We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 45521-45530 van de 47908 resultaten

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2011:YC0674 Kamer van toezicht Zutphen 10-2010

    omschrijving klacht: het onzorgvuldig handelen van de kandidaat-notaris, door zonder zich voldoende te vergewissen van de handelings- en wilsbekwaamheid van erflaatster medewerking te verlenen aan de wijziging van het testament en zich te laten benoemen tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. oordeel: De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris dienaangaande op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft gehandeld. Er zijn belangrijke wijzigingen in het testament opgenomen. Gelet hierop diende de kandidaat-notaris een hogere mate van zorgvuldigheid te betrachten dan wanneer slechts sprake was van een geringe wijziging, en diende zij te onderzoeken of erflaatster in staat was tot een redelijke waardering terzake. Bij het passeren van het testament was geen notariële getuige aanwezig. Voorts zat tussen de bespreking aangaande de wijzigingen in het testament en de ondertekening van het testament een kort tijdsbestek. Gelet op de hoge leeftijd en de gesteldheid van erflaatster had het op de weg van de kandidaat-notaris gelegen om bij het tweede bezoek te verifiëren of erflaatster nog steeds de wil had om de eerster besproken wijzigingen in het testament op te nemen, en om een verslag op te stellen van hetgeen besproken was. Door dit na te laten heeft de kandidaat-notaris op onvoldoende zorgvuldige wijze de wilsbekwaamheid van erflaatster beoordeeld. Klacht gegrond.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2011:YC0716 Kamer van toezicht Zutphen 11/2011

    De notaris heeft niet voldaan aan de verplichting tot het tijdig indienen van de volledige jaarstukken. De notaris heeft het BFT bemoeilijkt in zijn taak om toezicht te houden op de naleving van de voor het notariaat geldende regelingen op financieel gebied. De Kamer acht de klacht dan ook gegrond.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2011:YC0920 Kamer van toezicht Zutphen 2/2011

    Klachtonderdeel 4: onvoldoende voortvarend de nalatenschap afgewikkeld en klagers daarover onvoldoende actief geïnformeerd De Kamer is van oordeel dat het niet alleen aan de erfgenamen, maar zeker ook aan de notaris te wijten is dat de afwikkeling te lang, namelijk vijf jaren, heeft geduurd. Uit de stukken en het door de notaris opgestelde overzicht in zijn reactie op de klacht bij brief van 21 april 201 blijkt dat er verschillende periodes zijn geweest waarin de zaak zonder aanwijsbare redenen heeft stilgelegen. De notaris heeft zich in de voormelde periodes passief opgesteld, terwijl bij een boedel met ruziënde erfgenamen naar het oordeel van de Kamer juist een strakke regie en een tijdig ingrijpen door de notaris vereist is. Blijkens de reacties van klagers tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, heeft hij hun onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij rechtsmaatregelen konden treffen om de vastgelopen zaak weer vlot te trekken. Voorts oordeelt de Kamer dat de notaris in de periodes waarin het dossier stillag, klagers onvoldoende heeft geïnformeerd over de stand van zaken. Daarnaast heeft hij, zoals hij ook toegeeft, niet altijd voortvarend gereageerd op verzoeken van klagers om te worden teruggebeld. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld. Hoewel op zichzelf beschouwd de onderhavige klacht een minder zware maatregel rechtvaardigt, maakt het feit dat deze klacht en de eerdere gegrondverklaarde klachten blijk geven van een patroon in de wijze waarop de notaris nalatenschappen afhandelt, dat de Kamer de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken aangewezen acht.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0918 Kamer van toezicht Zutphen 3/2011 en 4/2011

