Zoekresultaten 3401-3450 van de 3538 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:268 Hof van Discipline 's Gravenhage 250428
- Datum publicatie: 19-08-2026
- Datum uitspraak: 17-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:268
Klagers hebben een klacht ingediend over verweerder. Verweerder heeft namens zijn cliënten eerder klachten over klagers ingediend, bij het hof bekend onder de nummers 250437 en 250438. Naar het oordeel van de Raad van Discipline kunnen de in die laatstgenoemde klachten door verweerder gebruikte bewoordingen niet anders worden uitgelegd dan dat hij klagers voor leugenaar uitmaakt. Het had verweerder gesierd als hij zijn fouten meteen na ontdekking en zonder voorbehouden had rechtgezet. Verweerder heeft dat naar het oordeel van de raad onvoldoende oprecht gedaan en heeft een waarschuwing opgelegd. Verweerder is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline duidt het gedrag van verweerder anders en vernietigt de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:269 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 17-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:269
Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd. Maatregel beripsping.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:27 Hof van Discipline 's Gravenhage 250354
- Datum publicatie: 30-01-2026
- Datum uitspraak: 30-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:27
Beklag artikel 3 ongegrond. Het beklag heeft betrekking op het niet aanwijzen van een advocaat voor een door hem te doorlopen bodemprocedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak. Het hof is van oordeel dat deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat indien klager het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, het op de weg ligt van klager om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak. Het rechtsstelsel kent specifieke correctiemechanismen in de vorm van rechtsmiddelen, zoals hoger beroep en cassatie, als een rechter een (vermeende) onjuiste beslissing neemt. Indien klager zich niet met een uitspraak kan verenigen, dient hij, zoals de deken terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, van die rechtsmiddelen gebruik te maken. Naar het hof begrijpt heeft klager hiervoor een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken. Nu ten tijde van het verzoek om aanwijzing een rechtsmiddel openstond was op dat moment redelijkerwijs geen succes te verwachten van een procedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:270 Hof van Discipline 's Gravenhage 250437 250438
- Datum publicatie: 19-08-2026
- Datum uitspraak: 17-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:270
Het betreft een klacht over de curator (verweerster) en over de advocaat van de curator (verweerder). De raad van discipline heeft geoordeeld dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hadden hoeven vragen om een factuur met een specificatie van de toenmalige advocaten van klagers te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. De raad heeft de klacht daarom ongegrond verklaard. Klagers zijn in beroep gekomen. Het hof is -anders dan de raad- van oordeel dat verweerders in strijd met de kernwaarde vertrouwelijkheid hebben gehandeld door de declaratie met specificatie die onder het beroepsgeheim valt in een procedure tegen klagers te gebruiken. Het hof is daarom van oordeel dat de klacht gegrond is en legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:271 Hof van Discipline 's Gravenhage 260099
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:271
Appelverbod artikel 46h Advocatenwet. Hoger beroep niet-ontvankelijk. De bezwaren van klager tegen de samenstelling van de behandelend kamer worden door het hof verworpen. De door klager aangevoerde argumenten waarmee hij zijn beroep op schending van fundamentele rechtsbeginselen heeft onderbouwd, zijn terug te voeren op het feit dat hij het niet eens is met de inhoud van de voorzittersbeslissing van de raad. Klager wenst in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en daarmee voor doorbreking van het appelverbod.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:272 Hof van Discipline 's Gravenhage 260111
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:272
Appelverbod artikel 46h Advocatenwet. Hoger beroep niet-ontvankelijk. De bezwaren van klager tegen de samenstelling van de behandelend kamer worden door het hof verworpen. De door klager aangevoerde argumenten waarmee hij zijn beroep op schending van fundamentele rechtsbeginselen heeft onderbouwd, zijn terug te voeren op het feit dat hij het niet eens is met de inhoud van de voorzittersbeslissing van de raad. Klager wenst in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en daarmee voor doorbreking van het appelverbod.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:273 Hof van Discipline 's Gravenhage 260126V
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:273
Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond. De beslissing van de deken om in deze derde klachtzaak te volstaan met het geven van een dekenstandpunt is door de voorzitter terecht betiteld als een procedurele beslissing, die desgewenst in de (verdere) klachtbehandeling bij de raad aan de orde kan worden gesteld.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:274 Hof van Discipline 's Gravenhage 260160
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:274
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Voorwaarde voor aanwijzing van een advocaat is dat de advocaat moet worden betaald. Als er een toevoeging wordt verleend, gaat het om de eigen bijdrage en eventuele bijkomende kosten, zoals griffierechten (zie ook HvD 17 november 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:231). In het geval de klager niet in aanmerking komt voor een toevoeging, is het niet anders (zie ook HvD 6 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:204).
