We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:161 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-814/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:161
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 28-07-2026
Zaaknummer(s): 25-814/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Maatregelen, subonderwerp: Artikel 48b Advocatenwet
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Verweerder heeft ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het dossier niet tijdig aan de opvolgend advocaat beschikbaar te stellen, door een gebrek aan schriftelijke communicatie met zijn cliënt over de voortgang van de procedure bij de IND en door het niet op orde hebben van zijn dossier, waaronder het niet indienen van de bezwaargronden. Dit raakt aan de kernwaarden deskundigheid en integriteit. De aard en ernst daarvan rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. In dat verband rekent de raad het verweerder zwaar aan dat verweerder klager niet op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de IND-procedure en dat hij zijn dossier niet op orde heeft gehad, waardoor hij de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd en vragen van de raad over wel of niet gestuurde berichten aan de IND niet heeft kunnen beantwoorden. De belangen van klager waren groot, zijn rechtmatige verblijf in Nederland stond op het spel en de procedure kent fatale termijnen. Bovendien heeft verweerder er, ondanks de vragen en opmerkingen van de raad, geen blijk van gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet en dat hij van de gang van zaken in het dossier van klager heeft geleerd. Klacht gegrond. Schorsing van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk en een coachingstraject als bijzondere voorwaarde.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 25-814/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 maart 2025 is namens klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht over verweerder ingediend.
1.2    Op 8 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerken K053 2025 ia/ak van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren de zus van klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 
2.2    Op 28 februari 2023 heeft verweerder namens klager bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) een aanvraag ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ (hierna: de aanvraag).
2.3    Op 14 augustus 2023 heeft een medewerker van de IND verweerder in verband met de aanvraag gemaild met een terugbelverzoek. 
2.4    Op 31 augustus 2023 heeft de IND de aanvraag van klager afgewezen (hierna ook: het besluit).
2.5    Op 27 september 2023 heeft verweerder per post een pro-forma bezwaarschrift gestuurd naar de IND. Op het bezwaarschrift is als postcode 6590 AA vermeld. De postcode van de postbus van de IND in Ter Apel is 9560 AA. 
Dezelfde dag heeft verweerder gereageerd op de e-mail van de IND van 14 augustus 2023. Daarin heeft verweerder opgemerkt dat hij pas die dag kennis heeft genomen van het verzoek om contact, omdat dat verzoek in zijn spambox terecht was gekomen. Bij zijn e-mail heeft verweerder een kopie van het verzonden bezwaarschrift gevoegd.
2.6    Op 5 oktober 2023 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt tegen het besluit.
2.7    Per brief d.d. 11 oktober 2023 heeft de IND verweerder gevraagd waarom het bezwaar tegen het besluit niet tijdig is ingediend.
2.8    Op 1 of 3 november 2023 (het cijfer 1 is met de pen aangepast in het cijfer 3) heeft verweerder gereageerd op de brief d.d. 11 oktober 2023 van de IND en toegelicht dat het bezwaar zijns inziens wel tijdig is ingediend. Op deze brief is weer als postcode 6590 AA vermeld. Verder is op het bezwaarschrift vermeld dat het bezwaarschrift ook per fax is verstuurd.
2.9    Op 8 november 2023 heeft de IND verweerder een brief gestuurd waarin hij twee weken de tijd heeft gekregen om de gronden van het bezwaar in te dienen, waarbij is aangegeven dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als verweerder dat niet doet.
2.10    Op 11 december 2023 heeft de IND het bezwaar van klager tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ kennelijk niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de beslissing op bezwaar), omdat de gronden van het bezwaar niet zijn ingediend. 
2.11    Op 13 september 2024 heeft verweerder de zus van klager gemaild over de voortgang van de verblijfsprocedure van klager. In deze e-mail heeft verweerder opgemerkt dat hij nog steeds in afwachting is van de beslissing op bezwaar.
2.12    Op 15 januari 2025 heeft mr. S. verweerder bericht dat klager hem heeft benaderd om hem bij te staan in de lopende bezwaarprocedure, hetgeen klager al aan verweerder zou hebben doorgegeven. Mr S. verzoekt verweerder om het dossier.
2.13    Op 22 januari 2025 heeft mr. S. het verzoek om dossieroverdracht herhaald.
2.14    Op 27 januari 2025 heeft de zus van klager verweerder gemaild met de vraag waarom hij het dossier van klager nog niet heeft opgestuurd.
2.15    Op 28 januari 2025 heeft de zus van klager verweerder gemaild dat klager definitief heeft besloten over te stappen naar mr. S. Zij geeft aan dat ze verweerder al langer dan een week geleden heeft gevraagd het dossier op te sturen en dat verweerder dat niet heeft gedaan. Zij vraagt verweerder het dossier uiterlijk die donderdag naar mr. S. te sturen.
2.16    Op 30 januari 2025 heeft verweerder een voormalige kantoorgenoot gevraagd om het dossier van klager uit het softwareprogramma Basenet naar hem te sturen, waarna op dezelfde dag aan dat verzoek wordt voldaan. 
