Zoekresultaten 21-40 van de 14811 resultaten
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:141 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2798
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:141
Klacht tegen een longarts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de longarts werkzaam is. Zij is - kort gezegd - niet tevreden over de zorg die haar moeder in het ziekenhuis kreeg. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. Patiënte was bij de longarts onder behandeling voor longklachten vanwege haar astma. Klaagster verwijt de longarts onder andere dat hij een verkeerde diagnose (sarcoïdose) heeft gesteld en patiënte niet heeft gewezen op de risico’s van zuurstoftoediening en niets heeft gedaan om deze risico’s te mitigeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:135 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2823
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:135
Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. De moeder van klaagster is in de nacht opgenomen op de afdeling van het ziekenhuis waar de verpleegkundige werkzaam was, nadat zij zich in de avond had gemeld op de spoedeisende hulp (SEH). Patiënte was onder meer bekend met uitgezaaide borstkanker waarbij sinds weken sprake was van een respiratoire achteruitgang (benauwdheid). Op de SEH was op basis van het klinisch beeld ook sprake van vermoeden van sepsis (bloedvergiftiging). De verpleegkundige had dagdienst op de afdeling waar patiënte in de nacht was opgenomen. Patiënte overleed daar aan het eind van de ochtend. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij is tekortgeschoten in de zorg aan patiënte, in de communicatie met de familie en in de nazorg na het overlijden van patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de klachtonderdelen die betrekking hebben op de zorg aan patiente gegrond zijn, vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege op deze onderdelen en legt aan de verpleegkundige de maatregel van berisping op.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9094
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 18-06-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:162
Voorzittersbeslissing. Klagers klagen over de behandeling van hun overleden dochter tegen de behandelend psychiater. Naar aanleiding van meerdere aanwijzingen, waaronder een aangifte van de dochter van klagers tegen haar vader (klager), volgt dat moet worden getwijfeld aan de vertegenwoordiging door de ouders van de veronderstelde wil van hun dochter. Klagers behoren hierdoor niet tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Klagers niet-ontvankelijk en voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:142 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2799
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:142
Klacht tegen een longarts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de longarts werkzaam is. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. Patiënte is in de nacht opgenomen in het ziekenhuis, nadat zij zich in de avond had gemeld op de spoedeisende hulp (SEH). De volgende ochtend is zij overleden. De longarts was op de avond van opname en op de dag van het overlijden van patiënte de dienstdoend longarts. Klaagster verwijt de longarts onder andere dat zij ten onrechte behandelcode A heeft gewijzigd in behandelcode B, heeft belemmerd dat patiënte naar de intensive care is gegaan, geen aandacht heeft besteed aan de slechte bloedgaswaarden van patiënte en de medicatielijst niet heeft aangepast aan de klachten die patiënte had. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klachten dat de longarts geen aandacht heeft besteed aan de slechte bloedgaswaarden van patiënte en de medicatielijst niet heeft aangepast aan de klachten die patiënte had alsnog gegrond en legt de longarts een waarschuwing op.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:136 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2824
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:136
Ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. De moeder van klaagster is behandeld in het ziekenhuis in verband met een mammacarcinoom (borstkanker). Vanaf september 2015 vonden de poliklinische controles plaats bij de verpleegkundig specialist. Eind februari 2021 heeft de arts de controles (weer) overgenomen in verband met uitzaaiingen (levermetastasen). Patiënte is op 14 maart 2022 overleden. Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist dat zij is tekortgeschoten in de zorg aan patiënte en in de communicatie met patiënte en klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:143 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2800
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:143
Klacht tegen een longarts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de longarts werkzaam is. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. De longarts is betrokken geweest bij een behandeling van patiënte op de spoedeisende hulp (SEH). Volgens klaagster heeft de longarts onzorgvuldig gehandeld, omdat hij geen behandeling heeft voorgesteld voor de dyspnoeklachten en/of geen zuurstofbeleid heeft opgesteld voor het toedienen van zuurstof. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:137 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2927 en C2025/2928
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:137