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:275 Hof van Discipline 's Gravenhage 260173
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:275
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Onvoldoende kans van slagen van de door klager gewenste procedure.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:276 Hof van Discipline 's Gravenhage 260176
- Datum publicatie: 25-08-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:276
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Verzoek tot aanwijzing van een advocaat in meerdere opzichten onvoldoende onderbouwd, waardoor de deken niet in de gelegenheid is gesteld om het verzoek inhoudelijk te beoordelen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:277 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:277
Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd. Maatregel beripsping.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:278 Hof van Discipline 's Gravenhage 260074 260076
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:278
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Dat verweerder 1 juridische kernpunten over het hoofd heeft gezien of dat het advies van verweerder 1 op enige andere wijze niet voldeed aan de vereiste deskundigheid, is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. De raad stelt verder vast dat het e-mailbericht van 24 april 2025, met daarin opgenomen een schikkingsvoorstel aan klager, is geschreven door verweerder 2 in de hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder 1 heeft deze e-mail niet mede ondertekend en het is de raad niet gebleken dat hij betrokkenheid heeft gehad bij het opstellen van dit bericht, noch dat hij zich op andere wijze intimiderend of agressief jegens klager zou hebben uitgelaten. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 1 daarom niet-ontvankelijk. Voor wat betreft verweerder 2 is de raad van oordeel dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder 2 heeft in het e-mailbericht van 24 april 2025 geprobeerd het geschil met klager in der minne te schikken door een afkoopbedrag voor te stellen tegen finale kwijting, waaronder het afzien van een klacht door klager. Verweerder 2 heeft daarbij naar het oordeel van de raad gemotiveerd toegelicht dat het doel hiervan was om het geschil met klager te beëindigen zonder dat er nog zou worden “nagetrapt”. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder 2 dit voorstel zo doen. Dat klager dit als intimiderend heeft ervaren, maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 2 daarom ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:279 Hof van Discipline 's Gravenhage 260053
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:279
Klacht over de eigen advocaat in een fiscale (bezwaar)procedure. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder duidelijk met klaagster heeft gecommuniceerd over de reikwijdte van zijn opdracht en ook zorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad waarbij onder meer een maatregel is opgelegd en verklaart de desbetreffende klachtonderdelen alsnog ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:28 Hof van Discipline 's Gravenhage 250352
- Datum publicatie: 30-01-2026
- Datum uitspraak: 30-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:28
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Klager heeft – ondanks herhaalde uitnodiging daartoe door de deken op 4 en 25 september 2025 – niet aangetoond dat hij zich voldoende heeft ingespannen om eerst zelf een advocaat te vinden die hem kan bijstaan in de door klager gewenste procedure. Het verweer van klager dat hij het Juridisch loket niet kon bereiken alsook zijn eigen samenvatting van wat advocaten van zijn zaak vonden, maakt dit niet anders. Klager kon ook telefonisch of via internet contact opnemen met advocaten in Nederland. De deken heeft het aanwijzingsverzoek van klager daarom op juiste gronden afgewezen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:280 Hof van Discipline 's Gravenhage 250454 250455 250456
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:280
Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster jegens vier verweerders allen van hetzelfde kantoor. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Klaagster is niet opgekomen tegen de beslissing van de raad over verweerder 4 (de klachtenfunctionaris van het kantoor). In hoger ligt allereerst de ontvankelijkheidstoets voor in verband met termijnoverschrijding. De raad heeft een aantal klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard in verband met het verstrijken van de driejaarstermijn. Het hof is van oordeel dat klaagster voldoende heeft onderbouwd dat zij pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend is geworden met de gevolgen van het handelen of nalaten van verweerders. Niettemin oordeelt het hof dat de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is overschreden. Het hof bekrachtigt in zoverre de beslissing van de raad ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid. Met betrekking tot de inhoud van de overige klachtonderdelen oordeelt het hof dat klaagster niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde beroep, wegens gebrek aan gronden.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:281 Hof van Discipline 's Gravenhage 250253
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:281
Klaagster heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van klaagster noch klaagster zelf is ter zitting bij het hof verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om de zitting te heropenen, zoals door de gemachtigde van klaagster is verzocht. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:282 Hof van Discipline 's Gravenhage 250433
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 31-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:282
Deze zaak betreft een klacht over privégedragingen van een advocaat. Klaagster 2 heeft over verweerder eerder (in mei 2021) een klacht ingediend maar heeft die weer ingetrokken. Vervolgens is de klacht door klaagsters op 20 februari 2024 bij de deken ingediend. Anders dan de raad acht het hof ten aanzien van klaagster 2 geen strijd met het ne-bis-in-idembeginsel (artikel 47b lid 1 Advocatenwet) omdat over die eerdere klacht geen onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Het hof ziet hierin evenmin aanknopingspunten voor misbruik van het tuchtrecht door klaagster 2. Anders dan de raad acht het hof ook de maatschap op grond van een eigen rechtstreeks belang ontvankelijk in de klacht. Klaagsters zijn echter niet-ontvankelijk in hun klacht voor zover die ziet op gedragingen van verweerder van voor 20 februari 2021. Voor zover de klacht ziet op gedragingen van na die tijd is de klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:283 Hof van Discipline 's Gravenhage 260340
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 03-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:283
Klacht tegen deken niet verwezen. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het toelaten van stukken of het voeren van regie). Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. B laten toetsen door de raad van discipline.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:284 Hof van Discipline 's Gravenhage 260367
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 03-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:284
Beklag artikel 13 lid 3 Advocatenwet ongegrond. De derde en thans vierde executieveiling zijn een gevolg van het niet-nakomen door klager van afspraken in de vaststellingsovereenkomst. In de door klager aangevoerde argumenten ziet het hof geen nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat de vierde executieveiling een andere (nieuwe) kwestie betreft die los staat van de reeds plaatsgevonden executieveilingen. Dit betekent dat het aanwijzingsverzoek van klager betrekking heeft op dezelfde kwestie waarvoor al eerder aan klager een advocaat is aangewezen. Verder heeft klager in juni 2026 contact gelegd met een advocaat die bereid was klager bij te staan. Klager heeft op 27 juli 2026 laten weten de opdracht niet te kunnen verstrekken vanwege zijn financiële situatie. Dat klager de declaratie volgens zijn zeggen niet heeft kunnen betalen omdat hij het daarvoor benodigde geld niet had ontvangen (van derden), betekent niet dat de deken daarom nu een advocaat moet aanwijzen aan klager.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:285 Hof van Discipline 's Gravenhage 260344
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:285
Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof is van oordeel dat de deken in redelijkheid tot haar standpunt kon komen dat een cassatieberoep in deze zaak geen redelijke kans van slagen heeft, gelet op de feitelijkheid en begrijpelijkheid van het door het gerechtshof gegeven oordeel. In de beklagprocedure heeft klaagster geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het standpunt van deken onjuist is en het zinvol zouden maken een advocaat aan te wijzen voor het uitbrengen van een cassatieadvies. Volgens vaste rechtspraak van het hof levert de omstandigheid dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft een gegronde reden op als bedoeld in artikel 13 lid 2 Advocatenwet om een verzoek tot aanwijzing van een advocaat af te wijzen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:286 Hof van Discipline 's Gravenhage 260077
