Zoekresultaten 21981-22000 van de 22237 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:166 Raad van Discipline Amsterdam 25-579/A/DH

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de dienstverlening eigen advocaat. Hoewel verweerster de belangen van haar cliënt dient te behartigen, blijft zij daarin wel dominus litis. Dat betekent dat verweerster de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die haar goeddunkt en dat zij niet verplicht is gehoor te geven aan verzoeken van haar cliënten waar zij niet achter staat. Het stond verweerster op grond van gedragsregel 14 lid 2 vrij om, gelet op het verschil van inzicht tussen klager en verweerster over de invulling van verweersters bijstand, haar werkzaamheden voor klager te beëindigen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2025:186 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-483/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde over door verweerster in een processtuk over hem opgenomen uitlatingen. De gewraakte uitlatingen zijn niet onjuist en kunnen relevant zijn voor het geschil in kwestie. Hoewel begrijpelijk dat de uitlatingen door klager als vervelend zijn ervaren, is geen sprake van (onnodig) grieven.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:167 Raad van Discipline Amsterdam 25-519/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij gedeeltelijk buiten de vervaltermijn ingediend en daarmee niet-ontvankelijk, gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang en gedeeltelijk kennelijk ongegrond, geen schending gedragsregel 8. Verweerster mocht afgaan op de informatie die zijn van haar cliënten had ontvangen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:133 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-559/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het verwijt dat verweerder zich in een documentaire lasterlijk en smadelijk over klager heeft uitgelaten en onwaarheden heeft verkondigd is op grond van artikel 46g Advocatenwet niet-ontvankelijk. De klacht dat verweerder zich intimiderend en dreigend jegens klager heeft gedragen is kennelijk ongegrond. De klacht dat verweerders brief aan klager verkeerd was geadresseerd mist feitelijke grondslag en is dus eveneens kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:213 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 24-897/AL/MN

    De voorzitter heeft op een onderdeel van de klacht geen beslissing genomen. Verzet gegrond. Klachtonderdeel gegrond. De rest van de klacht is ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:134 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-556/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat in hoedanigheid van deken in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Het feit dat ten gevolge van de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte administratieve fout aanzienlijke vertraging is ontstaan in de behandeling van klagers klacht is naar het oordeel van de voorzitter niet zodanig ernstig dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:214 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-542/AL/MN

    Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij. Alhoewel het naar het oordeel van de voorzitter wel de voorkeur had verdiend om de term ‘bewerken’ te gebruiken in plaats van ‘manipuleren’ in het verweerschrift omdat dat een neutralere term is, maakt dat nog niet dat verweerster daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster heeft voldoende toegelicht waarom zij die term heeft gebruikt en in welke context dat is gebeurd. Daar komt bij dat verweerster klager niet heeft beschuldigd van het manipuleren van stukken maar zich dat heeft afgevraagd. Dat mocht zij zo doen. Klager had bovendien de gelegenheid om daarop in de procedure bij het tuchtcollege te reageren. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:129 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-406/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond. De klachten dat verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 4 lid 1 doordat zij (1) heimelijk geluidsopnames heeft gemaakt van gesprekken tussen haar cliënten en (verschillende medewerkers van) klaagster, terwijl daarvoor geen toestemming was gegeven en zelfs uitdrukkelijk was aangegeven dat het maken van geluidsopnames niet gewenst was en (2) de geluidsopnames vervolgens heeft ingediend bij de rechtbank zijn ongegrond. Nu verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken dat zij geluidsopnames heeft gemaakt en de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten bevatten voor de feitelijke juistheid van het verwijt dat verweerster de geluidsopnames heeft gemaakt, kan de raad niet vaststellen dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Wel staat vast dat verweerster de geluidsopnames in het geding heeft gebracht. Daarmee heeft verweerster echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, nu genoegzaam is gebleken dat in dit geval met het overleggen van de geluidsopnames een redelijk doel werd gediend, terwijl niet is gebleken dat de belangen van verweerster onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:130 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-146/DB/LI