Klaagster heeft een aanvraag gedaan voor begeleiding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De verpleegkundige heeft in opdracht van de gemeente onderzoek gedaan en een rapport/advies uitgebracht. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat dit rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen en een onjuist advies, met een onjuiste conclusie is. Verder verwijt klaagster de verpleegkundige dat hij het correctierecht niet goed heeft uitgevoerd en de rapportage niet op deze wijze naar de gemeente had mogen sturen. Ten slotte wordt de verpleegkundige verweten dat hij zonder toestemming van klaagster medische informatie in de tuchtrechtprocedure heeft ingebracht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor een deel gegrond verklaard en de verpleegkundige daarvoor de maatregel van waarschuwing opgelegd. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege vernietigen en de klacht alsnog ongegrond verklaren.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:144 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2950
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:144
Klacht tegen een SEH-arts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de SEH-arts werkzaam is. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. Patiënte heeft zich in de avond gemeld op de SEH, en is ‘s-nachts vanuit de SEH opgenomen in het ziekenhuis. De volgende ochtend is zij overleden. Verweerster was de dienstdoend SEH-arts. Klaagster verwijt de SEH-arts dat zij ten onrechte behandelcode A heeft gewijzigd in behandelcode B, heeft belemmerd dat patiënte naar de intensive care is gegaan en patiënte in plaats daarvan naar een niet geschikte afdeling is gebracht zonder verdere monitoring (in samenwerking met de arts-assistent), de medicatielijst niet heeft aangepast aan de klachten die patiënte had. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:138 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2974
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:138
Ongegronde klacht tegen een tandarts. De tandarts is werkzaam bij een praktijk gespecialiseerd in tandheelkundige spoedgevallen. Klager heeft zich tot de praktijk gewend in verband met plotselinge kiespijn. De tandarts heeft bij klager het eerste deel van een endodontische behandeling uitgevoerd. Klager verwijt de tandarts dat zij de endodontische behandeling onzorgvuldig heeft uitgevoerd omdat er een zenuwdeel zou zijn achtergebleven in de kies waardoor klager veel pijn had. Daarnaast verwijt hij de tandarts dat zij gebrekkig is geweest in haar nazorg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met dit oordeel en verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:145 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2025/2951
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:145
Klacht tegen een arts. Klaagster heeft klachten ingediend over de zorg die aan haar moeder is verleend in het ziekenhuis waar de arts als arts-assistent werkzaam was. De moeder van klaagster was bekend met onder meer astma, diabetes, een verhoogde bloeddruk, obstructieve slaapapneusyndroom, obesitas en borstkanker. Patiënte heeft zich in de avond gemeld op de SEH en is ‘s-nachts vanuit de SEH opgenomen in het ziekenhuis. De volgende ochtend is zij overleden.De arts was in het kader van haar opleiding tot militair arts net begonnen als arts-assistent op de SEH. De opname van patiënte op de SEH waar het in deze zaak om gaat, vond plaats aan het einde van haar vijfde dienst. Klaagster verwijt de arts dat zij ten onrechte behandelcode A heeft gewijzigd in behandelcode B, heeft belemmerd dat patiënte naar de intensive care is gegaan en patiënte in plaats daarvan naar een niet geschikte afdeling is gebracht zonder verdere monitoring (in samenwerking met de SEH-arts), de medicatielijst niet heeft aangepast aan de klachten die patiënte had. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege acht het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de arts geen contact heeft opgenomen met de longarts toen de omvang en complexiteit van de medicatielijst haar duidelijk werden. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond maar legt de arts geen maatregel op.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:139 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3040
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:139
Klaagster werd vanuit het ziekenhuis verwezen naar de afdeling dermatologie in verband met huidklachten. Zij kreeg antibiotica voorgeschreven. Bij ‘verse’ plekken (huiduitslag) kon klaagster terugkomen. Klaagster werd vervolgens door de arts op consult voor een herbeoordeling gezien. Na onderzoek concludeerde de arts dat er op dat moment geen reden was voor aanvullende diagnostiek. Klaagster vindt onder meer dat zij onvoldoende behandeling heeft gekregen en er onterecht geen nader diagnostisch onderzoek is gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege komt tot datzelfde oordeel en verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2026:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2754
- Datum publicatie: 06-07-2026
- Datum uitspraak: 06-07-2026
- ECLI:NL:TGZCTG:2026:140
.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:161 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8571
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:161