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:286
Klaagster verwijt verweerder zich onnodig grievend jegens haar in haar functie van politieambtenaar te hebben gedragen. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder komt daartegen in beroep. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:287 Hof van Discipline 's Gravenhage 260062
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:287
Bekrachtiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over de kwaliteit van de dienstverlening door haar eigen advocaat, die haar bijstond in een huurgeschil. De klacht komt er in de kern op neer dat verweerder bij het beëindigen van zijn werkzaamheden voor klaagster in het kader van dat huurgeschil, te stellig aan klaagster heeft meegedeeld dat zij geen problemen meer zou kunnen krijgen met haar huurder over de huurprijs. Klaagster heeft er ook over geklaagd dat de klacht die zij hierover bij verweerder heeft ingediend door hem niet voortvarend is opgepakt. En zij vindt dat verweerder zijn verantwoordelijkheid niet neemt. De raad heeft de klachten deels gegrond verklaard, maar oordeelt niet dat klager zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. De raad heeft aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Zowel klaagster als verweerder hebben hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van de raad. Het hof herhaalt dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:288 Hof van Discipline 's Gravenhage 260052
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:288
Vernietiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over verweerster die als advocaat optrad voor een voormalig cliënt van het kantoor van klaagster. De klacht houdt in dat verweerster zich in een e-mail op agressieve en onnodig grievende wijze heeft uitgelaten over klaagster en haar kantoorgenoot, in die e-mail feitelijke en juridische standpunten heeft ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en daarbij aan klaagster en haar kantoorgenoot een termijn van nul dagen heeft gegeven om te reageren. De raad heeft geoordeeld dat het ging om een spoedeisende kwestie en dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad, verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster te snel gehandeld, en zich teveel laten leiden door haar client, zonder zelf voldoende onderzoek te doen naar de spoedeisendheid, belang en gegrondheid van de zaak.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:289 Hof van Discipline 's Gravenhage 260026
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:289
Bekrachtiging met uitzondering van de opgelegde maatregel. Berisping in plaats van waarschuwing. Klager heeft een klacht ingediend over zijn voormalig advocaat. Klager en zijn voormalige compagnon waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van een B.V., toen er tussen hen beiden een geschil is ontstaan. Sinds juli 2024 is klager enig bestuurder van de B.V.. Verweerder, die eerder ook klager en zijn persoonlijke B.V. heeft bijgestaan, heeft klager laten weten dat klagers voormalige compagnon en de aan hem gelieerde ondernemingen verweerder hebben verzocht hen bij te staan in het geschil met klager. Klager heeft daar bezwaren tegen geuit, wegens strijd met gedragsregel 15. De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder is het daarmee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het op andere gronden, en met uitzondering van de opgelegde maatregel. Het hof legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of informatie waar verweerder mogelijk over beschikte daadwerkelijk van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van klagers voormalige compagnon, omdat het hof doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klager wel zo was en ook redelijkerwijs kon zijn. Het hof is van oordeel dat sprake is van redelijke bezwaren bij klager tegen de ontstane verstrengeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder c, zodat er geen ruimte is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat niet mag worden opgetreden tegen een (voormalige) cliënt. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarmee is niet alleen de voornoemde gedragsregel in het geding, maar ook de kernwaarde partijdigheid.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:29 Hof van Discipline 's Gravenhage 250323
