Zoekresultaten 1-50 van de 6035 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:218 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9129

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerster dat bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht en de arts medeverantwoordelijk was voor dit beleid. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de uitvoering van het lichamelijk onderzoek uiteenlopen. De vraag die vervolgens voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig onderzoek. Het college oordeelt van niet. Verder is het gelet op de omstandigheden navolgbaar dat is overgegaan tot het schouwen van het lichaam. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:219 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9130

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerster dat bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht. Het college overweegt dat verweerster, hoewel slechts eenmalig betrokken bij de zorg voor klaagster en niet aanwezig bij het lichamelijk onderzoek, wel als beleid voor de nacht de optie van inwendig onderzoek heeft overwogen en met de instelling heeft besproken. De behandelaren van klaagster hebben de dag erna kennisgenomen van deze optie en besloten tot het verrichten van het lichamelijk onderzoek. Dat verweerster deze optie heeft onderzocht en besproken is echter gelet op de omstandigheden navolgbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:181 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2849

    Klager verwijt de arts dat hij bij een knieoperatie zijn rechterbeen heeft rechtgezet zonder onderzoek te hebben gedaan naar de stand van zijn rechtervoet. Daarbij verwijt klager het ziekenhuis dat dit heeft kunnen gebeuren en dat de scholing en intercollegiale toetsing van orthopedisch chirurgen niet op orde is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft het klachtonderdeel over het ziekenhuis en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde en verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:215 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9126

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerster dat zij bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek heeft verricht. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de uitvoering van het lichamelijk onderzoek uiteenlopen. De vraag die vervolgens voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig onderzoek. Het college oordeelt van niet. Verder is het gelet op de omstandigheden navolgbaar dat is overgegaan tot het schouwen van het lichaam. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:182 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3186

    Klaagster heeft zich in 2014 in verband met knieklachten tot de arts gewend. Aanvankelijk werd een conservatieve behandeling ingezet. In oktober 2014 werd zij in verband met een ontwrichting van de linkerknieschijf en een bloeding in het kniegewricht op de wachtlijst geplaatst voor een operatie die in januari 2015 plaatsvond. Klaagster verwijt de arts dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorgenomen operatie, de operatie niet lege artis heeft verricht en niet heeft gezorgd voor een zorgvuldige overdracht aan zijn collega-artsen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot hetzelfde oordeel en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:216 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9127

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerder dat bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht en de arts medeverantwoordelijk was voor dit beleid. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de uitvoering van het lichamelijk onderzoek uiteenlopen. De vraag die vervolgens voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig onderzoek. Het college oordeelt van niet. Verder is het gelet op de omstandigheden navolgbaar dat is overgegaan tot het schouwen van het lichaam. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:217 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9128

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerster dat bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht. Het college overweegt dat verweerster, hoewel slechts eenmalig betrokken bij de zorg voor klaagster en niet aanwezig bij het lichamelijk onderzoek, zij wel als beleid voor de nacht de optie van inwendig onderzoek heeft overwogen en dit ook met de instelling is besproken. De behandelaren van klaagster hebben de dag erna kennisgenomen van deze optie en besloten tot het verrichten van het lichamelijk onderzoek. Dat verweerster deze optie heeft onderzocht en besproken is echter gelet op de omstandigheden navolgbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:180 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2850

    Klager verwijt de arts onder meer dat hij onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, heeft gezegd dat een operatie aan klagers voet niet meer mogelijk was en een gebrek aan kennis van triple artrodese operaties heeft. Daarbij verwijt klager het ziekenhuis dat dit heeft kunnen gebeuren en dat de scholing en intercollegiale toetsing van orthopedisch chirurgen niet op orde is. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is voor wat betreft het klachtonderdeel tegen het ziekenhuis en dat de klacht voor het overige in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt hetzelfde en verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:214 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10327

    Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is het argument van de PI dat de bijzondere setting waarin de medewerkers werkzaam zijn geen goede onderbouwing voor de beslissing om de naam van de verwerende partij niet te delen. Gezien de inhoudelijke beslissing ziet de voorzitter echter alsnog reden om de persoonsgegevens van deze beklaagde niet met klager te delen. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:185 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-551/AL/OV

    Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:181 Raad van Discipline Amsterdam 26-259/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder een (potentiële) getuige heeft beïnvloed of bewust onjuiste informatie heeft verstrekt.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:194 Raad van Discipline Amsterdam 26-160/A/A

    Raadsbeslissing. Klaagster vindt dat verweerder niets voor haar heeft gedaan, hij haar nergens over heeft geïnformeerd, haar onheus heeft bejegend en onaangekondigd aan haar huis stond. De raad oordeelt dat het klachtonderdeel met betrekking tot de informatieplicht gedeeltelijk gegrond. Het klachtonderdeel met betrekking tot het onaangekondigde bezoek aan huis is gegrond omdat verweerder de gedraging erkent. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. De raad oordeelt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en legt daarvoor de maatregel waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:188 Raad van Discipline Amsterdam 26-496/A/NH

    Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. Het betreft een klacht van een advocaat over een andere advocaat. De voorzitter heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster klager bewust onjuiste informatie heeft verschaft in haar reactie op de vraag of er al een toevoeging was verstrekt.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:212 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9390

    Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is het onder de omstandigheden, gezien de veiligheidsoverwegingen en de bijzondere setting waarin deze medewerkers werkzaam zijn, gerechtvaardigd om de naam van de verwerende partij niet met klager te delen. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. De persoon tegen wie de klacht is gericht is niet BIG-geregistreerd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:182 Raad van Discipline Amsterdam 26-141/A/NH

    Raadsbeslissing; ongegronde klacht over de eigen advocaat in een strafzaak. Van verweerder hoefde niet verwacht te worden dat hij het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in twijfel trok. Geen van de andere professionele procespartijen heeft dat in eerste aanleg gedaan. Het enkele feit dat het de nieuwe advocaat van klager wel was opgevallen dat het proces-verbaal onjuistheden bevatte, betekent niet zonder meer dat het verweerder tuchtrechtelijk verweten kan worden dat het hem niet was opgevallen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:195 Raad van Discipline Amsterdam 26-171/A/NH

    Raadsbeslissing. Klaagster klaagt voor zichzelf en voor haar kinderen over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. De kinderen zijn meerderjarig, zodat klaagster geen wettelijk vertegenwoordiger meer is van de kinderen. In zoverre is klaagster niet-ontvankelijk. De raad oordeelt dat het recht van klaagster om te klagen deels is vervallen. De klachten waarin klaagster wel ontvankelijk is, worden ongegrond verklaard. Op een advocaat rust een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:189 Raad van Discipline Amsterdam 26-494/A/NH

    Voorzittersbeslissing; klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld door zich terug te trekken. Verweerder heeft niet de kernwaarde partijdigheid geschonden door geen procedure te starten. Niet gebleken is dat verweerder de deken onjuist heeft geïnformeerd of anderszins onzorgvuldig is geweest. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:213 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9391

    Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is het onder de omstandigheden, gezien de veiligheidsoverwegingen en de bijzondere setting waarin deze medewerkers werkzaam zijn, gerechtvaardigd om de naam van de verwerende partij niet met klager te delen. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. De persoon tegen wie de klacht is gericht is niet BIG-geregistreerd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:183 Raad van Discipline Amsterdam 25-880/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:196 Raad van Discipline Amsterdam 26-075/A/A 26-099/A/A

    Raadsbeslissing. Het betreft een klacht over de curator (verweerder sub 1) en over de advocaat van de curator (verweerder sub 2). Er wordt geklaagd over verschillende handelingen die verweerders hebben verricht in het faillissementstraject. Verder wordt de curator ernstige belangenverstrengeling verweten. De raad heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers hebben onvoldoende toegelicht waarom zich in dit geval een onaanvaardbare belangenverstrengeling heeft voorgedaan en evenmin dat en in welke zin de gedragingen van de curator het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:184 Raad van Discipline Amsterdam 26-408/A/NH

