Zoekresultaten 1-10 van de 22506 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:9 Hof van Discipline 's Gravenhage 250062
- Datum publicatie: 13-01-2026
- Datum uitspraak: 12-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:9
Klaagsters hebben een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij in een procedure bij de Ondernemingskamer. In hoger beroep is niet in geschil dat verweerder meerdere brieven naar de Ondernemingskamer heeft gestuurd, zonder daarvan een afschrift te sturen aan de wederpartij en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder is echter van mening dat de klacht over dit handelen niet-ontvankelijk is, omdat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Verder voert verweerder in hoger beroep aan dat, als de klacht al ontvankelijk is, aan hem een te zware maatregel is opgelegd. Het hof oordeelt dat niet sprake is van ne bis in idem. Met betrekking tot de maatregel staat feitelijk vast dat verweerder met opzet de naar de Ondernemingskamer gestuurde brieven niet aan de wederpartij heeft gestuurd om deze op achterstand te zetten. Het hof acht deze opzet verzwarend voor de maatregel. De maatregel wordt bevestigd.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:8 Hof van Discipline 's Gravenhage 250320
- Datum publicatie: 13-01-2026
- Datum uitspraak: 12-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:8
Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om te klagen over de werkwijze van de deken bij het al dan niet in behandeling nemen van een klacht. Klaagster heeft ook geen belang meer bij dit klachtonderdeel nu de klacht door de deken in behandeling is genomen. In zoverre is de klacht ook prematuur, aangezien nu eerst de procedure bij verweerder moet worden doorlopen, voordat klaagster de mogelijkheid heeft dit aan de orde te stellen bij de raad. Het klachtrecht is er ook niet voor bedoeld is om te klagen over de klachtomschrijving. Daar is de procedure bij de raad voor. Bovendien heeft verweerder ook klaagsters bezwaren tegen de klachtomschrijving in het onderzoek naar de klacht heeft betrokken. Gelet daarop is ook deze klacht prematuur en niet bedoeld voor onderhavige klachtprocedure.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:7 Hof van Discipline 's Gravenhage 250068
- Datum publicatie: 13-01-2026
- Datum uitspraak: 12-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:7
Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij bij het leggen van pandhoudersbeslag. Klager verwijt verweerder dat hij artikel 21 Rv heeft geschonden door cruciale informatie weg te laten uit het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv. Het hof oordeelt dat de klacht gegrond is. Het hof ziet echter aanleiding de aan verweerder opgelegde maatregel van schorsing te wijzigen in een berisping. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat de raad buiten de klachtomschrijving is getreden volgt het hof hem niet. De in dit kader door verweerder aangevoerde punten maken onderdeel uit van de motivering van de maatregel. Het staat de tuchtrechter vrij feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die niet ten grondslag liggen aan de gegrondverklaring van een klacht om te komen tot een passende maatregel.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:6 Hof van Discipline 's Gravenhage 250335
- Datum publicatie: 13-01-2026
- Datum uitspraak: 12-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:6
Hoger beroep te laat. Niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:50
Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:5 Hof van Discipline 's Gravenhage 250029
- Datum publicatie: 09-01-2026
- Datum uitspraak: 09-01-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:5
Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft samen met zijn kantoorgenoot klaagster bijgestaan in een huurgeschil. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan. Volgens klaagster is verweerder tekortgeschoten in zijn dienstverlening (waaronder onjuiste advisering en de juridische kwalificatie van het huurgeschil) en heeft hij niet conform de (al dan niet gegeven) opdracht gehandeld bij het instellen van hoger beroep. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van klachtwaardig handelen van verweerder en heeft de klacht in beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in beide klachtonderdelen ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:49
Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:48
Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 250007 250008 250009 250010
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:47
Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast: schorsing 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Schending kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 250074D 250075
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:46
Klacht advocaat tegen advocaat wederpartij. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.
- Pagina: 1
- Pagina: 2
- ...
- Pagina: 2251
- Volgende pagina zoekresultaten