2.17    Op 30 januari 2025 heeft verweerder de zus van klager gemaild dat hij er geen enkel probleem mee heeft om de dossierstukken aan mr. S. te verstrekken en dat hij de dossierstukken waar hij toegang toe heeft alvast naar mr. S. zal sturen.
2.18    Op 4 februari 2025 heeft verweerder een aantal dossierstukken naar mr. S. gemaild. 
2.19    Op 20 februari 2025 heeft de IND de beslissing op bezwaar naar mr. S. gestuurd en daarbij vermeld dat dit besluit is verzonden naar de toenmalige gemachtigde van klager, verweerder. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij:
a)     lang heeft gewacht met het overdragen van het dossier van klager aan de opvolgend advocaat mr. S.;
b)     heeft gelogen dat hij geen beslissing op bezwaar van de IND heeft ontvangen, terwijl die beslissing al op 11 december 2023 is genomen.    
3.2    De raad zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder, samengevat weergegeven, het volgende aan. 
De overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat is niet gefrustreerd. Gelijktijdig met het overnameverzoek stond verweerder telefonisch in contact met de zus van klager en zij heeft hem gevraagd om de dossieroverdracht aan mr. S. aan te houden. Na het herhaalde overnameverzoek van mr. S. op 22 januari 2025 heeft verweerder op 28 januari 2025 nogmaals contact met (de zus van) klager gehad en heeft zij hem gevraagd om met de overdracht van het dossier nog even te wachten zodat klager dit nog met zijn achterban kon overleggen. Nadat hem op 28 januari 2025 alsnog is verzocht het dossier over te dragen, zijn de stukken op 4 februari 2025 aan mr. S. overgedragen.  
Verweerder heeft de beslissing op bezwaar nooit ontvangen en kent die ook niet, anders had hij klager daarvan uiteraard op de hoogte gebracht en hem een kopie van de beslissing toegezonden. Daarbij merkt verweerder op dat deze beslissing zich ook niet in BaseNet bevindt. Volgens verweerder mag niet zonder meer worden aangenomen dat de beslissing deugdelijk aan hem kenbaar is gemaakt op basis van het enkele feit dat zijn kantooradres daarop is vermeld en is het aan de IND om te bewijzen dat de beslissing op bezwaar overeenkomstig de daaraan gestelde eisen is uitgereikt of kenbaar is gemaakt aan de belanghebbende dan wel diens gemachtigde. 
4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is gegrond
5.2    De raad stelt voorop dat als een (voormalig) cliënt of een opvolgend advocaat aan een advocaat om overdracht van het dossier vraagt de advocaat in beginsel gehouden is het dossier tijdig en volledig aan die cliënt dan wel aan die opvolgend advocaat te verstrekken. Van verweerder had dan ook verwacht mogen worden dat hij op verzoek van (de opvolgend advocaat van) klager tijdig een afschrift van het dossier aan de opvolgend advocaat van klager zou toezenden.
5.3    De raad is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de dossieroverdracht aan de opvolgend advocaat van klager niet betamelijk heeft gehandeld. De raad stelt vast dat mr S. op 15 januari 2025 verweerder heeft bericht dat klager hem heeft benaderd om hem bij te staan, met het verzoek om het dossier, en dat verweerder op 4 februari 2025 een aantal stukken naar mr S. heeft verstuurd. In de tussentijd is minstens drie keer door de opvolgend advocaat en de zus van klager (nogmaals) het verzoek gedaan het dossier over te dragen. Pas daarna, op 30 januari 2025, heeft verweerder bij zijn voormalige kantoor gevraagd om de stukken uit het dossier van klager. Dat heeft simpelweg te lang geduurd. Er is geen enkele reden om daar zo lang mee te wachten. De omstandigheid dat verweerder in dezelfde periode met de zus van klager heeft gecorrespondeerd en dat zij heeft verzocht om het moment van overdracht van het dossier uit te stellen, zoals verweerder heeft aangevoerd, betekent niet dat verweerder geen gehoor meer hoefde te geven aan het verzoek van mr. S. om het dossier over te dragen. Verder heeft verweerder dit verzoek van de zus van klager, waaraan verweerder tegemoet is gekomen, niet schriftelijk  vastgelegd. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b) is gegrond
5.4    De raad stelt voorop dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht dat hij zijn cliënt op de hoogte brengt van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil dient de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Dit is vastgelegd in gedragsregel 16 lid 1. 
5.5    De raad oordeelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dat verweerder ten opzichte van klager niet heeft gehandeld zoals dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Behalve het voortgangsbericht op  
13 september 2024 aan de zus van klager heeft verweerder niets overgelegd waaruit blijkt dat hij met klager heeft gecorrespondeerd over zijn aanvraag, het indienen van bezwaar en de door hem ontvangen berichten van de IND over de (niet tijdige) indiening van het bezwaar en de mogelijkheid om alsnog aanvullende gronden in te dienen. Ook uit de door verweerder met de zus van klager gewisselde WhatsApp-berichten die in het dossier zitten, kan de raad dat niet afleiden. Verweerder heeft kennelijk geen opdrachtbevestiging gestuurd, en evenmin enig stuk waarin enige uitleg wordt gegeven over de procedure, de te voeren strategie en de kansen voor klager. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of verweerder contact met klager heeft gehad over de mogelijkheid van bezwaar, de daardoor geldende termijn en de in te dienen bezwaargronden. Deze onduidelijkheid komt, door het gebrek aan schriftelijke vastlegging, voor risico van verweerder. 
