Zoekresultaten 1-50 van de 2138 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:143 Hof van Discipline 's Gravenhage 240046H

    Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De beslissing waar verzoekster zich op heeft beroepen (ECLI:NL:TAHVD:2022:141) betrof een beklag tegen een weigering van een deken om een advocaat toe te wijzen. Voor die procedures op grond van artikel 13 Advocatenwet, waarin de positie van een klager wezenlijk anders is dan in een klachtprocedure, heeft het hof een uitzondering gemaakt. Nu het hier echter een klachtprocedure betreft tegen een andere advocaat doet de uitzondering die het hof heeft gemaakt zich niet voor.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:91 Raad van Discipline Amsterdam 25-693/A/A

    Raadsbeslissing; ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:144 Hof van Discipline 's Gravenhage 250334

    Voorvragen over de ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep. Appelverbod. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep. Hoger beroep ontvankelijk ten aanzien van één van de in totaal vijf klachtonderdelen. Verweerder was de wederpartij van klager in een procedure met betrekking tot de onderbewindstelling van een cliënte van klager. Verweerder was de advocaat van de bewindvoerder /mentor. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zijn cliënte (financieel) heeft benadeeld en is in dat verband een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur gestart. Klagers verwijten verweerder dat hij in die procedure standpunten heeft aangevoerd waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn, dan wel zaken heeft weggelaten of onjuist heeft weergegeven. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klagers zijn het met die beslissing niet eens en zijn in hoger beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:92 Raad van Discipline Amsterdam 25-904/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende voortvarend zou hebben opgetreden, of dat sprake is geweest van een verkeerde uitleg aan klager of een ontbrekend inzicht van verweerster.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:145 Hof van Discipline 's Gravenhage 250269

    Verweerster was de advocaat van de wederpartij van klaagster in een arbeidsrechtelijk geschil. Verweerster heeft namens haar cliënt de rechtsgeldigheid betwist van een aantal in de arbeidsovereenkomst van haar cliënt opgenomen bedingen. Daarnaast heeft verweerster uitleg gegeven over waarom haar cliënt na zijn uitdiensttreding bij klaagster gebruik is blijven maken van het handelsgegevenssysteem van klaagster. Daarbij heeft verweerster zich volgens klaagster onnodig grievend over klaagster uitgelaten (klachtonderdeel a) en onjuiste informatie aan de rechter verstrekt (klachtonderdeel b). De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klaagster is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:93 Raad van Discipline Amsterdam 26-032/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels gegrond. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend opgetreden in zijn bijstand aan klager. Ook heeft verweerder klager niet goed op de hoogte gehouden van de stand van zaken en alle ontwikkelingen in de procedure van klager. Verweerder heeft klager nauwelijks meegenomen in de correspondentie met onder meer de wederpartij en de rechtbank, waardoor klager bijvoorbeeld niet op de hoogte was van de datum van een rolzitting en hij ook over veel overige informatie niet beschikte. Klager heeft bij verweerder meermaals en herhaaldelijk aangedrongen op het verstrekken van informatie en het verkrijgen van duidelijkheid over de voortgang van zijn zaak, maar verweerder gaf hier niet of nauwelijks gehoor aan. Verweerder heeft hiermee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven omstandigheden kon en mocht worden verwacht. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, acht de raad de oplegging van een berisping passend.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:94 Raad van Discipline Amsterdam 25-707/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerder steken zou hebben laten vallen bij het aanbrengen van de procedure voor een Nederlandse rechter of dat hij op dit punt op enige andere wijze onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat verweerder niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen er tussen klaagster en hem was afgesproken, is de raad evenmin gebleken. Het verwijt dat verweerder er zorg voor had moeten dragen om de auto aan klaagster ter beschikking te stellen, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:95 Raad van Discipline Amsterdam 25-763/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtzaak is deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar declaraties aan de gezamenlijke onderneming te sturen. Klaagster dreigde hierdoor (aanvankelijk) mee te betalen aan de advocaatkosten van verweerster in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Alles overziend acht de raad de oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing passend.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:140 Hof van Discipline 's Gravenhage 250283

    Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij in een familierechterlijk geschil onjuiste en schadelijke informatie over klager heeft verspreid. Verweerder heeft in de door hem ingediende processtukken in de procedure tussen zijn cliënte en klager over een omgangsregeling diverse zeer negatieve uitlatingen en beschuldigingen over klager gedaan, onder meer over het drugsgebruik van klager. Het hof is van oordeel dat verweerder, op basis van (een gebrek aan) de informatie die verweerder op het moment van deze uitlatingen had, niet deze sterk negatieve uitspraken en beschuldigingen aan het adres van klager had mogen doen. Verweerder heeft hiermee de belangen van klager in het familierechtelijk geschil onnodig geschaad. .

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:141 Hof van Discipline 's Gravenhage 250274

    Verweerder heeft de opdracht tot het bijstaan van klager in een cassatieprocedure aanvaard. In de opdrachtbevestiging die aan klager is gestuurd, zijn de argumenten die de gemachtigde van klager naar voren gebracht wilde zien, niet opgenomen. Verweerder heeft vervolgens zonder overleg met klager of zijn gemachtigde een cassatieschriftuur ingediend bij de Hoge Raad. Ook daarin zijn de door gemachtigde van klager voorgestane argumenten niet opgenomen. Verweerder heeft verklaard dat hij dit telefonisch met klager heeft afgestemd, echter een schriftelijke bevestiging hiervan ontbreekt. Het hof is van oordeel dat het van essentieel belang is dat een advocaat belangrijke afspraken met de client schriftelijk vastlegt. In de -zeer korte- opdrachtbevestiging staan geen afspraken over de aanpak van de zaak. Indien verweerder de argumenten die klager, bij monde van zijn gemachtigde, niet aan de Hoge Raad had willen voorleggen, dan past dat enerzijds bij de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt, maar geldt anderzijds dat verweerder daarover bij aanvaarding van de opdracht of nadien duidelijk had moeten zijn. Verweerder heeft op geen enkel moment, tijdens de aanvaarding van de opdracht noch daarna toen hij er achter kwam dat hij de argumenten die gemachtigde van klager niet wilde gebruiken, gecommuniceerd dat hij niet bereid was om deze argumenten in rechte naar voren te brengen. Verweerder heeft evenmin gevraagd of klager dan nog wel wilde dat hij in de cassatieprocedure voor hem zou optreden. Als verweerder telefonisch met klager heeft besproken dat hij de argumenten van de gemachtigde van klager niet zou opnemen, dan had verweerder dit schriftelijk moeten vastleggen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Het verwijt van klager dat verweerder zijn werkzaamheden heeft verricht zónder acht te slaan op de specifieke wensen van klager, wordt versterkt doordat verweerder de cassatieschriftuur heeft ingediend zonder het concept aan klager voor te leggen. Als hij dat had gedaan, dan had klager -of zijn gemachtigde- gezien dat daarin niet stond wat de gemachtigde namens klager had gevraagd. Het argument van verweerder dat hij dominus litis is, maakt niet dat hij zonder meer zonder overleg met zijn client mag handelen. Als verweerder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid als advocaat bepaalde argumenten niet naar voren had willen brengen, dan had hij dit moeten communiceren en in het meest verstrekkende geval de opdracht terug moeten geven. Verweerder heeft niet juist gehandeld door de opdracht aan te nemen en vervolgens -zonder communicatie met de client- zijn eigen gang te gaan bij de uitvoering van die opdracht. Hij heeft hierbij de wensen die namens zijn waren geuit genegeerd. Dat is een taakopvatting die niet bij de advocatuur past. Gezien de aard en de ernst van de in hoger beroep gegrond verklaarde klachtonderdelen, ziet het hof aanleiding de maatregel te verzwaren en over te gaan tot de oplegging van een berisping.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:110 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-193/AL/OV

