Zoekresultaten 1-20 van de 22506 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:48
Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:49
Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:50
Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 250074D 250075
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:46
Klacht advocaat tegen advocaat wederpartij. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 250007 250008 250009 250010
- Datum publicatie: 13-02-2026
- Datum uitspraak: 13-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:47
Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast: schorsing 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Schending kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:44 Hof van Discipline 's Gravenhage 260023
- Datum publicatie: 12-02-2026
- Datum uitspraak: 12-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:44
Het hof verwijst een klacht tegen de deken niet. De klacht ziet op een administratieve omissie die door de deken, nadat hij daarmee bekend is geworden, terstond is hersteld. Daarmee is naar het oordeel van de voorzitter sprake van een bagatelklacht. Door het handhaven van deze klacht, gebruikt klager het klachtrecht tegen de deken voor een ander doel (ventileren van persoonlijk ongenoegen) dan waarvoor het is bedoeld (waarborging van de kwaliteit van de beroepsgroep). De voorzitter zal de klacht daarom niet verwijzen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:45 Hof van Discipline 's Gravenhage 230012
- Datum publicatie: 12-02-2026
- Datum uitspraak: 12-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:45
Herstelbeslissing.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:45 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-660/AL/MN
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:45
Klaagster heeft zich erover beklaagd dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten jegens haar in haar functie van politieambtenaar in bijzijn van derden en daarmee haar integriteit heeft aangetast tijdens een confrontatie in het cellenblok van een rechtbank. De raad heeft begrip voor enige boosheid en frustratie van de kant van verweerder omdat naar zijn idee de met klaagster gemaakte afspraken door haar niet waren nagekomen maar de manier waarop hij daarna klaagster in het cellenblok van de rechtbank heeft bejegend kan niet als functionele boosheid worden gezien. Naar het oordeel van de raad gaat het te ver en is het een advocaat onwaardig om in je woede, zoals verweerder die had, de betrouwbaarheid van een politieambtenaar in twijfel te trekken. Daarbij staat ook vast, zoals bevestigd door de collega, dat verweerder klaagster ook persoonlijk heeft aangevallen met volstrekt onbetamelijke uitlatingen en dat dit is gebeurd in bijzijn van derden. De raad rekent het verweerder aan dat hij na dit incident niets heeft gedaan om het met klaagster uit te praten. Van welgemeende excuses is de raad niet gebleken. Klacht gegrond. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:43 Hof van Discipline 's Gravenhage 260007
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 10-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:43
Afwijzing verzoek verwijzing klacht over deken (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Uit hetgeen klaagster (summier) heeft aangevoerd, lijkt de onvrede van klaagster verband te houden met het verloop van de behandeling van haar klacht over mr. P door de raad van discipline. Daarvoor kan verweerster niet verantwoordelijk worden gehouden omdat verweerster geen deel uitmaakt van de raad van discipline. Nu klaagster haar klacht over verweerster verder niet heeft toegelicht – waardoor het voor verweerster niet duidelijk is waartegen zij zich moet verweren – zal de voorzitter de klacht van klaagster niet verwijzen.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:21 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-837/DB/LI
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 10-02-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:21
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. De klacht dat niet altijd urenspecificaties zijn verzonden mist feitelijke grondslag. Van excessief declareren is voorts niet gebleken. De klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:42 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-328/AL/NN
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:42
De raad heeft geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager, haar cliënt, niet te laten weten welke stukken aan het hof zijn gestuurd. De raad acht hierbij van belang dat dit nalaten door verweerster van beperkte ernst is, mede gelet op de omstandigheid dat zij in deze zaak voor het overige goed met klager heeft gecommuniceerd en hem toereikend heeft geïnformeerd. Verder houdt de raad er rekening mee dat verweerster heeft erkend dat zij op dit punt onvolledig is geweest. Gelet op het voorgaande zal worden volstaan met de gegrondverklaring van dit klachtonderdeel en zal geen maatregel worden opgelegd
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:43 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-386/AL/NN
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:43
Klaagster beklaagt haar eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder op zorgvuldige en tijdige wijze zijn opdracht voor klaagster neergelegd. Ten aanzien van de niet tijdige melding door verweerder van de scheiding van klaagster aan de pensioenfondsen is de raad van oordeel dat verweerder daarin in de door hem geschetste omstandigheden heeft gedaan wat hij kon. Klaagster heeft ook geen schade geleden. Ook verder heeft verweerder zorgvuldig gehandeld en de belangen van klaagster naar behoren behartigd. Ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:44 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-471/AL/NN
- Datum publicatie: 10-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:44
Verweerder heeft een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ingediend in twee procedures waarin klaagster geen partij was. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hiermee de belangen van klaagster heeft geschonden en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de ernst van dit verwijt is in beginsel de oplegging van een berisping gerechtvaardigd. In het voordeel van verweerder houdt de raad er echter ook rekening mee dat verweerder, hoewel te laat, het stuk wel heeft ingetrokken. Ook heeft verweerder - kort na het indienen van het rapport en op de zitting van de raad - erkend dat hij anders had moeten handelen en heeft hij zijn excuses aan klaagster aanboden. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op deze omstandigheden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een waarschuwing.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:41 Hof van Discipline 's Gravenhage 240314