    De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:131 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-181/DB/ZWB

    De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:132 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-095/DB/LI

    Verzet. Op grond van artikel 46j lid 4 jo artikel 46h lid 1 Advocatenwet kan binnen 30 dagen na de dag van verzending van het afschrift van de voorzittersbeslissing daartegen verzet worden ingesteld. De beslissing van de voorzitter is gegeven op 26 maart 2025 en op dezelfde dag per aangetekende post aan klager verzonden. Onderaan de beslissing is vermeld dat een verzetschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na verzending van het afschrift van de beslissing. De termijn van dertig dagen begint op de dag volgend op die van verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het verzetschrift dus ontvangen zijn op de griffie van de raad. Nu het verzetschrift van klager eerst op 29 april 2025 ter griffie van de raad is ontvangen, is het verzet te laat ingesteld. De raad overweegt verder dat, nu niet is gebleken dat de overschrijding van de verzet termijn door klager verschoonbaar is, deze termijnoverschrijding voor rekening van klager behoort te blijven. De conclusie is dan ook dat het door klager ingestelde verzet niet-ontvankelijk is.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:135 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 24-958/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht tegen eigen (voormalig) advocaat over schending van de geheimhoudingsplicht. De raad komt tot de conclusie dat niet is gebleken dat klager tegen het delen van informatie met de media en R desgevraagd geen bezwaren had. Daarmee is niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van gedragsregel 3 lid 3. Verweerder heeft vertrouwelijke informatie gedeeld, terwijl niet is gebleken dat het delen van die vertrouwelijke informatie van zwaarwegend belang was voor klagers zaak. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid in de zin van artikel 10a lid 1 aanhef en sub e Advocatenwet jo. artikel 11a van de Advocatenwet en de op hem rustende geheimhoudingsplicht zoals vastgelegd in gedragsregel 3. Voorwaardelijke schorsing van twee weken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:183 Hof van Discipline 's Gravenhage 250237

    Beklag artikel 13 advocatenwet ongegrond. Klaagster wenst aanwijzing van een advocaat om cassatieberoep in te stellen tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2025. Op de dag voordat de cassatietermijn verstreek, op 8 juli 2025, heeft klaagster aan de deken om aanwijzing van een advocaat verzocht. Dit verzoek is afgewezen omdat de termijn om een advocaat aan te wijzen te kort was. De termijn om cassatie in te stellen zou verstrijken op 9 juli 2025 en de deken kon geen advocaat vinden die dezelfde dag een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2025:136 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-347/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht tegen de eigen voormalig advocaat. Niet gebleken van excessief declareren. Het verwijt dat verweersters werkzaamheden feitelijk niets hebben opgeleverd, mist voorts feitelijke grondslag. De raad acht voorstelbaar dat klager teleurgesteld is over het feit dat de in de arbeidszaak aan hem toegewezen vergoedingen volledig moeten worden aangewend voor de voldoening van de advocaatkosten, maar dit is een rechtstreeks gevolg van de tussen klager en verweerster gemaakte tariefafspraak. Die tariefafspraak is niet ontoelaatbaar. De klacht dat verweerster zich als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling in de tussen klager en zijn (voormalig) werkgever aanhangige appelprocedure ongepast heeft gedragen door gedurende de gehele zitting te lachen is ongegrond omdat deze feitelijke grondslag mist. Verweerster kan niet tuchtrechtelijk worden verweten dat zij klager van 21 - 23 september 2022 persoonlijk heeft benaderd omdat zij toen niet wist dat klager door een advocaat werd bijgestaanm. Van het feit dat verweerster de deurwaarder heeft verzocht om aan klager een dagvaarding te betekenen kan haar naar het oordeel van de raad evenmin een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt, nu de wet voorschrijft dat een civiele (dagvaardings-)procedure aanhangig wordt gemaakt door een bij deurwaardersexploit betekende dagvaarding. De klacht dat verweerster klager op 15 juli 2024 wederom via Whatsapp, per post en per e-mail heeft benaderd, waarbij zij de e-mail “en passant” cc naar klagers advocaat heeft verstuurd, is wel gegrond. Anders dan verweerster heeft betoogd is gedragsregel 25 hier van toepassing, omdat de incassoprocedure, waarin verweerster blijkens het voorblad van het vonnis zichzelf en haar kantoor als advocaat heeft vertegenwoordigd, zo nauw samenhangt met verweersters beroepsuitoefening dat het advocatentuchtrecht in volle omvang van toepassing is. Het stond verweerster niet vrij om klager rechtstreeks aan te schrijven, nu zij had kunnen volstaan met verzending van een brief of e-mail aan klagers advocaat. Naar het oordeel van de raad valt, bij gebreke van een nadere onderbouwing, die niet is gegeven, namelijk niet in te zien dat het beoogde rechtsgevolg niet zou kunnen worden bereikt door de brief of e-mail enkel aan klagers advocaat te zenden. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in strijd met gedragsregel 25 te handelen. Deels gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:187 Hof van Discipline 's Gravenhage 250224

