeten weigeren en ook moeten overwegen of zij nog wel de accountant van de joint venture kon blijven, te meer nu in de brief namens klaagster van 11 juli 2025 staat dat betrokkene niet langer de accountant van de joint venture kan zijn. Ook na ontvangst van deze brief, waarin haar objectiviteit expliciet ter discussie werd gesteld, heeft betrokkene niet ingezien dat sprake was van een bedreiging van haar objectiviteit en heeft zij in haar tweede brief haar voorstel verdedigd. Dat betrokkene zichzelf kent en nooit iets zou opschrijven om iemand te bevoordelen, zoals zij op de zitting heeft verklaard, is niet relevant en mocht voor betrokkene geen reden zijn om aan te nemen dat haar objectiviteit niet in geding was. Betrokkene had professionele oordeelsvorming moeten toepassen en zich moeten afvragen wat een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde in deze situatie aanvaardbaar en toereikend zou achten en dus niet wat betrokkene zelf van de situatie vond. Doordat zij dat heeft nagelaten, heeft zij niet ingezien dat haar objectiviteit in ernstige mate werd bedreigd. Bovendien bevatten haar brieven, anders dan betrokkene heeft betoogd, niet slechts een objectieve weergave van hetgeen zij in de boekhouding heeft aangetroffen. Zij heeft daarin immers ook haar eigen mening over bepaalde standpunten van klager gegeven en behalve het standpunt van de partner ook eigen standpunten verwoord.  

5.9.        Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat betrokkene niet heeft gehandeld in overeenstemming met het fundamentele beginsel objectiviteit. Dat zij naar aanleiding van de tuchtklacht alsnog heeft besloten om de klantrelatie, voor zover nog bestaand, met alle betrokken partijen te beëindigen is te laat en leidt daarom niet tot een ander oordeel.  

Ten aanzien van hoor en wederhoor

5.10.      De opdracht om een voorstel te maken is een ‘overige opdracht’ als bedoeld in de NBA-handreiking 1111 (Overige opdrachten). Op deze opdracht is in dit geval ook de NBA-Handreiking 1127 (Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen) van toepassing. Betrokkene heeft deze opdracht namelijk gekregen van slechts één partij (de partner) op het moment dat al sprake was van een discussie over de financiële afwikkeling tussen de partners van de joint venture.  Betrokkene was hiervan op de hoogte en wist ook dat de beide partners inmiddels een eigen advocaat in de arm hadden genomen. Dat betrokkene reden had om aan te nemen dat sprake was van een gezamenlijke opdracht, zoals zij op de zitting heeft verklaard, blijkt nergens uit. In verband met deze opdracht heeft zij alleen contact gehad met de (advocaat van de) partner.

5.11.      Een NBA-Handreiking bevat richtlijnen voor de uit te voeren werkzaamheden. Van een accountant wordt verwacht dat hij kennis neemt van deze richtlijnen en dat hij deze overweegt voor zover relevant voor de opdracht. Een accountant die deze richtlijnen niet toepast, moet erop voorbereid zijn om uit te leggen hoe niettemin is voldaan aan de verplichtingen, basisprincipes en essentiële werkzaamheden uit de wet- en regelgeving die nader zijn behandeld in de Handreikingen.[5]

5.12.      In NBA-Handreiking 1127 wordt het toepassen van hoor en wederhoor van belang geacht om tot een deugdelijke grondslag van het rapport te komen. Hoor en wederhoor is veelal verplicht, tenzij dit niet noodzakelijk is om een deugdelijke grondslag te verkrijgen.

5.13.      Betrokkene heeft erkend dat zij geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Naar het oordeel van de Accountantskamer was dat wel nodig, omdat zij in haar brieven standpunten heeft ingenomen en conclusies heeft getrokken met betrekking tot de door klaagster terug te betalen performancefee, de in rekening te brengen managementfees en de hoogte van de nog door [BV3] te factureren bedragen. Betrokkene had klager daarom moeten vragen naar zijn visie en hem de gelegenheid moeten geven om te reageren op haar bevindingen. Omdat betrokkene ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, heeft zij geen deugdelijke grondslag verkregen voor hetgeen zij in haar brieven heeft gesteld. Hieruit volgt dat betrokkene het fundamentele beginsel vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet heeft nageleefd.

Ten aanzien van het dreigen met extra kosten

5.14.      Betrokkene heeft in haar tweede brief geschreven “Overstappen naar een andere accountant voor deze paar zaken zou extra kostenposten opleveren van duizenden euro’s.” Deze zin is naar het oordeel van de Accountantskamer slechts een waarschuwing voor extra kosten die de overstap naar een nieuwe accountant met zich brengt. Van een dreigement, zoals door klagers is betoogd, is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van de vertrouwelijkheid

5.15.      Met betrekking tot klachtonderdeel 3 hebben klagers naar voren gebracht dat betrokkene haar verplichting tot geheimhouding heeft geschonden, omdat zij in haar tweede brief heeft verwezen naar een gesprek dat klager op 6 januari 2025 met haar had gevoerd. Omdat betrokkene deze brief ook naar de partner en haar advocaat heeft gestuurd, had betrokkene dat volgens klager niet zonder zijn toestemming mogen doen. Daarbij hebben klagers erop gewezen dat deze bespreking ging over de jaarstukken van klaagster en niet over de joint venture.