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:41
De zaak betreft een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet. De Raad van Discipline heeft verweerder met onmiddellijke ingang geschorst omdat een ernstig vermoeden bestaat van een handelen of nalaten door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig geschaad is of dreigt te worden geschaad en wel zodanig dat het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure niet kan worden afgewacht. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:39 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-346/AL/GLD
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:39
Naar het oordeel van de raad is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en heeft klager tijdig geklaagd over het optreden van verweerder. Verweerder heeft door zijn handelen de kernwaarden deskundigheid, vertrouwelijkheid en (financiële) integriteit geschonden. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar. Verweerder heeft meerdere keren nagelaten om in alle openheid te vertellen dat hij een beroepsfout heeft gemaakt. Hij had dat in 2019 moeten doen, waartoe hij door de cassatieadvocaat ook geadviseerd was en ook op het moment dat klager bij hem op de lijn kwam omdat hij niet bekend was met het arrest van het hof dat volgde op zijn beroepsfout. Hij heeft niet alleen nagelaten zijn client deugdelijk te adviseren maar heeft zijn fout actief toegedekt door daarover verhullend te communiceren. Van verweerder mag bovendien bij de afhandeling van zijn aansprakelijkstelling door zijn verzekeraar de nodige regie worden verwacht. Ook daarin neemt verweerder een afwachtende houding aan. Alhoewel zijn gemachtigde tijdens de zitting excuses voor de gang van zaken heeft aangeboden, heeft verweerder zelf geen oprecht inzicht in het verwijtbare van zijn handelen getoond. Dat is zorgelijk. Daarnaast heeft verweerder zich niet gehouden aan de bepalingen van de AVG en de relatie met klager financieel niet netjes afgewikkeld. De raad legt aan verweerder een deels voorwaardelijke (2 weken) en deels onvoorwaardelijke (2 weken) schorsing in de praktijkuitoefening op.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:42 Hof van Discipline 's Gravenhage 250123
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:42
Dekenbezwaar over het handelen van verweerder. De deken verwijt verweerder dat hij in een poging om te bemiddelen voor een verdachte, die werd bijgestaan door een andere advocaat, contact heeft opgenomen met de advocaat van het slachtoffer (tevens getuige) zonder de behandelend advocaat van de verdachte in te lichten en dat hij ongeoorloofde druk op het slachtoffer heeft uitgeoefend om de verklaring die zij als getuige heeft afgelegd in te trekken. De raad heeft geoordeeld dat verweerder geen contact heeft opgenomen met de behandelend advocaat van de verdachte voordat hij gehoor gaf aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van het slachtoffer en daarmee niet heeft gehandeld zoal het een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad heeft het overige dekenbezwaar ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het betreft een hoger beroep van de deken tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel. In hoger beroep oordeelt het hof dat verweerder in een lopende zedenzaak gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van een van de getuigen, die tevens slachtoffer was. Verweerder heeft met het telefoongesprek willen bereiken dat de getuige, tevens slachtoffer, in een zedenzaak haar belastende verklaring in zou trekken onder de mededeling dat de verdachte een sterke zaak zou hebben en dat er door de verdachte nare dingen over de getuige/slachtoffer op de strafzitting in de openbaarheid zouden worden gebracht als haar verklaring niet zou worden ingetrokken. Verweerder heeft op verzoek van de verdachte op intimiderende wijze de druk op getuige/slachtoffer opgevoerd en de uitkomst van de strafzaak van de verdachte willen beïnvloeden. Het betrof bovendien een zedenzaak, waarin zowel de verdachte als de getuige/slachtoffer bekende Nederlanders zijn en die veel media aandacht trok. Het lag dan ook voor de hand dat de negatieve verklaringen van de verdachte zouden zien op intieme zaken waarvan brede openbaring extra pijnlijk zou zijn. Het benaderen van een getuige in een zedenzaak zoals verweerder heeft gedaan om deze onder druk te zetten en zo te ontmoedigen te verklaren is voor een advocaat volstrekt ontoelaatbaar. Met in achtneming van het door de raad gegrond verklaarde bezwaar van de deken en het in hoger beroep alsnog gegrond verklaarde bezwaar acht het hof een maatregel van een schorsing van 4 (vier) weken passend en geboden.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:40 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-839/AL/GLD
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:40
De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij deels kennelijk niet-ontvankelijk (wegens misbruik van klachtrecht) en deels kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2026:41 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-868/AL/MN
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TADRARL:2026:41
Voorzittersbeslissing. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerster voor klager als advocaat is opgetreden. Een advocaat-stagiaire heeft alle contacten met klager gehad en werkzaamheden verricht onder het patronaat van verweerster. Dat op de toevoegingsaanvraag de naam van verweerster stond was omdat de advocaat-stagiaire daartoe toen nog niet bevoegd was. Kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:40 Hof van Discipline 's Gravenhage 250136D
- Datum publicatie: 09-02-2026
- Datum uitspraak: 09-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:40
Het betreft een dekenbezwaar na een eerdere schorsing van verweerder ex artikel 60ab Advocatenwet. De deken verwijt verweerder dat hij niet voldoet aan de kernwaarde deskundigheid en daarnaast niet meewerkt aan (tuchtrechtelijk) onderzoek en de toezichthoudende taak van de deken structureel ondermijnt. Het betreft een hoger beroep van verweerder. Het hof oordeelt dat de door verweerder aangevoerde beroepsgronden niet slagen en dat de oplegging van de maatregel tot schrapping van het tableau in stand blijft.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:36 Hof van Discipline 's Gravenhage 250169
- Datum publicatie: 06-02-2026
- Datum uitspraak: 06-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:36
Klager komt in beroep van een verzetsbeslissing van de raad waarbij het verzet weliswaar gegrond is verklaard maar de klacht van klager (alsnog) niet-ontvankelijk is verklaard omdat de klacht te laat is ingediend. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing.
- Pagina: 1
- Pagina: 2
- ...
- Pagina: 1126
- Volgende pagina zoekresultaten