Zoekresultaten 1-20 van de 1986 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:118 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-132/AL/NN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over een deken kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:284 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-075/AL/OV

    Verzetbeslissing. Er is door de voorzitter in de voorzittersbeslissing niet op alle klachtonderdelen beslist. Verzet gegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:58 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-051/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het verwijt, dat verweerder ondanks een belangenconflict tegen klager heeft opgetreden is ongegrond. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat klager tijdens het gesprek met mr. H informatie heeft verstrekt die verweerder moest beletten om tegen klager op te treden. Van (de schijn van) belangenverstrengeling, zoals genoemd in het toetsingskader onder 5.3, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Evenmin is gebleken dat verweerder heeft geweigerd inhoudelijke antwoorden gegeven en zich obstructief heeft opgesteld, noch dat hij een misleidend schikkingsvoorstel heeft gedaan, zonder dit te onderbouwen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:59 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-242/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken. Vast staat dat klaagster reeds eerder heeft geklaagd over verweersters optreden. De voorzitter constateert in de eerste plaats dat de onderhavige klacht van gelijke aard en inhoud is en op hetzelfde feitencomplex ziet als de eerdere klacht. De raad heeft deze eerdere klacht bij beslissing van 7 april 2026 ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de raad hoger beroep ingesteld, zodat de beslissing van de raad van 7 april 2026 nog niet onherroepelijk is geworden. Het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, staat om die reden niet aan ontvankelijkheid van de onderhavige (tweede0 klacht van klaagster niet in de weg. De voorzitter constateert in de tweede plaats dat uit het onderhavige klachtdossier geen andere – voor de beoordeling van de klacht relevante – feiten blijken dan zoals reeds door de raad vastgesteld in de genoemde beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45). De voorzitter ziet in hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht geen aanleiding om anders te oordelen dan de raad heeft gedaan in de genoemde beslissing van 7 april 2026 (ECLI: NL:TADRSHE:2026:45). Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:60 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-773/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klager verwijt verweerster dat zij hem niet naar behoren heeft bijgestaan, nu zij geen regeling met de Duitse fiscus voor klager heeft getroffen, waardoor klager schade heeft geleden. De raad oordeelt dat klager in de zaak waarop de onderhavige klacht betrekking heeft geen cliënt is geweest van verweerster. Omdat verweerster in het geschil met de Duitse fiscus niet als advocaat voor klager is opgetreden, mist het tuchtrechtelijk verwijt van klager, dat verweerster klager niet naar behoren heeft bijgestaan, omdat zij voor hem geen regeling heeft getroffen, feitelijke grondslag. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:116 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-185/AL/MN

    voorzittersbeslissing van klacht tegen een deken. Niet is gebleken dat verweerster haar taak als deken verwaarloosd heeft doordat zij op 27 januari 2022 niet aanwezig was bij de civiele beslaglegging onder klager als voormalig bestuurder van een stichting, dat was gevestigd op hetzelfde adres als het advocatenkantoor van verweerder. Geen (rechts)regel verplicht een deken daartoe. Nu de afwezigheid van verweerster ten tijde van de beslaglegging onder klager het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad. Naar het oordeel van de voorzitter kan het optreden van de deurwaarder op 27 januari 2022 of het handelen van de nieuwe bestuurder van de stichting verweerster niet worden aangerekend. Daar stond zij immers buiten. Op verzoek van de nieuwe bestuurder van de stichting heeft verweerster een praktisch voorstel gedaan om een oplossing te vinden vanwege de patstelling tussen klager en de bestuurder over de inbeslaggenomen administratie. Klager heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om van dat aanbod geen gebruik te maken. Niet valt in te zien in welke zin door het optreden van verweerster het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Ook overigens oordeelt de voorzitter de klachten kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:61 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-683/DB/LI