    Afwijzing verzoek tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat in de zaken waarvoor klager een advocaat zoekt, zijnde twee bestuursrechtelijke procedures en een klachtprocedure in het kader van de Wet verplichte GGZ, rechtsbijstand door een advocaat niet is voorgeschreven. Beklag ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:188 Hof van Discipline 's Gravenhage 250195

    Beklag artikel 13 advocatenwet ongegrond. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klager wil voeren verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk is. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:184 Hof van Discipline 's Gravenhage 250231

    Beklag artikel 13 lid 1 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen, aan de beslissing is ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. Uit wat klaagster heeft aangevoerd, blijkt niet dat de klachtencommissie op onzorgvuldige wijze tot haar advies is gekomen. Het hof deelt het standpunt van de deken dat zij dit advies, en de uitkomst ervan, mocht meewegen in haar beslissing. Met betrekking tot de schadevordering die klaagster wenst in te dienen bij de rechter, staat onvoldoende vast welk bedrag klaagster wil vorderen en op welke gronden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:185 Hof van Discipline 's Gravenhage 250225

    Beklag artikel 13 advocatenwet ongegrond. Klager heeft bij de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat voor een aansprakelijkheidsprocedure. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de door klager gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen sprake was van handelen of nalaten van mr. [X] dat schade voor klager heeft veroorzaakt. Van belang is dat mr. [X] in een uitgebreid advies duidelijk heeft aangegeven waarom cassatie naar zijn mening geen redelijke kans van slagen had. Terecht heeft de deken erop gewezen dat na het -negatieve- cassatieadvies de rechtsbijstand waarvoor de toevoeging was verleend, is geëindigd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:186 Hof van Discipline 's Gravenhage 250317

    Klacht over de deken wordt niet verwezen. De deken diende alleen onderzoek te doen naar de klacht over een deken van een ander arrondissement en niet naar de onderliggende klacht. Klager klaagt er dan ook ten onrechte over dat de deken weigert onafhankelijk onderzoek te doen naar zijn onderliggende klacht. Misbruik van klachtrecht, omdat klager over de deken soortgelijke klachten indient als eerder over de andere deken, die betrekking hebben op het onderzoek naar de onderliggende klacht. Daarnaast is het klachtrecht niet bedoeld om te klagen over een dekenvisie of standpunt. De klacht dient dan te worden doorgestuurd naar de raad van discipline voor verdere beoordeling en afdoening.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:175 Raad van Discipline Amsterdam 25-564/A/A

    Voorzittersbeslissing; Kennelijk ongegronde klacht over de eigen advocaat; Niet gebleken is dat de verweersters dienstverlening ondermaats is geweest. Ook heeft verweerster zich zorgvuldig aan de zaak onttrokken door eerst met de deken te overleggen en daarnaast uitstel van de zitting te vragen.