5.6    Verder constateert de raad dat verweerder zijn dossier over de aanvraag van klager onvoldoende op orde heeft, waardoor hij de vragen van de raad over zijn communicatie met klager en de IND niet, althans onvoldoende heeft kunnen beantwoorden. Zo kon verweerder niet uitleggen wanneer de brief van november 2023 is verstuurd en waarom de datum op die brief met pen is aangepast van 1 november 2023 in 3 november 2023. Daarbij legde verweerder ter zitting een voor de raad onnavolgbare link met een door hem in september 2023 gekochte postzegel, terwijl verweerder op 27 september 2023 ook een brief aan de IND heeft verstuurd. Op beide brieven heeft verweerder een onjuiste postcode vermeld. De brief van 1 of 3 november 2023 is volgens verweerder ook per fax naar de IND gestuurd, maar daar kon hij geen faxbevestiging van overleggen. De raad leidt uit het dossier af dat het pro forma bezwaarschrift de IND lijkt te hebben bereikt via de e-mail van 27 september 2023 van verweerder aan de IND, als reactie op de e-mail van 14 augustus 2023 van de IND aan verweerder.
5.7    Ten aanzien van de brief van 8 november 2023 van de IND en de beslissing op bezwaar van 11 december 2023 heeft verweerder aangevoerd dat hij die niet heeft ontvangen. Het bevreemdt de raad dat verweerder geen contact met de IND heeft opgenomen over de stand van zaken van het door hem ingediende bezwaar toen hij, zoals hij stelt, geen bericht meer ontving. De door verweerder aangevoerde omstandigheden dat het altijd langer duurt voordat de IND reageert en dat hij problemen had met zijn voormalige kantoorgenoten en het uit BaseNet halen van het dossier, ontslaan verweerder niet van zijn verplichting om in het belang van zijn cliënt de voortgang van de verblijfsprocedure te bewaken en zijn cliënt op de hoogte te houden. Dat heeft verweerder echter nagelaten en dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar.  
5.8    Uit het bovenstaande volgt dat klachtonderdeel b) gegrond is.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft ten opzichte van klager ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het dossier niet tijdig aan de opvolgend advocaat beschikbaar te stellen, door een gebrek aan schriftelijke communicatie met zijn cliënt over de voortgang van de procedure bij de IND en door het niet op orde hebben van zijn dossier, waaronder het niet indienen van de bezwaargronden. Dit raakt aan de kernwaarden deskundigheid en integriteit. De aard en ernst daarvan rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. In dat verband rekent de raad het verweerder zwaar aan dat verweerder klager niet op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de IND-procedure en dat hij zijn dossier niet op orde heeft gehad, waardoor hij de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd en vragen van de raad over wel of niet gestuurde berichten aan de IND niet heeft kunnen beantwoorden. De belangen van klager waren groot, zijn rechtmatige verblijf in Nederland stond op het spel en de procedure kent fatale termijnen. Bovendien heeft verweerder er, ondanks de vragen en opmerkingen van de raad, geen blijk van gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet en dat hij van de gang van zaken in het dossier van klager heeft geleerd. 
6.2    Op grond van alle omstandigheden van deze zaak ziet de raad aanleiding om aan verweerder de maatregel op te leggen van een schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van twee maanden waarvan een maand voorwaardelijk. Daarnaast ziet de raad aanleiding om aan het voorwaardelijke deel van de schorsing de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verweerder een coachingstraject dient te doorlopen, zoals dat wordt vastgesteld door verweerder in overleg met een coach en na goedkeuring door de deken.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.

Verweerder dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een schorsing op voor de duur van twee maanden,  waarvan een maand voorwaardelijk;
- bepaalt dat deze voorwaardelijke maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder een coachingstraject gaat doorlopen, waarop de deken toezicht zal houden. Daarbij geldt het volgende:
•    verweerder zoekt in overleg met de deken een coach en meldt zich binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan bij deze, door de deken, goedgekeurde coach;
•    verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken en de wijze waarop hij de doelen zal gaan verwezenlijken. De raad stelt zich daarbij voor dat dossiervorming en schriftelijke vastlegging onderdeel van het plan van aanpak worden. Verweerder stemt met de deken af op welke wijze en met welke frequentie hij de coaching met de deken evalueert en zal verweerder zich aan de met de deken gemaakte afspraken houden;
•    verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit zijn inzet en het resultaat van het traject blijkt;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
-     de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 
-     verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
-     de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.


Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.T. Bol, A. Schaberg, A.B. Baumgarten en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026