- Datum publicatie: 30-01-2026
- Datum uitspraak: 30-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:29
Verzet na afwijzende verwijzing niet-ontvankelijk. Uit de ingebrachte verklaringen van klager blijkt niet dat klager gedurende de verzettermijn niet in staat was om een verzetschrift in te dienen. Klager heeft in de periode waarin verzet kon worden ingesteld bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aangewend (naar het hof begrijpt onder meer tegen de afwijzende beslissing van verweerder 1 van 3 oktober 2025 op het bezwaarschrift van klager) en klager heeft de acht data (in de periode 9 oktober 2025 tot en met 23 oktober 2025) en achttien tijdstippen op deze data waarop hij volgens verweerders stukken heeft ingediend in de bestuursrechtelijke procedures niet weersproken.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:290 Hof van Discipline 's Gravenhage 260001
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:290
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een erfrechtelijke procedure een verklaring van haar cliënte op de zitting van de rechtbank voorgelezen. Klager klaagt erover dat verweerster zich hiermee onnodig grievend heeft uitgelaten en ten onrechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De raad heeft in een verzetprocedure geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster komt hiertegen in beroep. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de gegrondverklaring van het klachtonderdeel, maar acht het passend en geboden de zwaardere maatregel van berisping op te leggen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:291 Hof van Discipline 's Gravenhage 250383
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:291
Het betreft een klacht over de eigen advocaat. Klager verwijt verweerster drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder daarvoor een opdracht van klager te hebben gekregen. Daarnaast verwijt klager verweerster een drietal gedragingen in de privésfeer. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken. De raad heeft het eerste klachtonderdeel deels en de klachtonderdelen over de gedragingen in de privésfeer niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover het eerste klachtonderdeel ontvankelijk was is dit ongegrond verklaard. Klager komt daartegen in beroep. Het hof verklaart in hoger beroep het klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 22 juli 2021 en ongegrond voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021 en vernietigt de raadsbeslissing uitsluitend in zoverre.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:292 Hof van Discipline 's Gravenhage 260369
- Datum publicatie: 10-09-2026
- Datum uitspraak: 10-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:292
Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt. Klager heeft eerder, op 1 juli 2026 en 17 juli 2026, ook klachten ingediend over procedurele beslissingen van een andere deken in een andere klachtprocedure. Die klachten zijn bij beslissingen van 23 juli 2026 en 6 augustus 2026 (ook) niet verwezen naar een andere deken (HvD 23 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:235 en HvD 6 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:255). Indien verzoeker in het klachtonderzoek over mr. G of een aanverwante kwestie opnieuw een klacht over een procedurele beslissing van de deken bij het hof indient, dient verzoeker er ernstig rekening mee te houden dat die klacht wegens misbruik van klachtrecht niet in behandeling wordt genomen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:293 Hof van Discipline 's Gravenhage 260368
- Datum publicatie: 10-09-2026
- Datum uitspraak: 10-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:293
Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Klaagster heeft op 20 augustus 2026 bij de deken een klacht ingediend over een gedraging van mevrouw mr. P op 14 augustus 2026. De deken kan de klacht van klaagster over mr. P uitsluitend in behandeling nemen als mr. P op 14 augustus 2026 heeft gehandeld als advocaat of als advocaat in een andere hoedanigheid. Nu daarvan geen sprake is, mist de deken de wettelijke bevoegdheid om de klacht van klaagster over mr. P in behandeling te nemen. Dit volgt uit artikel 46c lid 1 Advocatenwet. De deken kon klaagster dan ook geen ander bericht sturen dan hij op 21 augustus 2026 heeft gedaan (niet in behandeling nemen van de klacht).