    Voorzittersbeslissing over advocaat van de wederpartij van klaagster in een familierechtelijk geschil. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënt verkregen informatie zonder nader onderzoek. Van misleiding van de rechter door verweerder is de voorzitter niet gebleken. Alhoewel de verwisseling van de namen van de zoons in het processtuk slordig was, is dat alleen nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:142 Hof van Discipline 's Gravenhage 260112

    De beslissing van de deken om een klacht over een advocaat al dan niet in behandeling te nemen en daarnaar een onderzoek te verrichten, is een procedurele beslissing van de deken en het klachtrecht is geen middel om een dergelijke beslissing van de deken ter discussie te stellen. In artikel 46e Advocatenwet staat dat wanneer het griffierecht niet binnen de daarvoor gegeven termijn wordt betaald, de deken de klacht niet ter kennis van de raad brengt. Voor wat betreft de heffing van het griffierecht handelt de deken dus in overeenstemming met de Advocatenwet. Het klachtrecht is evenmin een middel om dat ter discussie te stellen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:111 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-199/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een letselschadeprocedure. Niet gebleken dat belangrijke informatie ontbreekt in het dossier. Verweerster mocht klager adviseren om in te stemmen met een minnelijke regeling, omdat zij weinig kans zag in een procedure. Verweerster heeft het dossier tijdig aan klager verstrekt. Ook mocht zij de potentieel opvolgend advocaat inlichten over de stand van zaken in het dossier. Niet Verweerster heeft tot slot wel degelijk om voorschotten gevraagd. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:99 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-893/DH/RO 26-039/DH/RO 25-845/DH/RO/D

    Dekenbezwaar en twee klachtzaken. Verweerder heeft delen van zijn dossier uit een persgevoelige gewelds- en zedenzaak in een openbare prullenbak weggegooid. Het vertrouwen in de advocatuur is ernstig geschaad. Maatregelverweer slaagt niet. Voorwaardelijke schorsing van 2 weken met als bijzondere voorwaarde een coachingstraject. Toewijzing proceskostenvergoeding aan klaagsters. Eén gezamenlijke proceskostenveroordeling voor kosten van de NOvA en Staat.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:93 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-145/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over privékwestie van de advocaat. Klacht deels kennelijkniet-ontvankelijk: klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij de klacht over misbruik van toevoeging, nog los van het feit dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster een toevoeging heeft aangevraagd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, omdat niet is gebleken dat verweerster zich in de kwestie in de privésfeer heeft gedragen op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:100 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-585/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:94 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-146/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over privékwestie van de advocaat. Klacht deels kennelijkniet-ontvankelijk: klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij de klacht over misbruik van toevoeging, nog los van het feit dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster een toevoeging heeft aangevraagd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, omdat niet is gebleken dat verweerster zich in de kwestie in de privésfeer heeft gedragen op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:139 Hof van Discipline 's Gravenhage 250222

    Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een geschil tussen klagers en de Stichting T -de opdrachtgever van verweerster- de (historische) adresgegevens van klager sub 1 opgevraagd bij de afdeling burgerzaken van de gemeente. De raad heeft geoordeeld dat genoegzaam is gebleken dat verweerster het verzoek aan de gemeente heeft gedaan met het doel om bewijs te vergaren. Bewijsvergaring mag echter geen reden zijn voor het opvragen van een uittreksel uit de bedoelde registers. Daarnaast heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 25 doordat zij bij brief van 16 februari 2024 rechtstreeks contact heeft opgenomen met klager. De klacht is gegrond verklaard en aan verweerster is de maatregel van berisping opgelegd. Verweerster heeft hiervan beroep ingesteld. Klachtonderdeel 1 opvragen gegevens Het hof stelt vast dat de zaak waarin verweerster optrad voor Stichting T niet kan worden gekwalificeerd als een eenvoudig koop-verkoopgeschil. Gelet op de vordering van Stichting T onderschrijft het hof het standpunt van verweerster dat in deze zaak sprake is van een maatschappelijk belang. Hierbij speelt een rol dat niet alleen is gevraagd om klager sub 1 te veroordelen om de woning terug te geven op grond van artikel 5 MGE (de koop-verkoop) maar dat ook is gevorderd om een bedrag € 160.000,= aan boete toe te wijzen op grond van artikel 9 van de MGE (de zelfbewoningsplicht). Voor de laatste vordering had Stichting T het uittreksel BRP nodig. Nu de cliënte van verweerster naar het oordeel van het hof inderdaad de bevoegdheid had om het uittreksel BRP op te vragen bij de gemeente, gold deze bevoegdheid ook voor verweerster als de advocaat van de Stichting T. Anders dan de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerster met het opvragen van het uittreksel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.Klachtonderdeel 2 rechtstreeks aanschrijven Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerster had kunnen volstaan met verzending van een (aangetekende) brief aan klager sub 2, nu zij wist dat die optrad als gemachtigde van klager sub 1. Verweerster heeft hiermee gedragsregel 25 geschonden. Omdat klachtonderdeel 1 ongegrond is, matigt het hof de door de raad opgelegde maatregel tot een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:101 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-478/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:95 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-156/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Niet gebleken dat een overeenkomst van opdracht is ontstaan. Verweerster kan niet worden verplicht een zaak in behandeling te nemen als zij meent dat deze kansloos is. Geen ongeoorloofde druk door strafrechtelijke aangifte en een dagvaarding aan te kondigen. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:102 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-345/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:96 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-169/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil. Niet gebleken is dat verweerder vervalste documenten heeft ingediend. Ook mocht hij vragen om beveiligingsmaatregelen tijdens een zitting. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:90 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-587/DH/DH

    Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:103 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-190/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Ontvankelijkheidsverweren slagen niet. Klacht over het (willen) vorderen van een daadwerkelijke proceskostenveroordeling kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:97 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-125/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over liegen in de tuchtprocedure kennelijk ongegrond. Klacht voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-626/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:98 Raad van Discipline 's-Gravenhage zaak 25-881/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Het stond verweerder vrij om geen procedure te starten omdat hij vond dat het causaal verband onvoldoende bewezen kon worden. Ook is het begrijpelijk dat verweerder geen procedure wilde starten over onderwerpen waarover al finale kwijting was verleend. Verweerder was niet gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage was betaald. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:92 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-144/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over een piketadvocaat. Hoewel fysieke aanwezigheid van de advocaat bij een verhoor sterk de voorkeur verdient, is telefonische bijstand niet klachtwaardig. De rol van de advocaat tijdens een verhoor is om ervoor te zorgen dat de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, dat hij niet onder oneigenlijke druk wordt gezet en dat het verhoor ordentelijk verloopt. Als dat zo is, is ingrijpen van de advocaat niet nodig. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:137 Hof van Discipline 's Gravenhage 250426

    Klacht over de advocaat van de wederpartij. Geen strijd met ne-bis-in-idembeginsel omdat de klacht van klaagster niet gelijk is aan een eerdere klacht waarop onherroepelijk is beslist. De onderhavige klacht heeft betrekking op een ander document dat door verweerster in een andere procedure tussen klaagster en de cliënte van verweerster in het geding is gebracht. Het indienen van de klacht is evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Klaagster is ontvankelijk; de klacht wordt ook in beroep door het hof ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:131 Hof van Discipline 's Gravenhage 250343

    Bekrachtiging beslissing raad. Klacht over de dienstverlening door verweerder en de wijze waarop verweerder die dienstverlening vormgeeft qua inhoud en qua communicatie. De dienstverlening in de zaak van klaagster was ondermaats en het hof is met de raad van oordeel dat verweerder daarin op verschillende manieren is tekortgeschoten. Mede rekening houdend met de beide andere tuchtzaken tegen verweerder waarin gelijktijdig is beslist, volgt de maatregel van schrapping van het tableau (zie beslissing 250246D).

