Zoekresultaten 21-40 van de 23329 resultaten
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:182 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-803/AL/NN
- Datum publicatie: 08-09-2026
- Datum uitspraak: 07-09-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:182
Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:183 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-109/AL/MN
- Datum publicatie: 08-09-2026
- Datum uitspraak: 07-09-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:183
Raadsbeslissing. Klacht over klachtfunctionaris is door de raad ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:184 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-566/AL/NN
- Datum publicatie: 08-09-2026
- Datum uitspraak: 07-09-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:184
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:290 Hof van Discipline 's Gravenhage 260001
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:290
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een erfrechtelijke procedure een verklaring van haar cliënte op de zitting van de rechtbank voorgelezen. Klager klaagt erover dat verweerster zich hiermee onnodig grievend heeft uitgelaten en ten onrechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De raad heeft in een verzetprocedure geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster komt hiertegen in beroep. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de gegrondverklaring van het klachtonderdeel, maar acht het passend en geboden de zwaardere maatregel van berisping op te leggen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:291 Hof van Discipline 's Gravenhage 250383
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:291
Het betreft een klacht over de eigen advocaat. Klager verwijt verweerster drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder daarvoor een opdracht van klager te hebben gekregen. Daarnaast verwijt klager verweerster een drietal gedragingen in de privésfeer. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken. De raad heeft het eerste klachtonderdeel deels en de klachtonderdelen over de gedragingen in de privésfeer niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover het eerste klachtonderdeel ontvankelijk was is dit ongegrond verklaard. Klager komt daartegen in beroep. Het hof verklaart in hoger beroep het klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 22 juli 2021 en ongegrond voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021 en vernietigt de raadsbeslissing uitsluitend in zoverre.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2026:190 Raad van Discipline Amsterdam 26-554/A/A
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 31-08-2026
- ECLI:NL:TADRAMS:2026:190
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Klacht in alle onderdelen niet-ontvankelijk vanwege overschrijding klachttermijn van drie jaar. Van informatie waarvan klager pas na klachttermijn kennis heeft genomen, waardoor hij zijn klacht niet eerder heeft kunnen indienen, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2026:197 Raad van Discipline Amsterdam 26-087/A/NH
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 31-08-2026
- ECLI:NL:TADRAMS:2026:197
Raadsbeslissing. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerster willens en wetens de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2026:191 Raad van Discipline Amsterdam 26-603/A/NH
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 31-08-2026
- ECLI:NL:TADRAMS:2026:191
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Ne bis in idem. Klacht is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als eerdere klacht waarover de raad heeft geoordeeld. De verwijten die klaagster verweerster maakt zijn al in de eerdere beslissing aan de orde gekomen. Klaagster kan daar niet opnieuw over klagen. Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:288 Hof van Discipline 's Gravenhage 260052
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:288
Vernietiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over verweerster die als advocaat optrad voor een voormalig cliënt van het kantoor van klaagster. De klacht houdt in dat verweerster zich in een e-mail op agressieve en onnodig grievende wijze heeft uitgelaten over klaagster en haar kantoorgenoot, in die e-mail feitelijke en juridische standpunten heeft ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en daarbij aan klaagster en haar kantoorgenoot een termijn van nul dagen heeft gegeven om te reageren. De raad heeft geoordeeld dat het ging om een spoedeisende kwestie en dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad, verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster te snel gehandeld, en zich teveel laten leiden door haar client, zonder zelf voldoende onderzoek te doen naar de spoedeisendheid, belang en gegrondheid van de zaak.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:289 Hof van Discipline 's Gravenhage 260026
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:289