    Verzet. De raad is op grond van het verzetschrift van oordeel dat de verzetgronden van klager niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:117 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-213/AL/GLD

    voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder op zorgvuldige en deskundige wijze in heldere bewoordingen met klager gecommuniceerd over de inhoud van de eventuele opdracht, de eventuele kosten daarvan en over de voorwaarden die verweerder aan het aannemen van de opdracht stelde. Dreigend of onnodig grievend taalgebruik door verweerder richting klager blijkt niet uit de stukken. Evenmin volgt daaruit dat verweerder zich niet integer of onethisch heeft gedragen. Klager heeft die ernstige verwijten tegenover de betwisting daarvan door verweerder, ook geenszins inzichtelijk gemaakt. Dat een vaste prijsafspraak is gemaakt is niet komen vast te staan. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:56 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-019/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder de afwikkeling van de nalatenschap fors heeft vertraagd en gefrustreerd, noch dat hij, zonder voorafgaand onderzoek en zonder feitelijke onderbouwing, onjuiste stellingen heeft herhaald. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:57 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-058/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 21 lid 3 en 25, doordat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en doordat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. Daarmee staat vast dat verweerster in een en dezelfde zaak meerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Dat verontrust de raad want hierdoor ontstaat de indruk dat verweerster structureel onvoldoende alertheid betoont bij het naleven van de gedragsregels. Omdat verweerster ter zitting op overtuigende wijze reflectie heeft getoond, aan klaagster haar verontschuldigingen heeft aangeboden, de gedragsrechtelijke misstappen van verweerster van relatieve ernst zijn en geen schade bij klaagster hebben veroorzaakt, zal de raad echter volstaan met oplegging van een waarschuwing. Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels 21 lid 3 en 25, doordat zij een niet voor haar of haar cliënt bestemde e-mail van 8 oktober 2024 aan haar cliënt heeft doorgestuurd en doordat zij in rechte feiten heeft gesteld, waarvan zij de onjuistheid kende. Daarmee staat vast dat verweerster in een en dezelfde zaak meerdere tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Dat verontrust de raad want hierdoor ontstaat de indruk dat verweerster structureel onvoldoende alertheid betoont bij het naleven van de gedragsregels. Omdat verweerster ter zitting op overtuigende wijze reflectie heeft getoond, aan klaagster haar verontschuldigingen heeft aangeboden, de gedragsrechtelijke misstappen van verweerster van relatieve ernst zijn en geen schade bij klaagster hebben veroorzaakt, zal de raad echter volstaan met oplegging van een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:113 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-075/AL/OV

    Na een gegrond verzet heeft de raad de klacht inhoudelijk als volgt beoordeeld. Verweerder wist van zijn cliënte dat klager in een andere procedure tegen zijn cliënte een verklaring van mevrouw M had overgelegd. Volgens zijn cliënte had mevrouw M met die verklaring haar geheimhoudingsbeding als ex-werknemer van cliënte geschonden. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder - als niet betrokken advocaat - op verzoek van zijn cliënte rechtstreeks aan mevrouw M vragen naar de echtheid van die verklaring en had hij haar daarbij ook mogen wijzen op de mogelijke schending van het geheimhoudingsbeding. Dat laatste heeft verweerder echter niet in zijn brief van 1 maart 2024 aan mevrouw M genoemd. In plaats daarvan heeft hij mevrouw M gewezen op de onjuistheid van haar verklaring, haar aansprakelijk gesteld voor mogelijke schade voor zijn cliënte en daarbij ook mogelijke serieuze strafrechtelijke gevolgen genoemd. Een advocaat kan zich niet verschuilen achter een van zijn cliënt verkregen opdracht. Verweerder had ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van klager bij die verklaring en de belangen van mevrouw M. Met de toonzetting van zijn brief, die onnodig door de deurwaarder aan mevrouw M is betekend, is verweerder de grenzen van het betamelijke te buiten gegaan. Ook al was verweerder niet als advocaat bij die andere procedure betrokken, had hij gelet op de strekking van gedragsregel 22, die mogelijke getuige niet op deze wijze mogen benaderen. Dat is geen gedrag dat een advocaat betaamt. Het verwijt dat verweerder zich meermaals aan belangenverstrengeling schuldig heeft gemaakt, is de raad uit de stukken niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een advocaat-cliënt relatie of dat verweerder de grenzen van het betamelijke hierin heeft overschreden. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:114 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-662/AL/NN

    De raad heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende momenten niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en onvoldoende duidelijk met klager, zijn cliënt, heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:146 Hof van Discipline 's Gravenhage 240358