    De Kamer constateert dat de notaris in de periode van november 2009 tot mei 2010 vrijwel geen enkele activiteit heeft ondernomen om de nalatenschap van moeder af te wikkelen. Er was een klacht van klager onder 1a en een telefoongesprek naar aanleiding daarvan met de secretaris van de Kamer voor nodig om de notaris weer zijn werkzaamheden en de communicatie met klagers te laten hervatten. Na oktober 2010 zijn de activiteiten van de notaris wederom stilgevallen. Hij heeft nog wel de erfdelen uit vaders nalatenschap uitgekeerd, maar om onduidelijke redenen is dit bij een aantal klagers met een forse vertraging gebeurd. De toezeggingen in zijn brieven van 27 oktober 2010 en 14 juni 2011 dat hij binnen een in de brieven vermelde termijn een voorstel voor de afwikkeling van de nalatenschap van moeder zou doen, is hij niet nagekomen. De onderhavige klachten en het verzoek om reactie van de KNB op een klachtbrief van klaagster onder 2a hebben ook niet tot enige activiteit geleid. Indien de notaris meende dat hij om welke reden dan ook zijn werkzaamheden niet meer naar behoren kon uitoefenen, had het op zijn weg gelegen om de afwikkeling van de nalatenschap over te dragen aan een andere notaris. Uiteindelijk heeft de passiviteit van de notaris ertoe geleid dat klagers zelf hun toevlucht hebben moeten zoeken tot een andere notaris voor de afwikkeling van de nalatenschap. Voorts stelt de Kamer vast dat de notaris ernstig is tekort geschoten in zijn communicatie met klagers. Hij heeft stelselmatig niet gereageerd op de talrijke pogingen van klagers om met hem in contact te komen; brieven en e-mailberichten werden niet beantwoord en klagers werden niet door hem teruggebeld als zij hadden geprobeerd hem telefonisch te bereiken. Conclusie dient derhalve te zijn, dat de klachten gegrond zijn. De notaris is bij de afwikkeling van de nalatenschap ernstig in gebreke gebleven. De Kamer acht het optreden van de notaris dermate strijdig met de zorgplicht die hij jegens zijn cliënten dient te betrachten, dat zij de maatregel van berisping aangewezen acht. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. De notaris heeft in zijn verweer niet duidelijk kunnen maken hoe het zo ver heeft kunnen komen dat klagers uiteindelijk het dossier bij hem weg hebben moeten halen. Hoewel hij tijdens de mondelinge behandeling van de klachten zijn fouten ruiterlijk toegaf, gaf hij daarbij geen blijk van enige zelfanalyse noch van de wil om zich te verbeteren. Uit zijn reacties sprak eerder een zekere gelatenheid. De notaris heeft naar aanleiding van de klacht geen naar het oordeel van de Kamer overtuigende maatregelen genomen om orde op zaken te stellen.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0919 Kamer van toezicht Zutphen 15/2011

    onderdeel 1: doelbewust heeft nagelaten met klaagster te communiceren, maar in plaats daarvan steeds met [oudste dochter erlater] gesproken heeft. De notaris heeft naar het oordeel van de Kamer een afdoende verklaring gegeven voor de contacten die hij met [oudste dochter erflater]heeft gehad voorafgaande aan de besprekingen met onder meer klaagster op 28 april 2010 en met [gemachtigde klaagster] op 11 november 2010. Niet gebleken is dat hij klaagster buiten spel heeft gezet door haar als boedelnotaris niet te informeren over de inhoud van zijn voornamelijk telefonische contacten met [oudste dochter van erflater]. Na de gemotiveerde betwisting door de notaris heeft klaagster de door haar aan hem verweten partijdigheid niet nader onderbouwd. Dit klachtonderdeel moet gelet op dit alles ongegrond verklaard worden. onderdeel 2: dat de notaris zich tijdens de bespreking op 28 april 2010 uit eigen beweging heeft opgeworpen als boedelnotaris en zich heeft voorgedaan als executeur. Zou de notaris zonder dat hem daartoe opdracht was gegeven deze werkzaamheden hebben verricht, dan had het voor de hand gelegen dat klaagster en/of (een van) haar kinderen bij hem aan de bel zou hebben getrokken over zijn eigenmachtig optreden. Uit het feit dat dat niet is gebeurd, leidt de Kamer af dat de notaris heeft gehandeld ingevolge een door klaagster en de kinderen tijdens de bespreking op 28 april 2010 uitdrukkelijk aan hem verstrekte opdracht om als boedelnotaris de nalatenschap van erflater af te wikkelen. De klacht dat de notaris zich heeft opgeworpen als boedelnotaris zonder daartoe door klaagster en haar kinderen te zijn benoemd wordt daarom verworpen. onderdeel 3: bewust dan wel onbewust de mogelijkheid van defiscalisatie heeft gemist met alle nadelige financiële gevolgen voor haar van dien. Klaagster heeft niet weersproken dat de notaris bij de eerste bespreking op 28 april 2010 het onderwerp defiscalisatie aan de orde heeft gesteld. Ook heeft zij niet betwist dat de notaris er niet meer aan toegekomen is om dit onderwerp diepgaander te onderzoeken en met haar te bespreken omdat zij eerder al haar opdracht dienaangaande had ingetrokken. Het verwijt dat de notaris de mogelijkheid van defiscalisatie heeft gemist kan gelet op dit alles geen stand houden, zodat dit klachtonderdeel ongegrond verklaard zal worden. onderdeel 4: de drie dochters heeft geadviseerd de boedelvolmachten aan klaagster in te trekken en na zijn ontslag als boedelnotaris zijn benoeming tot partijnotaris door de drie dochters heeft aanvaard. Na gemotiveerde betwisting heeft klaagster haar klacht dat er sprake is van belangenverstrengeling door het optreden van de notaris als partijnotaris, niet nader onderbouwd. Ten slotte moet ook de stelling van klaagster dat de notaris haar dochters heeft geadviseerd de boedelvolmacht in te trekken, verworpen worden. Na deze betwisting heeft klaagster de door haar gestelde advisering onvoldoende nader onderbouwd, zodat ook dit onderdeel van haar klacht ongegrond is.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0921 Kamer van toezicht Zutphen 17/2011