Bekrachtiging met uitzondering van de opgelegde maatregel. Berisping in plaats van waarschuwing. Klager heeft een klacht ingediend over zijn voormalig advocaat. Klager en zijn voormalige compagnon waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van een B.V., toen er tussen hen beiden een geschil is ontstaan. Sinds juli 2024 is klager enig bestuurder van de B.V.. Verweerder, die eerder ook klager en zijn persoonlijke B.V. heeft bijgestaan, heeft klager laten weten dat klagers voormalige compagnon en de aan hem gelieerde ondernemingen verweerder hebben verzocht hen bij te staan in het geschil met klager. Klager heeft daar bezwaren tegen geuit, wegens strijd met gedragsregel 15. De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder is het daarmee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het op andere gronden, en met uitzondering van de opgelegde maatregel. Het hof legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of informatie waar verweerder mogelijk over beschikte daadwerkelijk van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van klagers voormalige compagnon, omdat het hof doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klager wel zo was en ook redelijkerwijs kon zijn. Het hof is van oordeel dat sprake is van redelijke bezwaren bij klager tegen de ontstane verstrengeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder c, zodat er geen ruimte is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat niet mag worden opgetreden tegen een (voormalige) cliënt. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarmee is niet alleen de voornoemde gedragsregel in het geding, maar ook de kernwaarde partijdigheid.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:181 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-322/AL/NN/D
- Datum publicatie: 07-09-2026
- Datum uitspraak: 07-09-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:181
Dekenbezwaar. De raad is van oordeel dat verweerder serieus is tekortgeschoten als advocaat. Niet alleen in zijn taakopvatting als advocaat, die juist kritisch en pro-actief moet zijn in het belang van de cliënten, maar ook omdat sprake is van juist zeer kwetsbare en ook vaak niet-mondige cliënten in de Wvggz- en Wzd-zaken die verweerder doet. Verweerder lijkt niet in te zien dat zijn jarenlange werkwijze niet altijd (meer) het beste is voor de belangen van zijn cliënten. Zij hebben er recht op door hun advocaat gehoord en gezien te worden. Het is de taak van de advocaat om tijdig voor een zitting contact met cliënten te zoeken en hun wensen bij de rechter aan de orde te stellen, in plaats van zich (te) snel te refereren op basis van eigen aannames. Dat verweerder zijn eigen financiële belangen meeweegt bij de keuze of hij als advocaat gaat stoppen of niet, is zorgelijk. Dat mag nooit de drijfveer van een advocaat zijn. De raad legt een onvoorwaardelijke schorsing op voor de duur van 12 weken.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:285 Hof van Discipline 's Gravenhage 260344
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:285
Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof is van oordeel dat de deken in redelijkheid tot haar standpunt kon komen dat een cassatieberoep in deze zaak geen redelijke kans van slagen heeft, gelet op de feitelijkheid en begrijpelijkheid van het door het gerechtshof gegeven oordeel. In de beklagprocedure heeft klaagster geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het standpunt van deken onjuist is en het zinvol zouden maken een advocaat aan te wijzen voor het uitbrengen van een cassatieadvies. Volgens vaste rechtspraak van het hof levert de omstandigheid dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft een gegronde reden op als bedoeld in artikel 13 lid 2 Advocatenwet om een verzoek tot aanwijzing van een advocaat af te wijzen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:286 Hof van Discipline 's Gravenhage 260077
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:286
Klaagster verwijt verweerder zich onnodig grievend jegens haar in haar functie van politieambtenaar te hebben gedragen. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder komt daartegen in beroep. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:287 Hof van Discipline 's Gravenhage 260062
- Datum publicatie: 04-09-2026
- Datum uitspraak: 04-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:287
Bekrachtiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over de kwaliteit van de dienstverlening door haar eigen advocaat, die haar bijstond in een huurgeschil. De klacht komt er in de kern op neer dat verweerder bij het beëindigen van zijn werkzaamheden voor klaagster in het kader van dat huurgeschil, te stellig aan klaagster heeft meegedeeld dat zij geen problemen meer zou kunnen krijgen met haar huurder over de huurprijs. Klaagster heeft er ook over geklaagd dat de klacht die zij hierover bij verweerder heeft ingediend door hem niet voortvarend is opgepakt. En zij vindt dat verweerder zijn verantwoordelijkheid niet neemt. De raad heeft de klachten deels gegrond verklaard, maar oordeelt niet dat klager zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. De raad heeft aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Zowel klaagster als verweerder hebben hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van de raad. Het hof herhaalt dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:283 Hof van Discipline 's Gravenhage 260340