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 15 heeft gehandeld door zowel voor haar als (voormalig) cliënte van verweerder als voor de wederpartij op te treden in een geschil tussen hen beiden. De raad heeft geoordeeld dat de advocaat van klaagster (als voldoende gelijkwaardige partij) op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze namens klaagster heeft ingestemd met de bemiddeling door verweerder tussen klaagster en de wederpartij (gedragsregel 15 lid 4), Klaagster heeft in hoger beroep met name bezwaren gericht tegen het gedeeltelijk buiten behandeling laten door de raad van haar oorspronkelijk bij de deken ingediende klacht en heeft verzocht om terugwijzing naar de raad. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de raad en beslist op de klacht zoals die bij de raad is voorgelegd. De in het beroepschrift geformuleerde beroepsgronden bevatten geen grief tegen het inhoudelijk oordeel van de raad, zodat dit (in beginsel) vast staat. Voorzover klaagster heeft bedoeld het hoger beroep eveneens te richten tegen de beslissing van de raad, is het hof het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:115 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-666/AL/OV

    Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Gedragsregel 6. Gedragsregel 24. De raad verklaart de klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:147 Hof van Discipline 's Gravenhage 250259

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster verwijt verweerder onder andere dat hij de procedure tussen klaagster en zijn cliënte heeft gefrustreerd door gebruikmaking van een offensieve processtrategie, heeft gedreigd met een tuchtklacht om klaagster en diens advocaat te beletten bepaalde informatie te delen met de door de rechter benoemde deskundige, zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten en zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift. De raad heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat verweerder mocht afgaan op de uitlatingen van zijn cliënte en dat niet gebleken is dat er hier reden was voor verweerder om daaraan te twijfelen. Het hof is het verder eens met de beslissing van de raad en sluit zich hierbij aan. Bekrachtiging raadsbeslissing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:55 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-231/DB/LI

    Voorzittersbeslissing. Waar verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken dat zij aan klager rechtsbijstand heeft verleend en de voorzitter dit ook niet is gebleken uit de overgelegde stukken, kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster klager heeft bijgestaan. Omdat niet is gebleken dat verweerster klager heeft bijgestaan, mist de klachtonderdeel 1, dat betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening, feitelijke grondslag. Klachtonderdeel 1 is dus kennelijk ongegrond. Dat verweerster, in haar hoedanigheid van kantoordirecteur, klager heeft aangesproken op nakoming van de overeengekomen betalingsregeling, maakt niet dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verweerster mocht klager namens het kantoor verzoeken tot betaling. Klachtonderdeel 2 is kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:143 Hof van Discipline 's Gravenhage 240046H

    Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De beslissing waar verzoekster zich op heeft beroepen (ECLI:NL:TAHVD:2022:141) betrof een beklag tegen een weigering van een deken om een advocaat toe te wijzen. Voor die procedures op grond van artikel 13 Advocatenwet, waarin de positie van een klager wezenlijk anders is dan in een klachtprocedure, heeft het hof een uitzondering gemaakt. Nu het hier echter een klachtprocedure betreft tegen een andere advocaat doet de uitzondering die het hof heeft gemaakt zich niet voor.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:91 Raad van Discipline Amsterdam 25-693/A/A

    Raadsbeslissing; ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:144 Hof van Discipline 's Gravenhage 250334

    Voorvragen over de ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep. Appelverbod. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep. Hoger beroep ontvankelijk ten aanzien van één van de in totaal vijf klachtonderdelen. Verweerder was de wederpartij van klager in een procedure met betrekking tot de onderbewindstelling van een cliënte van klager. Verweerder was de advocaat van de bewindvoerder /mentor. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zijn cliënte (financieel) heeft benadeeld en is in dat verband een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur gestart. Klagers verwijten verweerder dat hij in die procedure standpunten heeft aangevoerd waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist zijn, dan wel zaken heeft weggelaten of onjuist heeft weergegeven. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Klagers zijn het met die beslissing niet eens en zijn in hoger beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:92 Raad van Discipline Amsterdam 25-904/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende voortvarend zou hebben opgetreden, of dat sprake is geweest van een verkeerde uitleg aan klager of een ontbrekend inzicht van verweerster.