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:138 Hof van Discipline 's Gravenhage 250467

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd om aan klagers herhaalde verzoek te voldoen. Zij heeft eerder een advocaat aangewezen voor het hoger beroep dat klager wilde instellen tegen een vonnis van de kantonrechter. Dat de aangewezen advocaat na het geven van een procesadvies klager niet heeft willen bijstaan omdat een hoger beroep naar verwachting zou leiden tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. Van belang is in dit geval dat de aangewezen advocaat de beslissing heeft gebaseerd op een inhoudelijk voldoende onderbouwd procesadvies. Het hof is daarbij niet gebleken van de door klager gestelde “ondermijnende voorwaarden” die volgens klager aan de eerdere aanwijzing zouden zijn verbonden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:132 Hof van Discipline 's Gravenhage 260025

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat alles heeft klaagster niet gedaan. Het hof kan uit de van klaagster ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klaagster -anders dan de deken- van mening is dat haar verzoek voldoende duidelijk is en voldoende onderbouwd, maar tegelijkertijd wordt ook vastgesteld dat klaagster zelfs het processtuk waar het allemaal om gaat niet ter beschikking wil stellen. Het hof heeft uit alle stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een kort geding wenst te entameren en is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd.Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:133 Hof van Discipline 's Gravenhage 260024

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond.Allereerst overweegt het hof dat het (preliminaire) verweer van de deken dat beklag zich richt tegen mr. Rosier, terwijl het besluit is genomen door waarnemend deken mr. Van der Ende, niet slaagt. Een besluit ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Advw om (g)een advocaat aan te wijzen wordt genomen door de deken, in het onderhavige geval door de (bevoegde) waarnemend deken. Het eventuele beklag richt zich -anders dan een tuchtklacht- tegen de beslissing en niet tegen de persoon van de beslisser. Het beklag ingevolge artikel 13 Advw is dan ook terecht gericht aan degene voor of namens wie de waarnemend deken zijn beslissing heeft genomen.Uit de aanvraag maakt het hof op dat klager bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. Omdat in het bestuursrecht bijstand door een advocaat niet verplicht is, kan het beklag van klager tegen de afwijzingsbeslissing van de waarnemend deken niet slagen. Ten aanzien van de uitbreiding van het aanwijzingsverzoek van klager, althans zijn aanvullingen tijdens deze beklagprocedure, stelt het hof vast dat deze uitbreiding te laat is geschied en daarnaast niet is onderbouwd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:134 Hof van Discipline 's Gravenhage 260015

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof stelt vast dat klager, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt welke vordering hij wenst in te stellen, wat de grondslag van die beweerdelijke vordering is, bij welke instantie hij een procedure wil starten en wat zijn belang bij een dergelijke procedure is. Verder ontbreken concrete stukken die als aanknopingspunt kunnen dienen voor een juridische procedure. Als gevolg daarvan kan de haalbaarheid van een eventuele procedure niet worden beoordeeld. Evenmin kan worden beoordeeld of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk of vereist is. Ten aanzien van de verjaring heeft klager wel een bewijs van de verzending van een aangetekende brief overgelegd, maar de brief zelf niet, zodat niet kan worden vastgesteld wat de inhoud van de brief is en of het gestelde vorderingsrecht is gestuit en om die reden nog succesvol kan zijn. Het hof stelt daarbij vast dat klager bij zijn beklag heeft aangevoerd dat hij wil dat een advocaat wordt aangewezen om de verjaring van zijn vorderingen te stuiten. Uit de eigen stellingen van klager volgt echter dat daarin inmiddels zou zijn voorzien, zodat het beklag om die reden ook niet kan slagen. Voor een stuitingshandeling is daarenboven geen advocatenbijstand vereist.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:135 Hof van Discipline 's Gravenhage 260009

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen, omdat klaagster niet in de positie verkeert dat zij geen advocaat bereid kan vinden om haar bij te staan. Dat klaagster het kennelijk niet eens is met de wijze waarop haar advocaat de zaak aanpakt(e) is geen reden voor aanwijzing van een (nieuwe) advocaat. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:129 Hof van Discipline 's Gravenhage 250221