    Het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter is gegrond. Klachtonderdeel 1: trage afwikkeling nalatenschap De Kamer is van oordeel dat het tijdsverloop deels is te wijten aan klaagster zelf. De lange duur van de afwikkeling na de mondelinge behandeling van de eerste klacht op 28 april 2011 is echter ook te wijten aan de passieve houding van de notaris in de periode van 9 juni 2011 tot de ontvangst van de brief van [gemachtigde] 10 oktober 2011. Het feit dat de vakantieperiode in deze maanden viel, zoals door de notaris naar voren is gebracht tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, doet daar gezien de bijzondere omstandigheden van dit dossier niet aan af. Dit klachtonderdeel is derhalve deels gegrond. Klachtonderdeel 2: de brief van 9 juni 2011 Dit klachtonderdeel treft doel, voor zover het het niet tijdig verzenden van de brief van 9 juni 2011, de adressering daarvan aan klaagster en niet aan de advocaat en het uitblijven van een rappel betreft. Klachtonderdeel 3: onder druk gezet om akkoordverklaring te ondertekenen Het is naar het oordeel van de Kamer niet vast komen staan dat de notaris klaagster onder druk heeft gezet om de meegezonden akkoordverklaring te ondertekenen, omdat hij anders niet tot uitbetaling van enig bedrag zou overgaan. Specificaties en bankafschriften plegen niet op voorhand met de staat van uitgaven en ontvangsten te worden meegestuurd, tenzij dit van tevoren is verzocht. Klaagster heeft tijdens de zitting verklaard dat zij een dergelijk verzoek niet heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Klachtonderdeel 4: onjuist en onbehoorlijk gedeclareerd De Kamer is van oordeel dat de notaris voldoende heeft weerlegd dat hij voornemens zou zijn geweest om de kosten van de klachtenprocedures op klaagster te verhalen. Zij voegt hieraan toe dat het wel begrijpelijk is dat klaagster in die veronderstelling was, daar de uitdraai zonder enige toelichting aan haar was gepresenteerd. De notaris had er dan ook beter aan gedaan om er direct bij te vermelden dat niet alle op de uitdraai vermelde kosten gedeclareerd zouden worden. Het verwijt van klaagster dat de notaris haar op 7 november 2011 bewust heeft misleid door in de nieuwe versie van de declaratie niet alle afgesproken wijzigingen door te voeren, is niet toereikend onderbouwd en moet daarom ongegrond worden verklaard. Het is de Kamer niet gebleken dat klaagster op 7 november 2011 onder druk is gezet door de notaris. Bovendien werd zij begeleid door haar advocaat, die indien nodig had kunnen ingrijpen. De Kamer deelt niet de mening van klaagster dat de notaris geen kosten bij haar mag declareren vanaf het moment dat zij haar volmacht had ingetrokken in 2008. Klaagster heeft nog aangevoerd dat de declaratie op diverse punten onjuist dan wel te hoog is. Zij heeft ingevolge artikel 55, tweede lid, Wna reeds een geschil over de hoogte van de declaratie aanhangig gemaakt bij de voorzitter van het bestuur van de Zutphense ring van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Gerechtshof te Amsterdam komt de Kamer van Toezicht slechts een marginale toetsing van de hoogte van declaraties toe. De Kamer ziet in de declaratie geen aanleiding om daarover een tuchtrechtelijk oordeel uit te spreken. Het vierde klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard. De Kamer is van oordeel dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken dient te worden opgelegd. Op zichzelf beschouwd zijn de geconstateerde onzorgvuldigheden niet dusdanig ernstig dat zij deze maatregel rechtvaardigen. Gelet echter op de eerdere gegrondverklaring door de Kamer in deze zaak, rekent zij het de notaris bijzonder zwaar aan dat hij daarna nog steeds niet de prioriteit heeft gegeven aan de afwikkeling van deze nalatenschap die van hem onder deze omstandigheden verwacht had mogen worden. De Kamer betrekt bij haar oordeel niet alleen haar gegrondverklaring in de eerdere klacht in deze zaak, maar ook haar gegrondverklaringen in ander klachten over de trage afwikkeling van nalatenschappen.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0922 Kamer van toezicht Zutphen 9/2010

