Zoekresultaten 14111-14120 van de 14954 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 215/2020

    Klaagster was in behandeling bij beklaagde in verband met lage rug-/bilklachten. Klaagster verwijt de fysiotherapeut dat hij niet tijdig heeft ingezien dat zij een hernia had. Het college oordeelt dat de fysiotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0010

    Klacht tegen revalidatie-arts, werkzaam voor verzekeraar. Behandelaar heeft bij verzekeraar toestemming gevraagd om klager in aanmerking te laten komen MSR-therapie. Klager meent o.m. dat beklaagde ten onrechte heeft geweigerd vragen van klager en zijn behandelaar te beantwoorden, de grenzen van zijn beroepsuitoefening niet in acht heeft genomen en medische gegevens heeft opgevraagd zonder de noodzakelijkheid daarvan te onderbouwen. Beklaagde stelt dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De handelingen van beklaagde hebben volgens hem geen betrekking op de individuele gezondheidszorg en hadden daarop geen weerslag. Het college acht de klacht ontvankelijk. Beklaagde betrekt als medisch adviseur van de verzekeraar immers bij zijn toets de individuele medische situatie van de verzekerde in het licht van diens eerdere behandeling en het bestaan van alternatieven daarvoor. Inhoudelijk komt het college – mede toetsend aan de Richtlijn Omgaan met medische gegevens 2020 - tot de slotsom dat ook een arts die adviseert over aanspraken op grond van de Zorgverzekeringswet zich bij het opvragen van persoonlijke gegevens van medische aard dient te houden aan beginselen van noodzaak en proportionaliteit. Dit impliceert tevens dat een zodanige arts zich toetsbaar dient op te stellen als hem op dit punt kritische vragen worden gesteld. Klachten (deels) gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0046

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klager voelt zich niet serieus genomen, nu beklaagde a) hem na klagers eerste ziekmelding slechts telefonisch heeft gesproken en b) hem na zijn tweede ziekmelding weer niet heeft gezien, geen aandacht heeft besteed aan zijn klachten, maar het arbeidsconflict op de voorgrond heeft gesteld. Het college acht in het licht van de coronamaatregelen verdedigbaar dat beklaagde het eerste consult telefonisch heeft laten plaatsvinden. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Het college kan het whatsapp-contact na de tweede ziekmelding niet aanmerken als een volwaardig consult. Dit contact bood onvoldoende ruimte voor de werknemer om zijn verhaal te doen en voor de bedrijfsarts om zich een adequaat beeld te vormen van de werknemer en zijn gezondheid op dat moment en om daarop zijn oordeel te vormen. Er zijn geen verdiepende vragen gesteld, ook niet over eventuele belemmerende factoren. Beklaagde heeft daar desondanks toch een formeel advies over uitgebracht. Dit klachtonderdeel is gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0027

    Klacht van werknemer tegen bedrijfsarts. Volgens klager heeft de bedrijfsarts zich tijdens een spreekuurcontact grensoverschrijdend en intimiderend uitgelaten, onder meer over een brief die de advocaat van klager aan de arbeidsdeskundige had geschreven. Daarnaast verwijt klager de bedrijfsarts dat hij geweigerd heeft de brief van de advocaat aan het dossier toe te voegen en dat hij na het betreffende spreekuurcontact zijn werkzaamheden niet per direct heeft neergelegd.Het college is het met klager eens dat de door de bedrijfsarts tijdens het spreekuur gebezigde bewoordingen niet gepast zijn en dat de bedrijfsarts zich beter anders had kunnen uitdrukken. Echter alle omstandigheden in aanmerkingen nemend acht het college de bewoordingen niet zodanig dat de bedrijfsarts hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.Ook overigens is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake, zodat de klacht ongegrond is.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0038