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. De klacht is gegrond voor zover verweerder in zijn pleitnota onjuiste informatie heeft verkondigd (gedragsregel 8) en zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten (gedragsregel 7). De raad ziet af van het opleggen van een maatregel. Klaagster heeft immers op de zitting in de onderliggende procedure op deze informatie kunnen reageren waardoor de schade voor klaagster beperkt is gebleven. Bovendien heeft verweerder op de zitting van de raad inzicht getoond in zijn handelen en kent verweerder geen tuchtrechtelijk verleden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:185 Raad van Discipline Amsterdam 26-029/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:198 Raad van Discipline Amsterdam 25-877/A/A 25-879/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:192 Raad van Discipline Amsterdam 26-189/A/A/D

    Raadsbeslissing; gegrond dekenbezwaar. Verweerster heeft ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich in haar processtukken te vereenzelvigen met haar cliënten en daarmee de vereiste professionele deskundigheid niet in acht te nemen. Hiermee heeft verweerster in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Daarnaast vertonen de processtukken van verweerster een ernstig gebreken in kwaliteit. Dit heeft niet alleen geleid tot afwijzing of niet-ontvankelijkverklaring van verzoeken, maar heeft de procedure van haar cliënten bovendien vertraagd. Behalve onbetamelijk vindt de raad de gedragingen van verweerster ook zorgelijk, omdat verweerster geen inzicht in de laakbaarheid van haar handelen heeft getoond. Verweerster heeft de adviezen en instructies van de deken niet opgevolgd. Ook op het concept van het dekenbezwaar heeft verweerster geen inhoudelijke reactie gegeven. Evenmin is verweerster op de zitting van de raad verschenen, zodat de raad niet bekend is met het verweer van verweerster. Gelet op deze omstandigheden, is de raad - ondanks het feit dat verweerster niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld is - van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is. De raad ziet gelet op de ernst van de verweten gedragingen aanleiding om naast de algemene voorwaarde aan deze voorwaardelijke schorsing een bijzondere voorwaarde te verbinden, namelijk een op kosten van verweerster te volgen coachingstraject met een coach, gespecialiseerd in het personen- en familierecht.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:186 Raad van Discipline Amsterdam 26-600/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. In het kader van zijn verweer stond het verweerder vrij om collegiaal overleg te voeren met andere betrokken advocaten en de deken te informeren over geconstateerde patronen in de tuchtklachten. Het stond verweerder eveneens vrij om de president van de rechtbank over klagers handelen te informeren.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:294 Hof van Discipline 's Gravenhage 250013

    Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad op twee klachtonderdelen. De eigen overtuigingen van verweerster in haar processtukken over het gedrag van klaagster missen een objectief verifieerbare onderbouwing. Verweerster had daarom terughoudender behoren te zijn in de stelligheid van haar uitlatingen door duidelijk(er) aan te geven dat wat zij naar voren bracht de mening/visie van haar cliënt was in plaats van die stellingen te poneren als feiten. Het hof is verder van oordeel dat verweerster onvoldoende professionele distantie heeft betracht en met haar cliënt is gaan meeprocederen. Verweerster gaf naast het standpunt van haar cliënt namelijk ook haar eigen visie op de zaak en zij steunde expliciet het standpunt van haar cliënt. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Het hof heeft de maatregel verzwaard door het opleggen van een berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:180 Raad van Discipline Amsterdam 26-052/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:193 Raad van Discipline Amsterdam 26-180/A/A