    Klachtonderdeel 1: onvoldoende geïnformeerd over veiling en de ontbinding van de veilingovereenkomst De Kamer is met de kandidaat-notaris van oordeel dat zij klager in haar brieven voldoende heeft geïnformeerd over de veiling tot en met haar brief van 30 oktober 2009 over de gunning van de woning. Zij heeft deze correspondentie zelfstandig gevoerd. In zoverre is de klacht tegen de kandidaat-notaris ongegrond. Nadat bekend is geworden dat de veilingovereenkomst tussen de koper en de [bank] is ontbonden, is de informatie die de kandidaat-notaris in samenspraak met de notaris daarover aan klager heeft verstrekt, echter naar het oordeel van de Kamer onvoldoende geweest. Klachtonderdeel 5: onvoldoende vooronderzoek verricht Anders dan de kandidaat-notaris, is de Kamer van oordeel dat er wel degelijk aanleiding bestond om in het kader van de voorbereiding van de veiling nader kadastraal onderzoek te verrichten. Hoewel er voldoende aanwijzingen waren dat nader rechercheren nodig was, is de kandidaat-notaris niet verder gegaan dan rechercheren op het in de hypotheekakte en de veilingopdracht vermelde kadastrale nummer. Hierdoor is de destijds gemaakte fout bij de vernummering van de kavels niet tijdig aan het licht gekomen. Dit klachtonderdeel is dan ook ten aanzien van de kandidaat-notaris terecht voorgesteld.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0923 Kamer van toezicht Zutphen 9/2011

    De kandidaat-notaris heeft op 16 oktober 2008 het concept van de boedelbeschrijving aan klaagster gezonden en in reactie daarop heeft klaagster op 24 november 2008 een brief gestuurd met het verzoek om een groot aantal stukken ter onderbouwing toe te zenden omdat zij de juistheid van de boedelomschrijving in twijfel trok. Uit deze brief van klaagster bleek dat er aan de kant van klaagster geen vertrouwen was in de opgave van de heer [partner] en dat de relatie tussen hen verstoord was geraakt. Dit had voor de kandidaat-notaris aanleiding moeten zijn om minder aan partijen over te laten en de regie naar haar toe te trekken. Zij had in ieder geval vanaf dat moment het testament als uitgangspunt moeten nemen. Dit betekent dat zij had moeten bevorderen dat de waardering in onderling overleg met de legatarissen tot stand zou komen en zo nodig door tussenkomst van een taxateur. De kandidaat-notaris heeft in haar verweer ook erkend dat zij er beter aan had gedaan om aan te dringen op benoeming van een taxateur. Klaagster maakt de kandidaat-notaris terecht het verwijt dat zij onvoldoende heeft nagegaan of er daadwerkelijk overeenstemming bestond tussen klaagster en de heer [partner] over de inhoud van de akte van boedelbeschrijving, voordat zij de akte in handen van de notaris stelde om te passeren. Zij had de laatste conceptakte aan beide partijen moeten toezenden en moeten wachten op akkoordbevinding van beide partijen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de gemachtigde van verweerders verklaard dat zich geen schriftelijk akkoord van de advocaat van klaagster in het dossier bevindt en dat de Kamer beschikt over alle stukken in dit verband. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de heer [partner] namens zijn advocaat [advocaat partner] telefonisch aan de kandidaat-notaris heeft doorgegeven dat het akkoord was en de akte kon worden verleden. De Kamer acht dit bericht van de heer [partner] onvoldoende om de akte klaar te maken voor passeren door de notaris. Conclusie dient derhalve te zijn dat klachtonderdeel 2 tegen de kandidaat-notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op de totstandkoming van de boedelbeschrijving en het in handen van de notaris stellen van de akte van boedelbeschrijving en klachtonderdeel 3 tegen de notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op het passeren van de akte van boedelbeschrijving zonder dat vaststond dat partijen met de inhoud van de akte hadden ingestemd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. De Kamer is van oordeel dat de bij klachtonderdeel 2 geconstateerde onzorgvuldigheden van de kandidaat-notaris dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat door de passieve opstelling van de kandidaat-notaris het conflict over de waardering van de nalatenschap onnodig lang heeft voortgeduurd en uiteindelijk tot gerechtelijke procedures heeft geleid. Ten aanzien van de bij klachtonderdeel 3 geconstateerde onzorgvuldigheid van de notaris acht de Kamer oplegging van een maatregel te verstrekkend. De Kamer zal volstaan met de constatering dat de klacht op het bovengenoemde onderdeel terecht is opgeworpen.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2013:YC0925 Kamer van toezicht Zutphen 09/2012