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Gedeeltelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan eigen belang. Verwijt dat verweerder vertrouwelijke stukken uit de mediation in procedures heeft overgelegd, gegrond. De raad heeft de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard, omdat de raad vanwege het geslaagde beroep van verweerder op zijn verschoningsrecht niet heeft kunnen vaststellen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder tegenover klaagster - de wederpartij - een beroep mag doen op zijn geheimhoudingsplicht jegens zijn oud-cliënten. Dat betekent echter niet dat de klachtonderdelen, waarvoor verweerder zich op zijn geheimhoudingsplicht beroept, ongegrond moeten worden verklaard vanwege het enkele feit dat verweerder zich daartegen niet heeft verweerd of kunnen verweren. Of die klachtonderdelen al dan niet gegrond moeten worden verklaard, hangt af van de feiten die, in dit geval met name aan de hand van de verschillende uitspraken van gerechtelijke instanties, ook zonder kennisneming van eventuele verweren van verweerder kunnen worden vastgesteld. Het hof verklaart deze klachtonderdelen voor het overgrote deel alsnog gegrond. Het had in deze specifieke zaak op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de informatie die hem door zijn cliënten werd aangereikt. Dat verweerder dit heeft gedaan is niet gebleken. Hij meegewerkt aan een opzetje om de executie van dwangsommen door klaagster te frustreren op basis van een vage, niet onderbouwde vordering, wat bovendien praktisch volledig buiten de beweerdelijke schuldeiser is omgegaan. Verweerder is meegegaan in het leggen van beslag op basis van ernstige beschuldigingen jegens klaagster, die mede gebaseerd bleken te zijn op gemanipuleerde beelden, die verweerder had kunnen en moeten controleren. Bijzonder kwalijk is dat verweerder aantoonbaar (en in rechte vastgesteld) in meerdere procedures - bewust - onjuiste en/of misleidende informatie aan de rechter heeft verstrekt, relevante feiten heeft verzwegen en betrokken is geweest bij acties om klaagster via publicaties in een kwaad daglicht te stellen. Verweerder heeft de kernwaarde onafhankelijkheid volledig uit het oog verloren. Onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:136 Hof van Discipline 's Gravenhage 250452

    Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Hoewel verweerster een processtuk van de wederpartij van klaagster niet direct na ontvangst heeft doorgestuurd naar klaagster, heeft verweerster – toen zij dit ontdekte – adequaat en zoals van een betamelijk handelend advocaat verwacht mag worden gehandeld. Ook overigens is niet gebleken dat verweerster in haar werkzaamheden voor klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Evenals de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden acht ook het hof de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:130 Hof van Discipline 's Gravenhage 250211D

    Dekenbezwaar. Er bestaan voldoende aanknopingspunten tussen het beroep van verweerder als advocaat en zijn doen en laten als bestuurder van onder meer een stichting voor een tuchtrechtelijke beoordeling. Verweerder had een persoonlijk belang bij zijn optreden als advocaat voor de stichting en deze “dubbele pet” heeft de onafhankelijkheid verweerder als advocaat aangetast. De belangen van de stichting kwamen niet (steeds) overeen met de belangen van verweerder als bestuurder en in privé. Door het aangaan van een A-B-C-transactie heeft verweerder zijn persoonlijke belang laten prevaleren boven het belang van de stichting. Ook uit een uitspraak van het gerechtshof blijkt dat verweerder zichzelf met die transactie financieel heeft willen bevoordelen. Verweerder heeft ook niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen als bestuurder door geen deugdelijke administratie te voeren. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. Nu verweerder niet of nauwelijks inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen en ook overigens geen blijk heeft gegeven van enige zelfreflectie, verzwaart het hof de door de raad opgelegde maatregel tot een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:107 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-847/AL/GLD