    Raadsbeslissing; ongegronde klacht over de eigen advocaat in een strafzaak. Hoewel het beter was geweest als verweerster een telefoonnotitie van het gesprek tussen haar en klager had gemaakt over het instellen van hoger beroep, biedt het klachtdossier in dit geval voldoende bevestiging voor het standpunt van verweerster dat klager bij zijn eerste keuze bleef om geen hoger beroep in te stellen. Verder bestaat er geen regel die advocaat-stagiaires verplicht om zonder dat daarnaar gevraagd wordt te melden dat hij of zij nog advocaat-stagiaire is en de praktijk onder toezicht van een patroon uitoefent.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:187 Raad van Discipline Amsterdam 26-525/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk. De klacht is ingediend buiten de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 onder a) Advocatenwet, waardoor klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. Niet is gebleken dat klaagster gedurende de driejaarstermijn niet heeft kunnen klagen of dat er sprake is van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:211 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9378

    Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is het onder de omstandigheden, gezien de veiligheidsoverwegingen en de bijzondere setting waarin deze medewerkers werkzaam zijn, gerechtvaardigd om de naam van de verwerende partij niet met klager te delen. Inhoudelijk is de klacht kennelijk ongegrond. Door de gemachtigde van verweerster is gemotiveerd uiteengezet dat sprake is van een persoonsverwisseling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:292 Hof van Discipline 's Gravenhage 260369

    Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt. Klager heeft eerder, op 1 juli 2026 en 17 juli 2026, ook klachten ingediend over procedurele beslissingen van een andere deken in een andere klachtprocedure. Die klachten zijn bij beslissingen van 23 juli 2026 en 6 augustus 2026 (ook) niet verwezen naar een andere deken (HvD 23 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:235 en HvD 6 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:255). Indien verzoeker in het klachtonderzoek over mr. G of een aanverwante kwestie opnieuw een klacht over een procedurele beslissing van de deken bij het hof indient, dient verzoeker er ernstig rekening mee te houden dat die klacht wegens misbruik van klachtrecht niet in behandeling wordt genomen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:293 Hof van Discipline 's Gravenhage 260368

    Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Klaagster heeft op 20 augustus 2026 bij de deken een klacht ingediend over een gedraging van mevrouw mr. P op 14 augustus 2026. De deken kan de klacht van klaagster over mr. P uitsluitend in behandeling nemen als mr. P op 14 augustus 2026 heeft gehandeld als advocaat of als advocaat in een andere hoedanigheid. Nu daarvan geen sprake is, mist de deken de wettelijke bevoegdheid om de klacht van klaagster over mr. P in behandeling te nemen. Dit volgt uit artikel 46c lid 1 Advocatenwet. De deken kon klaagster dan ook geen ander bericht sturen dan hij op 21 augustus 2026 heeft gedaan (niet in behandeling nemen van de klacht).

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:109 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-723/DB/LI

    Ambtshalve beslissing tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke schorsing.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:161 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9683

    Kennelijk ongegronde klacht tegen kno-arts in verband met uitgebrachte expertise. Rapportage voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. De kno-arts heeft de voor het onderzoek bepaalde normaalwaarde niet genegeerd en geen gebruik gemaakt van verkeerde cijfers. De kno-arts heeft op concrete, inzichtelijke en wetenschappelijk onderbouwde wijze beschreven hoe hij tot zijn conclusies is gekomen.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/10244

    Voorzittersbeslissing. Klacht van behandelend zorgverlener tegen, volgens klager, een verpleegkundige over (het handelen rondom) de beoordeling van de aanvraag van de patiënt van klager voor vergoeding van zorg, verleend in het buitenland door klager. Klager is geen rechtstreeks belanghebbende, aangezien er geen sprake is van een concreet eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. De klacht van klager gaat over de algemene gezondheidszorg (en de vergoeding hiervan). Klager valt ook niet onder een van de andere categorieën klachtgerechtigden. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:182 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-803/AL/NN

    Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:183 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-109/AL/MN

    Raadsbeslissing. Klacht over klachtfunctionaris is door de raad ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:184 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-566/AL/NN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:23 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/32

