Zoekresultaten 741-760 van de 3907 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:281 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8490

    Kennelijk ongegronde klacht tegen oogarts, die supervisor was van een AIOS in het vierde jaar van zijn opleiding tot oogarts en bij de behandeling niet betrokken is geweest. De AIOS was bevoegd en bekwaam om het consult met klager zelfstandig te doen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:244 Hof van Discipline 's Gravenhage 250011

    De voormalig accountant van verweerster heeft concept jaarstukken 2021 voor verweerster opgesteld en beklaagt zich erover dat verweerster deze stukken zonder zijn instemming aan haar opvolgend accountant als definitief heeft gepresenteerd. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerster een onvoorwaardelijke schorsing opgelegd. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de raad.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:282 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8752

    Kennelijk ongegronde klacht tegen AIOS oogheelkunde in het vierde jaar van zijn opleiding. Geen aanwijzing dat er iets anders aan de hand was dan de geconstateerde beschadiging van het hoornvlies. Onderzoek was zorgvuldig en adequaat.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:283 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8203

    Deels gegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster verwijt de psychiater in de kern dat de behandeling kwalitatief onvoldoende was, dat hij haar aan haar lot heeft overgelaten en de ernst van haar klachten heeft onderschat. De psychiater stelt dat op sommige punten ruimte voor enige verbetering was, maar dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Het college overweegt dat klaagster zowel arts als patiënt was en dat die dubbele rol ingewikkeld kan zijn. Ook bij gezamenlijke besluitvorming had de psychiater zich er bewust van moeten zijn dat de ziekte van klaagster haar beoordelingsvermogen kon beïnvloeden. Dat betekent dat de psychiater er niet zonder meer en niet gedurende een lange periode vanuit kon gaan dat het goed met klaagster ging, zonder haar te zien. Ook in verband met de voorgeschreven medicatie was het nodig om klaagster regelmatig te zien. Klachtonderdelen a en b zijn gegrond. Dat de psychiater vanwege ontstane klachten na het gebruik van medicatie aan een neurologische oorzaak voor de klachten had moeten denken en klaagster eerder dan eind 2020 had moeten verwijzen, kan het college niet vaststellen. Klachtonderdeel c is ongegrond. Klachtonderdeel d, gebrek aan professionaliteit, is deels gegrond voor zoverre het verwijt is dat er te weinig regie en sturing vanuit de psychiater was en dat de psychiater niets heeft gedaan met noodkreten van familie en vrienden van klaagster. Volgt een berisping.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:284 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8226

    Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht tegen een psychiater. Klaagster verwijt de psychiater dat hij een rol heeft gespeeld in het faciliteren van labonderzoeken voor zijn broer tevens ex-echtgenoot, die de testresultaten vervolgens gebruikte in een familierechtelijke procedure. Omdat de resultaten onbruikbaar bleken, liep de procedure vertraging op. Dat zorgde voor stress bij klaagster en haar kinderen. Het college oordeelt dat klaagster niet als rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet BIG kan worden aangemerkt.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:241 Hof van Discipline 's Gravenhage 250328

    Hoger beroep na beslissing op verzet. De beroepsgronden van klager leveren geen grond op voor doorbreking van het appelverbod.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:242 Hof van Discipline 's Gravenhage 250313

    Beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen ongegrond. De deken heeft op goede gronden het verzoek tot aanwijzing van een advocaat kunnen weigeren. Er is onvoldoende overzichtelijke informatie verstrekt of een procedure tegen de wederpartij van klager redelijke kans van slagen heeft en het een procedure betreft die qua schadebedrag boven de kantongrens van € 25.000,- uit stijgt.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:280 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8614

    Klager uit een veelvoud aan forse, niet onderbouwde en onbegrijpelijke beschuldigingen tegen een oogarts en wordt wegens misbruik van tuchtrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:243 Hof van Discipline 's Gravenhage 250312

    Beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen ongegrond. Het hof stelt vast dat aan klaagster een advocaat is aangewezen bij beslissing van de deken van 30 juli 2025. Uit dit cassatieadvies volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. De deken heeft klaagster er reeds in de aanwijzingsbeslissing op gewezen dat in deze zaak slecht éénmaal een advocaat wordt aangewezen, behoudens bijzondere omstandigheden. De deken mocht om die reden het tweede aanwijzingsverzoek van klaagster afwijzen. De omstandigheid dat klaagster het niet eens is met het procesadvies van de aan haar toegewezen advocaat brengt niet mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen door de deken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:252 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-333/AL/MN

    Klacht over eigen advocaat. Klager verwijt verweerster (onder meer) dat zij niet (voldoende) heeft aangegeven dat de declaratie veel hoger zou uitvallen dan zij had begroot. De raad verwijst naar gedragsregel 17 en het arrest van het Hof van Justitie van Uit het klachtdossier volgt dat verweerster klager verschillende keren (telefonisch en schriftelijk) duidelijk heeft gewaarschuwd voor de oplopende kosten. Meer in het bijzonder heeft verweerster gewaarschuwd dat de advocaatkosten niet in verhouding staan tot de inhoud en het belang van de verzoeken van klager, heeft ze uitgelegd waarom de zaak duurder wordt als er instanties bij zijn betrokken en heeft ze een uitgebreide waarschuwing gegeven voor hoge kosten in het geval van een scheiding waarbij over alles wordt gediscussieerd. Ook heeft verweerster uitgelegd dat de kosten mede afhankelijk zijn van het aantal en de duur van de contactmomenten, maar ook van de medewerking van klager en zijn houding in de richting van verweerster. De raad merkt daarbij op dat het beter was geweest als verweerster - nadat het voor haar duidelijk werd dat haar declaratie hoger zou worden dan de oorspronkelijk schatting - een nieuwe en actuele (schriftelijke) raming had gemaakt van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om deze procedure af te ronden. De raad is echter - ondanks deze kanttekening - van oordeel dat verweerster klager voldoende en overeenkomstig gedragsregel 17 op de hoogte heeft gebracht dat de declaratie hoger zou worden dan haar oorspronkelijk schatting.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7595

    Klacht tegen een GZ-psycholoog grotendeels gegrond. Maatregel: waarschuwing. Klaagster is lange tijd onder multidisciplinaire behandeling geweest voor haar psychische klachten. Verweerster was gedurende een deel van deze behandeling als regiebehandelaar hierbij betrokken. Klaagster maakt verweerster verschillende verwijten: ten onrechte behandeling beëindigen, onzorgvuldige besluitvorming, niet opstellen behandelplan, verstrekken onjuiste informatie, onheuse bejegening en geen nazorg bieden. Het college oordeelt dat verweerster tekortgeschoten is in de zorg die ze jegens klaagster diende te betrachten door onvoldoende regie te voeren over de behandeling van klaagster en het toewerken naar een zorgvuldige afsluiting en overdracht van de behandeling van klaagster. Het college heeft echter ook oog voor de complexe context waarbij sprake was van een lange wachtlijst, de zwangerschap van klaagster, wisseling van bij klaagster betrokken collega’s en rolverwarring. Het college is ervan overtuigd geraakt dat verweerster lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen. Waarschuwing onder deze omstandigheden passend.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:253 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-335/AL/A

    Raadsbeslissing. De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die eerder in een ander zaak door de kantoorgenoot van verweerder is bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is. Daarbij weegt de raad ook mee dat verweerder is doorgegaan met het behartigen van tegenstrijdige belangen, ook nadat klaagster hem verzocht heeft dat niet te doen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:240 Hof van Discipline 's Gravenhage 250384 250385

