Zoekresultaten 1-10 van de 1804 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:9 Hof van Discipline 's Gravenhage 250062

    Klaagsters hebben een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij in een procedure bij de Ondernemingskamer. In hoger beroep is niet in geschil dat verweerder meerdere brieven naar de Ondernemingskamer heeft gestuurd, zonder daarvan een afschrift te sturen aan de wederpartij en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder is echter van mening dat de klacht over dit handelen niet-ontvankelijk is, omdat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Verder voert verweerder in hoger beroep aan dat, als de klacht al ontvankelijk is, aan hem een te zware maatregel is opgelegd. Het hof oordeelt dat niet sprake is van ne bis in idem. Met betrekking tot de maatregel staat feitelijk vast dat verweerder met opzet de naar de Ondernemingskamer gestuurde brieven niet aan de wederpartij heeft gestuurd om deze op achterstand te zetten. Het hof acht deze opzet verzwarend voor de maatregel. De maatregel wordt bevestigd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:8 Hof van Discipline 's Gravenhage 250320

    Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om te klagen over de werkwijze van de deken bij het al dan niet in behandeling nemen van een klacht. Klaagster heeft ook geen belang meer bij dit klachtonderdeel nu de klacht door de deken in behandeling is genomen. In zoverre is de klacht ook prematuur, aangezien nu eerst de procedure bij verweerder moet worden doorlopen, voordat klaagster de mogelijkheid heeft dit aan de orde te stellen bij de raad. Het klachtrecht is er ook niet voor bedoeld is om te klagen over de klachtomschrijving. Daar is de procedure bij de raad voor. Bovendien heeft verweerder ook klaagsters bezwaren tegen de klachtomschrijving in het onderzoek naar de klacht heeft betrokken. Gelet daarop is ook deze klacht prematuur en niet bedoeld voor onderhavige klachtprocedure.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:7 Hof van Discipline 's Gravenhage 250068

    Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij bij het leggen van pandhoudersbeslag. Klager verwijt verweerder dat hij artikel 21 Rv heeft geschonden door cruciale informatie weg te laten uit het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv. Het hof oordeelt dat de klacht gegrond is. Het hof ziet echter aanleiding de aan verweerder opgelegde maatregel van schorsing te wijzigen in een berisping. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat de raad buiten de klachtomschrijving is getreden volgt het hof hem niet. De in dit kader door verweerder aangevoerde punten maken onderdeel uit van de motivering van de maatregel. Het staat de tuchtrechter vrij feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die niet ten grondslag liggen aan de gegrondverklaring van een klacht om te komen tot een passende maatregel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:6 Hof van Discipline 's Gravenhage 250335

    Hoger beroep te laat. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:55 Hof van Discipline 's Gravenhage 240295

    Ongegrond verzet tegen voorzittersbeslissing om een klacht tegen de deken niet te verwijzen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:54 Hof van Discipline 's Gravenhage 250416

    Klager heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Raad van Discipline waarbij het verzet van klager tegen een voorzittersbeslissing ongegrond is verklaard. De door klager aangevoerde gronden zien uitsluitend op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals schending van hoor en wederhoor. Dergelijke klachten leveren naar vaste jurisprudentie geen grond op voor doorbreking van het appelverbod. Klager kan dan ook niet in hoger beroep worden ontvangen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:53 Hof van Discipline 's Gravenhage 250336

    Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.Verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij de klacht niet is verwezen ongegrond. De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen. Het hof sluit zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 250361

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan de afwijzende beslissing is ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de deken terecht heeft opgemerkt dat de verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist en dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. V. daarom geen redelijke kans van slagen heeft.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:51 Hof van Discipline 's Gravenhage 250373

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd die resteerde tot het einde van de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek waarvoor om een advocaat is gevraagd te kort was. Daarnaast is het volgens de deken aan de opstelling van klagers te danken dat hun vorige advocaat zich heeft onttrokken. Het hof heeft het beklag ongegrond verklaard, de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek is inmiddels (ruimschoots) verstreken. Klagers hebben geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek. De door klagers in het beklag genoemde inhoudelijke gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H

    Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.