    Notaris passeert levenstestament voor de vader van klager. Daarin is bepaald dat klager en zijn zus (die al jarenlang gebrouilleerd zijn) alleen samen bevoegd zijn om vader te vertegenwoordigen. Klager heeft redelijk belang bij klacht. Klacht over beoordeling van wilsbekwaamheid vader ongegrond. Klacht over onterecht beroep op geheimhoudingsplicht gegrond. Gelet op vaste rechtspraak van het hof oordeelt de kamer dat de notaris naar aanleiding van de vragen van klager uitleg had moeten geven over de gang van zaken rond de totstandkoming en het passeren van het levenstestament. Dit geldt niet alleen voor een notaris tegen wie een tuchtklacht is ingediend, maar ook voor een notaris aan wie – zoals in deze zaak – door iemand die daarbij een redelijk belang heeft vragen worden gesteld over de gang van zaken rond het tot stand komen van een akte.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:24 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/62

    De klaagster heeft een appartement gekocht en de notaris opdracht gegeven om de leveringsakte en de hypotheekakte te verzorgen. Toen bleek dat de bank van de klaagster verlangde dat zij, naast een hypotheek op het appartement, ook een overbruggingshypotheek op haar ‘oude’ woning zou vestigen, rezen er vragen bij de notaris over de beschikkingsbevoegdheid van de klaagster om die overbruggingshypotheek zelfstandig te kunnen vestigen. Volgens de notaris moest daarover eerst duidelijkheid komen.De klaagster verwijt de notaris in de kern dat hij niet heeft meegewerkt aan de hypotheekakte, waardoor ook de levering van het appartement niet kon doorgaan op de beoogde overdrachtsdatum. Daarnaast maakt de klaagster de notaris andere verwijten. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. De notaris moest laveren tussen het risico van (de wellicht onterechte) ministerieverlening en het risico van (de wellicht onterechte) dienstweigering. In zo’n situatie is het algemene uitgangspunt dat een notaris op grond van zijn eigen deskundigheid een gefundeerde afweging moet maken. De notaris heeft terecht kunnen besluiten om de hypotheekakte (en dus ook de leveringsakte) niet te passeren.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:25 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/64

    De zaak gaat over (de financiële afwikkeling van) een door de notaris gepasseerde akte van verdeling en levering. Bij deze akte was de klaagster zelf niet betrokken, maar wel haar ex-partner en twee familieleden van hem. Volgens de klaagster is bij de totstandkoming van de akte onvoldoende rekening gehouden met haar belangen als schuldeiser van de ex-partner. De klaagster heeft de notaris daarom verzocht om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier. De notaris heeft dat geweigerd en doet daarbij een beroep op haar geheimhoudingsplicht. Volgens de klaagster is het beroep op de geheimhoudingsplicht onterecht. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Er was geen grond voor dienstweigering en de notaris heeft met een beroep op haar geheimhoudingsplicht terecht kunnen besluiten geen stukken uit het dossier aan de klaagster te geven.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:290 Hof van Discipline 's Gravenhage 260001

    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een erfrechtelijke procedure een verklaring van haar cliënte op de zitting van de rechtbank voorgelezen. Klager klaagt erover dat verweerster zich hiermee onnodig grievend heeft uitgelaten en ten onrechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De raad heeft in een verzetprocedure geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster komt hiertegen in beroep. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de gegrondverklaring van het klachtonderdeel, maar acht het passend en geboden de zwaardere maatregel van berisping op te leggen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:291 Hof van Discipline 's Gravenhage 250383

    Het betreft een klacht over de eigen advocaat. Klager verwijt verweerster drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder daarvoor een opdracht van klager te hebben gekregen. Daarnaast verwijt klager verweerster een drietal gedragingen in de privésfeer. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken. De raad heeft het eerste klachtonderdeel deels en de klachtonderdelen over de gedragingen in de privésfeer niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover het eerste klachtonderdeel ontvankelijk was is dit ongegrond verklaard. Klager komt daartegen in beroep. Het hof verklaart in hoger beroep het klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 22 juli 2021 en ongegrond voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021 en vernietigt de raadsbeslissing uitsluitend in zoverre.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/10435