Gegronde klacht tegen een psychiater. Volgens klager heeft de psychiater onzorgvuldig gehandeld omdat zij, door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager, diens belangen in ernstige mate heeft geschonden. Het college is van oordeel dat de psychiater, zoals zij zelf ook heeft erkend, de beëindiging van de behandelrelatie met klager onvoldoende zorgvuldig heeft gedaan. De psychiater is tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten door onaangekondigd en abrupt mee te delen dat zij de behandeling beëindigde, zonder te hebben zorggedragen voor een opvolging van de behandeling, voor overbruggingszorg, voor een overdracht naar de huisarts dan wel voor enige nazorg. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8432
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:157
Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager is in behandeling geweest bij een GGZ-instelling waar verweerster werkzaam is (mede) als algemeen directeur. Volgens klager is door de behandelaars van de GGZ-instelling onzorgvuldig gehandeld door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager. Omdat de algemeen directeur daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt is de klacht ook tegen haar gericht. Het college stelt vast dat de algemeen directeur op geen enkele wijze bij de beëindiging van de behandeling betrokken is geweest. Van een algemene eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur voor het medisch handelen van andere binnen de GGZ-instelling werkzame zorgverleners is in tuchtrechtelijke zin geen sprake. Kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8568
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:158
Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. Klager is in behandeling geweest bij een GGZ-instelling waar verweerster werkzaam is (mede) als algemeen directeur. Volgens klager is door de behandelaars van de GGZ-instelling onzorgvuldig gehandeld door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager. Omdat de algemeen directeur daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt is de klacht ook tegen haar gericht. Het college stelt vast dat de algemeen directeur op geen enkele wijze bij de beëindiging van de behandeling betrokken is geweest. Van een algemene eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur voor het medisch handelen van andere binnen de GGZ-instelling werkzame zorgverleners is in tuchtrechtelijke zin geen sprake. Kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8569
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:159
Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager is ontevreden over de wijze waarop de behandeling is beëindigd.Het college is van oordeel dat het de gz-psycholoog niet kan worden verweten dat de behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd, omdat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling van klager. Weliswaar was zij bij het gesprek waarin de beëindiging van de behandeling aan klager werd medegedeeld aanwezig, maar dit was alleen ter ondersteuning van de psychiater en om de verwachte emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het beëindigen van de behandeling heeft de gz-psycholoog geen bemoeienissen gehad. De klacht is ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2026:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9029
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRZWO:2026:106
klacht tegen huisarts ingediend door nabestaanden van patiente. Beroep op artikel 67 lid 3 Wet BIG door de huisarts is gehonoreerd. Klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2026:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9012
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRZWO:2026:107
Klacht tegen apotheker kennelijk ongegrond. Aan klager zijn door de oogarts oogdruppels voorgeschreven. Vanwege een tekort van deze oogdruppels bij de apotheek, heeft de apotheker aan klager als alternatief verschillende andere druppels verstrekt. Klager verwijt de apotheker dat zij stelselmatig heeft geweigerd de voorgeschreven en medisch noodzakelijke oogdruppels te verstrekken. Het college oordeelt dat de apotheker heeft kunnen volstaan met de door haar gegeven alternatieven. Van een tuchtrechtelijk verwijtbare weigerachtigheid is geen sprake.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:160 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8570
- Datum publicatie: 03-07-2026
- Datum uitspraak: 03-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:160
Ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. De psychotherapeut is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager is ontevreden over de wijze waarop de behandeling is beëindigd.Het college is van oordeel dat het de psychotherapeut niet kan worden verweten dat de behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd, omdat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling van klager. Weliswaar was zij bij het gesprek waarin de beëindiging van de behandeling aan klager werd medegedeeld aanwezig, maar dit was alleen ter ondersteuning van de psychiater en om de verwachte emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het beëindigen van de behandeling heeft de psychotherapeut geen bemoeienissen gehad. De klacht is ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam Herstelbeslissing A2025/8418
- Datum publicatie: 02-07-2026
- Datum uitspraak: 01-07-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:155
Herstelbeslissing van de beslissing van 8 mei 2026 ECLI:NL:TGZRAMS:2026:106 .