    Klacht van advocaat tegen bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft zich in een spreekuurcontact met een werknemer, zijnde cliënt van klager, uitgelaten over een brief die klager aan de arbeidsdeskundige had geschreven. Volgens klager zijn de bewoordingen van de bedrijfsarts jegens hem intimiderend en grensoverschrijdend en is de bedrijfsarts hiermee niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.Naar het oordeel van het college is klager als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 van de Wet BIG aan te merken nu de uitlatingen van de bedrijfsarts hem betreffen en deze voor klager nadelige gevolgen kunnen hebben (gehad). Toetsing aan tweede tuchtnorm. De uitlatingen van de bedrijfsarts zijn weliswaar ongepast, echter onvoldoende om beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt als bedoeld in de tweede tuchtnorm te maken. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0074

    Het college is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de houding/opstelling van de verzekeringsarts zodanig is geweest dat moet worden geconcludeerd dat hij buiten de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is getreden. Daarnaast is het college van oordeel dat de verzekeringsarts met zijn oordeel dat klager geschikt was voor het eigen werk voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 226/2020

    Klacht tegen een gz-psycholoog/psychotherapeut. Beklaagde heeft te lang gewacht met het zetten van stappen richting een verantwoorde overdracht. Dit heeft er toe geleid dat er onvoldoende tijd was in samenspraak met klaagster op zoek te gaan naar iemand die de zorgverlening aan klaagster op korte termijn zou kunnen overnemen. Verder concludeert het college dat de benodigde professionele afstand van beklaagde tot klaagster als cliënt onvoldoende in acht is genomen en heeft ook overigens de professionaliteit van de behandeling van klaagster te wensen overgelaten. Daarnaast heeft beklaagde op onvoldoende zorgvuldige wijze voldaan aan zijn verplichting een dossier bij te houden. Klacht in zoverre gegrond. Maatregel: ontzegging van het recht op wederinschrijving met onmiddellijke ingang. Proceskostenveroordeling waarbij in afwijking van de “Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcolleges voor de gezondheidszorg” ook de door klaagster verzocht vergoeding voor het kopiëren en verzenden van het dossier wordt toegekend. Beklaagde heeft nagelaten dit dossier bij het verweerschrift in te zenden. Klaagster heeft op verzoek van het college de beschikbare stukken gekopieerd en ingestuurd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3148

    Klacht tegen tandarts over onder meer tekortschietende paradontale behandeling en vervalsing van het patiëntendossier door achteraf aantekeningen toe te voegen. Tevens klacht dat klager zonder geldige reden uit de praktijk is uitgeschreven. Het college overweegt dat uit het dossier blijkt dat beklaagde oog heeft gehad voor tandvleesproblematiek. Het college acht het hoogste ongelukkig dat beklaagde achteraf aantekeningen aan het dossier heeft toegevoegd, maar gaat uit van onhandigheid, niet van boos opzet. Op basis van het dossier is aannemelijk dat klager zelf de behandelrelatie heeft beëindigd naar aanleiding van een hoogopgelopen geschil over de betalingstermijn van een rekening. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0070

    Klacht tegen bedrijfsarts betreft met name de verzuimbegeleiding de informatie uitwisseling met een behandelaar en de bejegening. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3677

    Klager is de vader van de, ten tijde van de indiening van de klacht, 17-jarige zoon. Klager heeft aangegeven dat de zoon niet op de hoogte was van de inhoud van de klacht, dat hij de inhoud van de klacht niet heeft gelezen en erg beïnvloedbaar is. Eveneens is de zoon niet ter zitting verschenen. Uit artikel 7:447 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de minderjarige patiënt die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, zelf bevoegd is een klacht in te dienen. Hiermee is de bevoegdheid van de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige om als zodanig te klagen, vervallen. Nu eveneens niet is gebleken dat klager als gemachtigde van de zoon is opgetreden, omdat de zoon niet op de hoogte was van de inhoud van de klacht en het college bovendien niet is gebleken dat de zoon zelf klachten had over het optreden van beklaagde kan klager niet als rechtstreeks belanghebbende, noch als gemachtigde van de zoon worden beschouwd. Op grond hiervan verklaart het college klager niet-ontvankelijk.