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:294 Hof van Discipline 's Gravenhage 250013
- Datum publicatie: 11-09-2026
- Datum uitspraak: 11-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:294
Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad op twee klachtonderdelen. De eigen overtuigingen van verweerster in haar processtukken over het gedrag van klaagster missen een objectief verifieerbare onderbouwing. Verweerster had daarom terughoudender behoren te zijn in de stelligheid van haar uitlatingen door duidelijk(er) aan te geven dat wat zij naar voren bracht de mening/visie van haar cliënt was in plaats van die stellingen te poneren als feiten. Het hof is verder van oordeel dat verweerster onvoldoende professionele distantie heeft betracht en met haar cliënt is gaan meeprocederen. Verweerster gaf naast het standpunt van haar cliënt namelijk ook haar eigen visie op de zaak en zij steunde expliciet het standpunt van haar cliënt. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Het hof heeft de maatregel verzwaard door het opleggen van een berisping.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:295 Hof van Discipline 's Gravenhage 260242
- Datum publicatie: 18-09-2026
- Datum uitspraak: 18-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:295
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De medisch tuchtrechtelijke procedure waarvoor klager bijstand van een advocaat wenst, is een procedure waarvoor bijstand door een advocaat niet verplicht is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. De wenselijkheid om over een advocaat te beschikken, is niet het wettelijke criterium om voor toewijzing van een advocaat in aanmerking te komen. De deken hoefde in de afwijzingsbeslissing dan ook niet nader op de persoonlijke omstandigheden van klager in te gaan.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:296 Hof van Discipline 's Gravenhage 260112V
- Datum publicatie: 18-09-2026
- Datum uitspraak: 18-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:296
Verzet tegen niet-verwijzing. Ongegrond. Klaagster heeft de mogelijkheid gehad om bij de raad haar standpunt over het handelen van de deken naar voren te brengen. Deze mogelijkheid is door klaagster echter niet benut, doordat zij er kennelijk voor heeft gekozen het griffierecht niet te betalen. Klaagster kan nu niet alsnog haar bezwaren over het handelen van de deken aan de orde kan stellen door middel van een klacht over de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:297 Hof van Discipline 's Gravenhage 260169
- Datum publicatie: 18-09-2026
- Datum uitspraak: 18-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:297
Appelverbod. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Hoewel klager een beroep doet op schending van fundamentele rechtsbeginselen, heeft wat klager ter onderbouwing daarvan aanvoert naar het oordeel van het hof geen betrekking op een dergelijke schending, maar ziet dat op de behandeling van de onderliggende klachtzaak tegen de deken. Klager wil in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van schending van fundamentele rechtsbeginselen en daarmee voor doorbreking van het appelverbod.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:298 Hof van Discipline 's Gravenhage 260163
- Datum publicatie: 18-09-2026
- Datum uitspraak: 18-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:298
Hoger beroep te laat ingesteld. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:299 Hof van Discipline 's Gravenhage 260150
- Datum publicatie: 18-09-2026
- Datum uitspraak: 18-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:299
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat heeft klager, ondanks dat de deken hem daartoe meerdere malen de gelegenheid heeft gegeven, onvoldoende met feitelijke gegevens concreet gemaakt. Hierdoor heeft de deken niet kunnen beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet is voldaan, zodat de deken gegronde redenen had om het verzoek af te wijzen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:3 Hof van Discipline 's Gravenhage 250444
- Datum publicatie: 05-01-2026
- Datum uitspraak: 05-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:3
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Met de deken is het hof van oordeel dat uit het cassatieadvies – dat voldoet aan de daaraan te stellen (zorgvuldigheids)eisen – volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. Op deze grond mocht de deken het aanwijzingsverzoek van klager afwijzen (ECLI:NL:TAHVD:2018:44). Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor de situatie dat klager reeds beschikt over een (negatief) cassatieadvies. Een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet leidt er ook niet automatisch toe dat een aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verricht op basis van een toevoeging, zoals klager lijkt te veronderstellen. Als klager dat wil, kan hij op eigen kosten een advocaat zoeken die een second opinion wil geven.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:30 Hof van Discipline 's Gravenhage 250317