5.16.      Betrokkene heeft naar voren gebracht dat zij tijdens het gesprek op 6 januari 2025 niet alleen met klager heeft gesproken over de jaarstukken van klaagster, maar ook over de door klaagster bij [BV2] in rekening gebrachte performancefee. In haar brief van 14 juli 2025 heeft zij alleen de reactie van klager over dat onderwerp opgenomen, de overige inhoud van het gesprek heeft zij niet gedeeld. Volgens betrokkene is er geen separate bespreking met de beide bestuurders van [BV2] geweest en heeft zij eind 2024 tijdens een bespreking over de jaarcijfers van [BV1] ook met de partner over dit onderwerp gesproken.

5.17.      De Accountantskamer overweegt dat het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid inhoudt dat de accountant die de beschikking krijgt over gegevens of inlichtingen waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht is tot geheimhouding van die gegevens of inlichtingen[6]. Op deze verplichting bestaat een aantal uitzonderingen, waaronder de situatie waarin de klant schriftelijk toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.[7] Dit fundamentele beginsel maakt het voor een klant mogelijk om vertrouwelijk gegevens of inlichtingen met de accountant te delen zonder dat deze bij anderen terechtkomen.[8]

5.18.      In haar tweede brief heeft betrokkene de volgende passage opgenomen over haar gesprek met klager op 6 januari 2025.

“Uw stelling dat ik niet op de hoogte ben van alle zaken is onjuist of niet volledig geïnformeerd

zou zijn is onjuist. Ik heb in de bespreking met de heer [X2] op 6 januari 2025 hierover

met hem gesproken. Zijn antwoord hierop was uitermate vaag en wisselend: dan weer zei hij

dat er afspraken gemaakt waren dat hij hogere fee kreeg, dan weer zei hij dat het

performancefee was, dan weer zei hij dat zijn performancefee 80K was en liet hij in het

midden wat het verschil was. Mijn indruk was dat hij zich aangevallen voelde door mij, terwijl

ik op basis van verschillen in de jaarrekening om toelichting vroeg. Naar aanleiding van mijn

vraag of hij schriftelijke stukken had inzake andere afspraken antwoordde hij mij dat er geen

schriftelijke stukken zijn. Samengevat: ik heb geen bevredigend antwoord gekregen inzake

het verschil van € 125.000: geen overeenkomsten, geen mails of apps en evenmin een

gelijkluidend antwoord van beide bestuurders/(indirecte) aandeelhouders hierover.”

5.19.      De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door het delen van deze informatie het fundamentele beginsel vertrouwelijkheid heeft geschonden. De antwoorden van klager op vragen van betrokkene als zijn accountant met betrekking tot de door hem (via klaagster) bij [BV2] in rekening gebrachte performancefee alsmede zijn gesprekshouding, is vertrouwelijke informatie. Deze informatie had betrokkene niet zonder schriftelijke toestemming van klager mogen delen met de partner en haar advocaat. Dat deze informatie mede betrekking had op de jaarcijfers van [BV2] en dus ook voor de partner als medebestuurder/-aandeelhouder relevant zou zijn, maakt dat niet anders. Het gaat immers niet om de vraag wie belang zou kunnen hebben bij deze informatie, maar om de vraag of klager aan betrokkene schriftelijke toestemming heeft gegeven om deze vertrouwelijke informatie te delen. Dat was niet het geval en daarom was betrokkene verplicht om deze informatie geheim te houden, wat zij niet heeft gedaan. Klachtonderdeel 3 is daarom gegrond.

De slotsom

5.20.      De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond worden verklaard. Het klachtonderdeel 2 zal gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, objectiviteit en vertrouwelijkheid heeft geschonden. Ook is meegewogen dat betrokkene blijk heeft gegeven onvoldoende kennis te hebben van de wet- en regelgeving, waaronder de VGBA, en de toepassing daarvan. Zij heeft op verschillende momenten, ondanks de duidelijke signalen die zij kreeg, nagelaten om professionele oordeelsvorming toe te passen en heeft ook op de zitting weinig reflectie getoond en niet laten blijken dat zij inzicht heeft in het onjuiste van haar handelen.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond en klachtonderdeel 2 gedeeltelijk gegrond, zoals hiervoor is overwogen;
  • verklaart klachtonderdeel 2 voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd en eindigt na ommekomst van de vermelde termijn;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. D. van den Berg (rechterlijke leden) en drs. D. van der Bij RA en B.J.G. van der Bragt RA AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.

U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.

Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Artikel 1 VGBA

[2] Artikel 21 VGBA

[3] Artikel 20 VGBA

[4] Paragraaf 7 van de Toelichting bij de VGBA. Deze paragraaf bevat ook een “Stappenplan toetsingskader VGBA”, waarin de (opeenvolgende) verplichtingen volgens de artikelen 20 en 21 VGBA in stappen zijn vertaald.

[5] Zie ook ECLI:NL:TACAKN:2023:41

[6] Artikel 16 aanhef VGBA

[7] Artikel 16 onder d VGBA

[8] Zie paragraaf 2.6 van de Toelichting bij de VGBA