    Het BFT verwijt de notaris dat hij een negatieve bewaringspositie op zijn kwaliteitsrekening heeft laten ontstaan door overboeking van gelden van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening ten behoeve van betaling van kantoorkosten zonder vast te stellen of de bewaringspositie toereikend was. Zoals de notaris heeft erkend, staat vast dat hij gelden heeft overgeboekt van de derdengeldenrekening naar een kantoorrekening, waardoor een bewaringstekort is ontstaan dat pas na een aantal maanden is opgeheven De klacht dient gegrond te worden verklaard. De Kamer is van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het bewaringstekort bijna vijf maanden heeft voortgeduurd. Hoewel de notaris maatregelen heeft getroffen na ontdekking van het bewaringstekort, kan de Kamer zich niet aan de indruk onttrekken dat hij niet alles op alles heeft gezet om de situatie zo kort mogelijk te laten voortbestaan Verder is voor de Kamer van belang dat de notaris het in januari 2012 ontstane bewaringstekort niet uit eigen beweging aan het BFT heeft gemeld.

  • ECLI:NL:TNOKZUT:2013:YC0941 Kamer van toezicht Zutphen 2/2012

    De klacht van [klager] bestaat uit de volgende twee onderdelen - [het notariskantoor] heeft twee zekerheden, te weten twee krediethypotheken, geregistreerd op de woning van het echtpaar, terwijl bekend was dat de ruimte in de overwaarde van dat pand noodzakelijk was om de door [het notariskantoor] opgestelde en ten overstaan van [notaris 2] ondertekende overeenkomsten met betrekking tot het woonhuis van [klager] na te komen, - [het notariskantoor] heeft de registerverklaring inzake het retentierecht op het woonhuis van [klager] opgesteld en laten inschrijven in de registers van het kadaster. Geoordeeld moet worden dat in dit geval, waar [notaris 2] onderzoek gedaan heeft naar de juistheid van de verklaring van het echtpaar dat twee van hun schuldeisers een hypotheekrecht op hun woning wilden vestigen en deze schuldeisers tegenover hem het bestaan van de vordering hebben bevestigd, [notaris 2] er geen rekening mee behoefde te houden dat de hypotheekvestigingen mogelijk een ongeoorloofd doel of gevolg zouden hebben, laat staan dat gezegd kan worden dat hem van een kennelijk ongeoorloofd doel of gevolg moet zijn gebleken. Bij de beantwoording van de vraag of [notaris 2] andere gegronde redenen had om zijn medewerking te weigeren geldt dat [notaris 2] zowel rekening moest houden met de belangen van de (aanstaande) hypotheekhouders als met de belangen van [klager]. [notaris 2] heeft aangevoerd dat hij de belangen van [klager] voldoende had behartigd door haar direct te informeren over de door het echtpaar ingeroepen ontbinding, haar te adviseren een advocaat te raadplegen en op haar verzoek de brief van het echtpaar door te sturen naar de door [klager] genoemde advocaat. Hij kan daarin gevolgd worden. Hoewel een andere notaris in de situatie waarin [notaris 2] verkeerde en met alle relevante kennis van de zaak misschien een andere keus had gemaakt, kan de beslissing van [notaris 2] om wel zijn medewerking te verlenen gebillijkt worden. Hij is in ieder geval binnen de hem als notaris gegeven marges gebleven. De vraag of [notaris 2] had moeten onderzoeken of het aannemingsbedrijf bevoegd was een beroep te doen op dat retentierecht alvorens zijn medewerking aan de registerverklaring te verlenen, moet ontkennend beantwoord worden. Het gaat te ver van een (kandidaat-)notaris een dergelijk onderzoek te verlangen. Ook ten aanzien van het opstellen en inschrijven van de registerverklaring geldt dat een andere notaris mogelijk een andere beslissing had genomen. Bekend is dat onder notarissen een discussie bestaat over het al dan niet medewerking verlenen aan de inschrijving van een retentierecht. Het feit echter dat [notaris 2] heeft meegewerkt aan de registratie van het retentierecht is in het onderhavige geval geen reden voor het treffen van een tuchtrechtelijke maatregel. [notaris 2] heeft de nodige zorgvuldigheid betracht en zijn handelen valt binnen de hiervoor onder 4.6. weergegeven marges.