    Klagers zijn als eigenaren van een appartement verenigd in een vereniging van eigenaren. Verweerder is sinds 2019 de advocaat van de VvE. Dat door de gang van zaken rondom onder meer de instemming met een vaststellingsovereenkomst na mediation bij klagers verwarring is ontstaan over de hoedanigheid van verweerder, betekent nog niet dat hem daarvan ook tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Uit de stukken is de raad namelijk niet gebleken dat verweerder klagers onjuist heeft geadviseerd over zijn rol of hoedanigheid of dat verweerder daarin op enigerlei andere wijze is tekortgeschoten. Verweerder heeft als advocaat in opdracht van (het daartoe bevoegde bestuur van) de VvE gehandeld en kon in die hoedanigheid ook de VvE vertegenwoordigen in een procedure die een aantal leden - waaronder klagers - tegen de VvE hadden aangespannen. Verder is de raad van oordeel dat verweerder met de gewraakte uitlatingen niet de grens van het toelaatbare heeft opgezocht of overschreden. Hij heeft die uitlatingen gedaan namens de VvE. Dat klagers de door verweerder gebruikte bewoordingen als kwetsend en intimiderend hebben ervaren, is onvoldoende om daarvan aan verweerder tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:108 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-849/AL/GLD

    Klaagster is als eigenaar van een appartement in een complex lid van een vereniging van eigenaren. Verweerder is sinds 2019 de advocaat van de VvE. Dat door de gang van zaken rondom onder meer de instemming met een vaststellingsovereenkomst na mediation bij klaagster als toenmalig bestuurslid verwarring is ontstaan over de hoedanigheid van verweerder, betekent nog niet dat hem daarvan ook tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Uit de stukken is de raad namelijk niet gebleken dat verweerder klaagster onjuist heeft geadviseerd over zijn rol of hoedanigheid of dat verweerder daarin op enigerlei andere wijze is tekortgeschoten. Verweerder heeft als advocaat in opdracht van (het daartoe bevoegde bestuur van) de VvE gehandeld en kon in die hoedanigheid ook de VvE vertegenwoordigen in een procedure die een aantal leden - niet klaagster - tegen de VvE hadden aangespannen. Niet is gebleken dat verweerder uitlatingen tegen klaagster heeft gedaan waarmee hij de grens van het toelaatbare heeft opgezocht of overschreden. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:109 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-894/AL/OV

    Klacht over eigen advocaat. De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klaagster, zijn cliënte, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al (meermaals) eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:128 Hof van Discipline 's Gravenhage 250346D

    Dekenbezwaar betreffende een praktijkvoering in strijd met de kernwaarden kwaliteit (deskundigheid) en integriteit. Naast het dekenbezwaar zijn bij de raad en het hof gelijktijdig twee klachten van oud-cliënten behandeld (250343 en 250344). De raad heeft de klachten en het dekenbezwaar gegrond verklaard en verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:124 Hof van Discipline 's Gravenhage 250427

    Deze zaak betreft een klacht van een advocaat tegen een andere advocaat. Volgens klager was verweerster zijn advocaat en heeft zij haar geheimhoudingsplicht geschonden door in een procedure tussen klager en de deken informatie aan de deken te verstrekken. Daarnaast zou verweerster een belofte niet zijn nagekomen, zich onnodig grievend over klager hebben uitgelaten en hebben gehandeld in strijd met gedragsregel 15 lid 1 onder b. Het hof verklaart -net als de raad- de klacht op alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:125 Hof van Discipline 's Gravenhage 250311D

    De deken heeft een dekenbezwaar ingediend tegen verweerster. De raad heeft bij tussenbeslissing een vooronderzoek gelast. De raad verklaart het dekenbezwaar gegrond en legt aan verweerster de maatregel van schrapping op. In hoger beroep oordeelt het hof dat de resultaten van het vooronderzoek deels niet als juist kunnen worden aanvaard, omdat deze niet berusten op een deugdelijke grondslag. Een deel van bevindingen van het vooronderzoek zijn slechts summier vastgelegd en een deel in het geheel niet. Van verweerster kan niet worden verlangd bevindingen die summier zijn onderbouwd met bewijs en bevindingen die in het geheel niet zijn vastgelegd te weerleggen. Het hof komt tot het oordeel dat het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster tekortschieten en dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de waarneming, de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring. Mede gelet op het tuchtrechtelijke verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:126 Hof van Discipline 's Gravenhage 260145

    Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is niet bedoeld om het hof te verzoeken te interveniëren in de behandeling van het verzoek van klager om aanwijzing van een advocaat. Klager zal de behandeling van zijn verzoek door de deken dienen af te wachten. Het klachtrecht is evenmin bedoeld om te klagen over een procedurele beslissing van de deken waarmee men het niet eens is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:127 Hof van Discipline 's Gravenhage 260126

    Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Verkort dekenonderzoek in verband met herhaalde klachten en niet betalen griffierecht is een procedurele beslissing die in de (verdere) klachtprocedure aan de orde kan worden gesteld.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:105 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-188/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klaagster is via DAS bij verweerder gekomen voor rechtsbijstand in een geschil met haar buren over een erfdienstbaarheid (van uitweg). Na onderzoek heeft verweerder besloten de zaak verder niet in behandeling te nemen omdat sprake van een kansloze zaak was. Die beslissing stond hem vrij. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:87 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-682/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerster heeft onvoldoende distantie betracht ten opzichte van haar cliënte door namens haar bij klager aan te dringen op het versturen van een toestemmingsformulier, terwijl dat niet vereist was volgens het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan. Door desalniettemin te stellen dat klager het formulier moest hebben en het formulier ook als voorwaarde te stellen voor instemming met de vakantie, heeft verweerster de belangen van klager onnodig geschaad. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:106 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-772/AL/NN

    Klaagster is een vereniging van eigenaren waarvan verweerder jarenlang de advocaat was. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend of ondeskundig heeft opgetreden. Verweerder is naar het oordeel van de raad wel tekortgeschoten in zijn communicatie met (het nieuwe bestuur van) klaagster. Vast staat dat verweerder over de naleving van het kort geding vonnis door de wederpartij en inning van de verbeurde dwangsommen met het oud-bestuur van de VvE heeft gecorrespondeerd en afspraken heeft gemaakt. Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder en het nieuwe bestuur langs elkaar heen hebben gecommuniceerd, in het bijzonder over de vraag over welke dwangsommen het ging. Alhoewel verweerder inhoudelijk op de vragen namens het nieuwe bestuur heeft gereageerd, bleek uit hun reacties dat zijn antwoorden tot nog meer onbegrip en irritatie leidden. Die situatie had naar het oordeel van de raad toen voor verweerder aanleiding moeten zijn om de regie te nemen en een verhelderend gesprek met het nieuwe bestuur te regelen, zeker gelet op de juridische complexe materie. Verweerder heeft de voor het nieuwe bestuur ontbrekende informatie, de door hem ontvangen e-mails van jaren geleden van het oud-bestuur van de VvE, ook pas voor het eerst bij zijn verweerschrift bij de deken gevoegd. Het nieuwe bestuur heeft daarvan toen pas kennis kunnen nemen terwijl daarover door het bestuur al bijna een jaar eerder meermaals vragen aan verweerder waren gesteld. Tijdens de zitting bij de raad heeft verweerder verklaard dat de indringende en eisende toonzetting in de e-mails van het nieuwe bestuur ertoe hebben geleid dat hij zijn cliënt meer zag als zijn wederpartij dan als zijn eigen cliënt en zich daarom zo heeft opgesteld. Dat is voor een deskundig advocaat met voldoende professionele afstand geen rechtvaardiging voor zijn handelen. Dit alles leidt tot de maatregel van een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:88 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-818/DH/DH

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Verweerder heeft nagelaten om bij aanvang een kosteninschatting te geven aan klager en hem op de hoogte te houden van zijn tijdsbesteding. Niet voldaan aan gedragsregel 17. Berisping.