- Datum publicatie: 30-01-2026
- Datum uitspraak: 30-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:30
Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Het hof is niet gebleken dat verweerder zich in de behandeling van de klacht van klager over de deken heeft uitgelaten of gedragen op de wijze zoals klager in zijn verzet aanvoert. Verweerder heeft de klacht onderzocht en daarover een dekenstandpunt gegeven, waarna klager zijn klacht ter beslissing heeft laten voorleggen aan de raad van discipline ’s-Hertogenbosch waar nog een verzetprocedure loopt. In die procedure kan klager ook ingaan op het dekenstandpunt van verweerder en wat daarin volgens klager niet juist is.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:300 Hof van Discipline 's Gravenhage 260393
- Datum publicatie: 21-09-2026
- Datum uitspraak: 21-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:300
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Om te beoordelen of de door klager gewenste hoger beroepsprocedure kans van slagen heeft, is het – in het licht van de overwegingen van de rechtbank (zoals opgenomen in randnummer 2.4) – begrijpelijk dat de deken aan klager heeft gevraagd zijn vorderingen te onderbouwen met documenten. Op die wijze kon de deken beoordelen of het instellen van hoger beroep een redelijke kans van slagen had. Het hof stelt vast dat klager dat niet heeft gedaan ondanks een herhaalde uitnodiging daartoe van de deken. Zoals volgt uit de door deken aangehaalde uitspraak van het hof (HvD 24 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:276), dient de aanvrager van een aanwijzingsverzoek de informatie aan te leveren die nodig is om op het verzoek te kunnen beslissen. Deze verplichting houdt in dat er niet alleen aan de deken informatie verstrekt dient te worden, maar dat die informatie ook geordend moet zijn en van een duidelijke uitleg moet zijn voorzien. Hiermee wordt de deken in staat gesteld een goede afweging te maken en gemotiveerd te beslissen. De stukken die klager in de beklagprocedure heeft overgelegd (en wat klager in dat kader daarover heeft aangevoerd) geven onvoldoende duidelijkheid of klager in hoger beroep wel aan zijn stelplicht zal kunnen voldoen. Of een hoger beroepsprocedure een redelijke kans van slagen heeft, blijft daardoor niet toetsbaar.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:301 Hof van Discipline 's Gravenhage 260316
- Datum publicatie: 21-09-2026
- Datum uitspraak: 21-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:301
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft het aanwijzingsverzoek afgewezen omdat klaagster werd bijgestaan door een advocaat, die nog steeds bereid was om klaagster te blijven bijstaan, terwijl niet was gebleken van een onjuist professionele inschatting van de advocaat en evenmin van structurele onwil of onvermogen van de advocaat om rechtsbijstand te verlenen. Het hof onderschrijft dit oordeel, evenals het besluit van de deken om zijn beslissing niet te herzien nadat de advocaat zich (een maand na hervatting van de werkzaamheden) alsnog onttrok. Inmiddels heeft klaagster een andere advocaat gevonden, die haar wilde bijstaan. Zij heeft er echter zelf voor gekozen om met die advocaat niet in zee te gaan, waarbij (wederom) een verschil van inzicht speelde over de professionele beoordeling van de zaak. Dat klaagster geen bijstand van een advocaat heeft, terwijl de datum van de mondelinge behandeling in de lopende procedure nadert, komt voor klaagsters eigen rekening en risico. Artikel 13 Advocatenwet is voor deze situatie - klaagster wenst een advocaat die bereid is te doen wat zij van die advocaat verlangt - niet bedoeld.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:302 Hof van Discipline 's Gravenhage 260329
- Datum publicatie: 24-09-2026
- Datum uitspraak: 24-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:302
Klacht tegen -voormalig- deken wordt niet verwezen. De vervaltermijn voor het indienen van een klacht is op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 1 sub a drie jaren. Klager heeft zijn klacht echter pas ruim zeven jaar na de beslissing van de deken ingediend. Gelet hierop zal deze klacht niet worden verwezen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:303 Hof van Discipline 's Gravenhage 260256
- Datum publicatie: 24-09-2026
- Datum uitspraak: 24-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:303
Klacht wordt niet verwezen. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over (procedurele) beslissingen die een deken tijdens de beoordeling van het verzoek om toewijzing van een advocaat neemt (zoals het opvragen van stukken).
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:304 Hof van Discipline 's Gravenhage 250293
- Datum publicatie: 28-09-2026
- Datum uitspraak: 25-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:304
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij die over de inhoud van een overleg, waarbij naast de wederzijdse advocaten ook de cliënten en een bedrijfsjurist aanwezig waren, in zijn conclusie van antwoord heeft geschreven. Gedragsregel 27 (vertrouwelijkheid van schikkingsonderhandelingen) beperkt zich tot de situatie van schikkingsonderhandelingen tussen uitsluitend advocaten. Als een cliënt of een andere derde daarbij aanwezig is, houdt gedragsregel 26 (vertrouwelijke mededelingen) in dat geheimhouding van wat is besproken expliciet afgesproken moet worden. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarom heeft het hof de raadsbeslissing, waarbij een waarschuwing is opgelegd, vernietigd en de klacht alsnog ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:305 Hof van Discipline 's Gravenhage 250208
- Datum publicatie: 28-09-2026
- Datum uitspraak: 25-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:305
Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het hof acht het handelen van verweerder in strijd met de in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting, met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Het hof komt tot een ruimere gegrondverklaring van de klacht over verweerder dan de raad en acht alles afwegend een berisping passend en geboden.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:306 Hof van Discipline 's Gravenhage 260335
- Datum publicatie: 28-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:306
Beklag te laat ingesteld. Niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:307 Hof van Discipline 's Gravenhage 260195
- Datum publicatie: 29-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:307
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:308 Hof van Discipline 's Gravenhage 260182
- Datum publicatie: 29-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:308
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:309 Hof van Discipline 's Gravenhage 260175
- Datum publicatie: 29-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:309
Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken. Dat heeft klager niet gedaan. Verder is de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. Uit het dossier blijkt niet dat klager voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:31 Hof van Discipline 's Gravenhage 250138
- Datum publicatie: 30-01-2026
- Datum uitspraak: 30-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:31
Het gaat in deze tuchtrechtelijke procedure om een klacht tegen verweerder, die heeft opgetreden als vereffenaar in een nalatenschap. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof onderschrijft dat oordeel en bekrachtigt de beslissing van de raad. Zie ook 250139, de samenhangende klachtzaak tegen de advocaat van de vereffenaar.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:310 Hof van Discipline 's Gravenhage 260174
- Datum publicatie: 29-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:310
Beklag artikel 13 Advocatenwet. De mogelijkheid om de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening, voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. In dat kader rust op de rechtzoekende een inspanningsverplichting om eerst zelf op zoek te gaan naar een advocaat. Anders dan klager aanvoert, lag het daarmee wel degelijk op de weg van klager in deze zaak om tegenover de deken concreet te onderbouwen welke stappen hij daartoe heeft gezet. Klager heeft niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan. Daarnaast heeft de deken terecht geconcludeerd dat de door klager gewenste procedure tegen zijn bovenburen op basis van de bewijsstukken die klager tot op dat moment had aangeleverd geen redelijke kans van slagen heeft. Ten aanzien van een procedure tegen de woningbouwvereniging heeft de deken er terecht op gewezen dat huurgeschillen kunnen worden aangebracht bij de kantonrechter waarvoor bijstand van een advocaat niet vereist is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat wel verplicht is gesteld.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:311 Hof van Discipline 's Gravenhage 250464
- Datum publicatie: 30-09-2026
- Datum uitspraak: 28-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:311
Klaagster heeft een klacht ingediend over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Net als de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is het hof van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de boedelscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot. Ook had verweerder zonder toestemming van klaagster zijn correspondentie aan klaagster niet in cc mogen sturen aan een bekende van klaagster (hierna: “L”). Verweerder had bovendien klaagster moeten informeren over de relatie die hij met L kreeg omdat zij de moeder is van de ex-echtgenoot van klaagster en verweerder L ook bijstond in een geschil met haar zoon, de ex-echtgenoot van klaagster (hierna “A”). De onzorgvuldige handelwijze van verweerder is niet overeenkomstig de professionele standaard die voor een betamelijk handelend advocaat geldt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de maatregel. In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.