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een gezondheidszorgpsycholoog kennelijk niet-ontvankelijk. Klager verwijt de gezondheidszorgpsycholoog dat hij een verklaring heeft afgegeven over zijn cliënt, de ex-partner van klager. De voorzitter oordeelt dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Klager heeft weliswaar een financieel belang (in de alimentatieprocedure), maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:190 Raad van Discipline Amsterdam 26-554/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Klacht in alle onderdelen niet-ontvankelijk vanwege overschrijding klachttermijn van drie jaar. Van informatie waarvan klager pas na klachttermijn kennis heeft genomen, waardoor hij zijn klacht niet eerder heeft kunnen indienen, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:197 Raad van Discipline Amsterdam 26-087/A/NH

    Raadsbeslissing. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerster willens en wetens de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/10237

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een psychotherapeut kennelijk niet-ontvankelijk. Klager verwijt de psychotherapeut dat hij een verklaring heeft afgegeven over zijn cliënt, de ex-partner van klager. De voorzitter oordeelt dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Klager heeft weliswaar een financieel belang (in de alimentatieprocedure), maar dit kan niet worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:191 Raad van Discipline Amsterdam 26-603/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Ne bis in idem. Klacht is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als eerdere klacht waarover de raad heeft geoordeeld. De verwijten die klaagster verweerster maakt zijn al in de eerdere beslissing aan de orde gekomen. Klaagster kan daar niet opnieuw over klagen. Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:288 Hof van Discipline 's Gravenhage 260052

    Vernietiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over verweerster die als advocaat optrad voor een voormalig cliënt van het kantoor van klaagster. De klacht houdt in dat verweerster zich in een e-mail op agressieve en onnodig grievende wijze heeft uitgelaten over klaagster en haar kantoorgenoot, in die e-mail feitelijke en juridische standpunten heeft ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en daarbij aan klaagster en haar kantoorgenoot een termijn van nul dagen heeft gegeven om te reageren. De raad heeft geoordeeld dat het ging om een spoedeisende kwestie en dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad, verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster te snel gehandeld, en zich teveel laten leiden door haar client, zonder zelf voldoende onderzoek te doen naar de spoedeisendheid, belang en gegrondheid van de zaak.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:289 Hof van Discipline 's Gravenhage 260026

    Bekrachtiging met uitzondering van de opgelegde maatregel. Berisping in plaats van waarschuwing. Klager heeft een klacht ingediend over zijn voormalig advocaat. Klager en zijn voormalige compagnon waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van een B.V., toen er tussen hen beiden een geschil is ontstaan. Sinds juli 2024 is klager enig bestuurder van de B.V.. Verweerder, die eerder ook klager en zijn persoonlijke B.V. heeft bijgestaan, heeft klager laten weten dat klagers voormalige compagnon en de aan hem gelieerde ondernemingen verweerder hebben verzocht hen bij te staan in het geschil met klager. Klager heeft daar bezwaren tegen geuit, wegens strijd met gedragsregel 15. De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder is het daarmee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het op andere gronden, en met uitzondering van de opgelegde maatregel. Het hof legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of informatie waar verweerder mogelijk over beschikte daadwerkelijk van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van klagers voormalige compagnon, omdat het hof doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klager wel zo was en ook redelijkerwijs kon zijn. Het hof is van oordeel dat sprake is van redelijke bezwaren bij klager tegen de ontstane verstrengeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder c, zodat er geen ruimte is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat niet mag worden opgetreden tegen een (voormalige) cliënt. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarmee is niet alleen de voornoemde gedragsregel in het geding, maar ook de kernwaarde partijdigheid.