We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 22951-22960 van de 23089 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:111 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-444/DH/RO

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:124 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-277/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat in de hoedanigheid van hulppersoon van een curator. Verweerder is aanwezig geweest bij een taxatie van een woning. Van actieve betrokkenheid bij het taxatieproces, anders dan verweerders enkele fysieke aanwezigheid, is niet gebleken. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:118 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-641/DH/RO

    Gegrond verzet: in de voorzittersbeslissing is het juiste toetsingskader opgenomen, maar dit is niet juist toegepast. Anders dan de voorzitter, is de raad van oordeel dat klager in december 2021 weliswaar het volledige dossier heeft ontvangen, maar dat niet van hem verwacht wordt dat hij dat volledig nakijkt. Pas in mei 2022 is klager bekend geworden met de e-mailwisseling van september 2021. De klacht is dan ook ontvankelijk. Verweerder was echter niet gehouden de betreffende mailwisseling met klager te delen, omdat deze gen belangrijke c.q. relevante informatie bevatte. De mailwisseling zag namelijk op een heel andere situatie. Klacht daarom ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:136 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-002/AL/NN

    Klager heeft de wederpartij van de advocaat bijgestaan als adviseur. Klager is ontvankelijk in zijn klacht omdat de advocaat in een processtuk uitdrukkelijk refereert aan klager. Vanwege de partijdige positie van een advocaat, stond het de advocaat vrij om het rapport van klager in een kritisch daglicht te stellen. De advocaat heeft zich niet onnodig grievend uitgelaten over klager. De raad verklaart de klachtonderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:168 Hof van Discipline 's Gravenhage 260177

    Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De klacht die klager over de deken heeft ingediend heeft betrekking op het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L. De klacht van klager over de deken kan daarom niet los worden gezien van de klacht van klager over mr. L. Om die reden is er van een zelfstandige klacht over de deken geen sprake. Als klager de klacht over mr. L niet had ingetrokken had klager, na betaling van het griffierecht, die klacht kunnen voorleggen aan en laten beoordelen door de raad. Binnen de kaders van die procedure had klager naar voren kunnen brengen op welke punten het vooronderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L (in het bijzonder de visie van de deken dat klager daarbij geen eigen belang zou hebben) niet deugde, en de raad tot een andere conclusie had behoren te komen dan de deken. De raad is namelijk (evenals het hof) niet gebonden aan de bevindingen van de deken uit hoofde van het vooronderzoek.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:131 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-238/DH/DH

    Herstelbeslissing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:132 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-238/DH/DH

    Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:175 Hof van Discipline 's Gravenhage 260039

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat van een aan te wijzen advocaat in de resterende tijd tussen het moment dat het verzoek van klaagster in behandeling kon worden genomen en de datum waarop de cassatietermijn zou verstrijken, redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster al te worden afgewezen. Verder is het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut, maar mag dit aan beperkingen worden onderworpen. Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:169 Hof van Discipline 's Gravenhage 250448

    De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsgeschil. Klaagster komt geen beroep toe op gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Verweerster heeft geen onduidelijkheid laten ontstaan voor welke partij zij optrad. De civielrechtelijke veroordeling dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van de klacht over verweerster. Verweerster was geen partij in die procedure en geen onderdeel van de onderzoekscommissie van B&S. De tuchtrechter is ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader (artikel 46 Advocatenwet) dan de civiele rechter. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad die de klacht ongegrond heeft verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:112 Raad van Discipline Amsterdam 25-865/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Onderliggende procedure betreft een conflict in een VvE. De raad is van oordeel dat verweerder met een geldige opdracht de VvE heeft bijgestaan in de verzoekschriftprocedure die klagers tegen de VvE waren gestart. Klacht in zoverre ongegrond. Klagers hebben geen rechtstreeks belang bij hun klacht over de cliëntrelatie tussen verweerder en zijn cliënten (de VvE en individuele leden van de VvE). Klacht in zoverre niet-ontvankelijk.