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 03-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:283
Klacht tegen deken niet verwezen. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het toelaten van stukken of het voeren van regie). Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. B laten toetsen door de raad van discipline.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:284 Hof van Discipline 's Gravenhage 260367
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 03-09-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:284
Beklag artikel 13 lid 3 Advocatenwet ongegrond. De derde en thans vierde executieveiling zijn een gevolg van het niet-nakomen door klager van afspraken in de vaststellingsovereenkomst. In de door klager aangevoerde argumenten ziet het hof geen nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat de vierde executieveiling een andere (nieuwe) kwestie betreft die los staat van de reeds plaatsgevonden executieveilingen. Dit betekent dat het aanwijzingsverzoek van klager betrekking heeft op dezelfde kwestie waarvoor al eerder aan klager een advocaat is aangewezen. Verder heeft klager in juni 2026 contact gelegd met een advocaat die bereid was klager bij te staan. Klager heeft op 27 juli 2026 laten weten de opdracht niet te kunnen verstrekken vanwege zijn financiële situatie. Dat klager de declaratie volgens zijn zeggen niet heeft kunnen betalen omdat hij het daarvoor benodigde geld niet had ontvangen (van derden), betekent niet dat de deken daarom nu een advocaat moet aanwijzen aan klager.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2026:178 Raad van Discipline Amsterdam 26-455/A/A
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TADRAMS:2026:178
Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft in haar verweerschrift met de nodige terughoudendheid gesproken over een vermoeden van fraude met het chargebackproces en niet, zoals klager stelt, van een beschuldiging die als feit wordt gepresenteerd. Verder mocht verweerster zich voor de in haar verweerschrift weergegeven feiten en omstandigheden baseren op het door haar cliënte verschafte feitenmateriaal. Geen sprake van schending van gedragsregels 7 en 8.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2026:179 Raad van Discipline Amsterdam 26-469/A/NH
- Datum publicatie: 03-09-2026
- Datum uitspraak: 24-08-2026
- ECLI:NL:TADRAMS:2026:179
Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegrond. Verweerder heeft na de mondelinge behandeling van de zaak een e-mail gestuurd aan de rechtbank waarin hij verzoekt om duidelijkheid te verschaffen over de termijn waarop vonnis gewezen wordt. Hiermee heeft verweerder geen poging gedaan om de rechter te beïnvloeden als de uitwisseling van de wederzijdse standpunten is afgerond. Verweerders e-mail aan de rechtbank is niet onbetamelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:277 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:277
Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd. Maatregel beripsping.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:278 Hof van Discipline 's Gravenhage 260074 260076
- Datum publicatie: 31-08-2026
- Datum uitspraak: 28-08-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:278
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Dat verweerder 1 juridische kernpunten over het hoofd heeft gezien of dat het advies van verweerder 1 op enige andere wijze niet voldeed aan de vereiste deskundigheid, is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. De raad stelt verder vast dat het e-mailbericht van 24 april 2025, met daarin opgenomen een schikkingsvoorstel aan klager, is geschreven door verweerder 2 in de hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder 1 heeft deze e-mail niet mede ondertekend en het is de raad niet gebleken dat hij betrokkenheid heeft gehad bij het opstellen van dit bericht, noch dat hij zich op andere wijze intimiderend of agressief jegens klager zou hebben uitgelaten. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 1 daarom niet-ontvankelijk. Voor wat betreft verweerder 2 is de raad van oordeel dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder 2 heeft in het e-mailbericht van 24 april 2025 geprobeerd het geschil met klager in der minne te schikken door een afkoopbedrag voor te stellen tegen finale kwijting, waaronder het afzien van een klacht door klager. Verweerder 2 heeft daarbij naar het oordeel van de raad gemotiveerd toegelicht dat het doel hiervan was om het geschil met klager te beëindigen zonder dat er nog zou worden “nagetrapt”. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder 2 dit voorstel zo doen. Dat klager dit als intimiderend heeft ervaren, maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 2 daarom ongegrond.