    Het indienen van een klacht door klager over verweerders is niet het geëigende middel om de aanpak of wijze van onderzoek door verweerders (in hun hoedanigheid van [voormalig] deken) in de procedure over de klacht over mr. P. ter discussie te stellen. Op grond van de artikelen 46j jo. 46h Advocatenwet kon klager tegen de voorzittersbeslissing van 10 november 2025 verzet instellen bij diezelfde raad en in die procedure naar voren brengen en toelichten op welke punten het dekenaal onderzoek van verweerders niet deugde of tekort is geschoten. Omdat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld zal de voorzitter de klacht van klager over verweerders niet verwijzen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:254 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-363/AL/GLD

    Raadsbeslissing. De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die hij in dezelfde procedure als advocaat heeft bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, en de beperkte mate waarin verweerder zich daarvan bewust lijkt, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:255 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-398/AL/MN

    Verweerster is als advocaat-scheidingsmediator opgetreden in de echtscheiding van klaagster en haar ex-echtgenoot. De raad concludeert op grond van de mediationovereenkomst dat verweerster voor klaagster en haar ex-partner als advocaat - en dus niet in een andere hoedanigheid - heeft opgetreden. De raad beschouwt verweerster daarom als de (voormalige) eigen advocaat van klaagster en de raad zal bij de beoordeling van het handelen van verweerster de maatstaf van de eigen advocaat hanteren. De raad verklaart vervolgens de klacht over het handelen van verweerster ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:256 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-429/AL/NN

    Raadbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster heeft haar geheimhoudingsplicht geschonden door bij de rechtbank een gespreksverslag van de praktijkondersteuner van de huisarts over te leggen, waarin door de cliënte van verweerster de houding en het gedrag van klager tijdens de mediation zijn beschreven. Het voert echter onder de door verweerster aangevoerde omstandigheden te ver om haar dit tuchtrechtelijk te verwijten. Klacht in beide onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:238 Hof van Discipline 's Gravenhage 240246

    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat als patroon van de advocaat van de faillissementscurator. Verweerster heeft volgens klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat de advocaat-stagiaire van verweerster in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Verweerster is volgens klagers als patroon verantwoordelijk voor dit handelen van de advocaat-stagiaire. Ten tweede heeft verweerster volgens klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat de advocaat-stagiaire ten onrechte geen informatie/inlichtingen met betrekking tot de pilot aan klagers heeft verstrekt en verweerster daarmee niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voor haar als patroon gelden. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:251 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-296/AL/MN

    Verzetbeslissing. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2585

    Klager heeft op 3 januari 2022 een ooglaserbehandeling ondergaan. Hij heeft twee maanden daarna last gekregen van droge ogen en pijn. Hij is ontevreden over het vooronderzoek, de informatievoorziening, de nazorg en (de verstrekking van) de verslaglegging. Ook klaagt hij over de behandeling door een niet-BIG-geregistreerde zorgverlener. Klager verwijt verweerder kort gezegd dat hij, al dan niet als medisch directeur, niet heeft gehandeld in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die voor hem voortvloeit uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW). Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in een deel van de klacht niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat klager wél ontvankelijk is in klachtonderdeel d) i. Het Centraal Tuchtcollege verklaart dit klachtonderdeel vervolgens ongegrond. Voor het overige sluit het Centraal Tuchtcollege zich volledig aan bij de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en wordt het beroep van klager verworpen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:239 Hof van Discipline 's Gravenhage 250376

    Klacht tegen deken wordt niet verwezen. De klacht heeft betrekking op het onderzoek naar en het dekenstandpunt van de deken over de klacht. Deze klacht bevindt zich op dit moment in het stadium van doorgeleiding naar de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden. Uit de stukken blijkt dat de deken het door klaagster betaalde griffierecht heeft ontvangen. De aanstaande behandeling van de klacht over mr. Van der W bij de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden is de geëigende plek om ook gerezen bezwaren tegen het dekenonderzoek naar die klacht naar voren te brengen en zonodig aan te voeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster.