Zoekresultaten 46121-46130 van de 48322 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:9 Kamer voor het notariaat Amsterdam 637837 /NT 17-73

    Klager heeft ter zitting bevestigd dat hij tegen de notaris heeft verklaard dat de tekening aan de koopovereenkomst leidend is voor het antwoord op de vraag welk perceelsgedeelte klager destijds heeft gekocht. Vast staat voorts dat het perceelsgedeelte ten noord oosten (rechts) van de toen al bestaande sloot dat na de inschrijving van de akte van levering op naam van klager is gesteld ook na de transactie tussen partijen in het bezit van de verkoper is gebleven en door deze is gebruikt. Hieruit volgt dat dit perceelsgedeelte geen deel uitmaakte van de transactie tussen partijen. Nu voorts in de destijds door partijen getekende koopovereenkomst geen oppervlakte van het verkochte is vermeld, en daarin voor de aanduiding van het verkochte wordt verwezen naar de “aangehechte schets”, heeft de notaris met recht tot de conclusie kunnen komen dat de leveringsakte, waarin het verkochte is omschreven als de Noord-Hollandse stolpwoning c.a. “ter grootte van ongeveer negenenveertig are (..), uitmakende een (..) resterend gedeelte van het terrein aldaar, (..) no. 1390”, een kennelijke verschrijving bevat. Het verwijt van klager dat de notaris niet had mogen overgaan tot het opmaken van een proces-verbaal tot verbetering van de leveringsakte, acht de kamer dan ook ongegrond. Weliswaar was het beter geweest als de notaris partijen van tevoren had laten weten voornemens te zijn een proces-verbaal van verbetering op te maken, maar tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat niet.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:1 Kamer voor het notariaat Amsterdam 655427/NT 18-48

    Vast staat immers dat de notaris in ieder geval op 28 november 2016 in het bezit was van de concept-koopovereenkomst van 17 oktober 2016. De notaris heeft het belang van deze concept-koopovereenkomst ook onderkend, getuige de bewoordingen van de notariële akte van 6 december 2016. Ook indien er van moet worden uitgegaan dat de notaris de ondertekende koopovereenkomst niet zou hebben ontvangen, acht de kamer het onbegrijpelijk dat zij ervoor heeft gekozen om in de akte van 6 december 2016 een verwijzing naar “de koopovereenkomst” op te nemen, zonder dat duidelijk was naar welke koopovereenkomst verwezen werd. Voorts zijn in die akte ten opzichte van de notariële akte van 21 januari 2015 afwijkende bewoordingen opgenomen ten aanzien van de nacalculatie van de koopprijs zonder enige verificatie bij klager. De notaris had eenvoudig haar werkzaamheden kunnen opschorten en had kunnen wachten met passeren totdat zij de ondertekende koopovereenkomst van partijen zou hebben ontvangen. Dit klemt te meer nu klager ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat van enige spoed geen sprake was, hetgeen ook niet door de notaris is betwist. Met deze handelwijze heeft de notaris onduidelijkheid voor klager gecreëerd en hem in een procesrechtelijk nadeliger positie gebracht, aangezien de desbetreffende koopprijsbepaling in de akte van 2016 zich kennelijk (gezien het door verkoper ingenomen standpunt) kan laten lezen als een afwijking van de koopprijsbepaling in de koopovereenkomst van 17 oktober 2016 en als gevolg hiervan een geschil tussen klager en de verkoper is ontstaan.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:10 Kamer voor het notariaat Amsterdam 657327/NT 18-58

    Klagers verwijten de notaris (onder meer) dat zij de executieveiling onzorgvuldig heeft voorbereid en bij het opstellen van de veilingvoorwaarden geen rekening heeft gehouden met de belangen van klagers. De kamer is van oordeel dat de notaris haar oren heeft laten hangen naar de wensen en opvattingen van de hypotheekhouder en dat zij zich in haar opstelling onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat die hypotheekhouder zich door andere aspiraties dan maximalisatie van de verkoopopbrengst heeft laten leiden. Een veilingnotaris treedt op als regisseur in de executieprocedure en dient zich op grond van artikel 17 lid 1 Wna onpartijdig op te stellen jegens alle bij de executie betrokkenen, zoals in dit geval ook klagers. Dat heeft de notaris in onvoldoende mate gedaan. De kamer is van oordeel dat de notaris door haar hiervoor geschetste handelwijze niet heeft gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en de belangen van klagers ernstig heeft veronachtzaamd. Daarmee heeft de notaris het vertrouwen in het notariaat schade toegebracht. Gelet op de ernst van de klachten acht de kamer de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:11 Kamer voor het notariaat Amsterdam 656549/NT 18-52

    Het niet tijdig passeren van de splitsings- en leveringsakte is niet toe te rekenen aan de notaris; de vertraging is door toedoen van klager c.s. zelf ontstaan. De zorgplicht van een notaris gaat niet zo ver dat hij een voorbehoud in een overeenkomst moet opnemen waar dat niet tussen partijen is overeengekomen, zeker niet waar dat voorbehoud niet nodig blijkt te zijn en de nadien bij klager ontstane twijfel over de noodzaak van een vergunning (onder meer) is terug te voeren op onjuiste veronderstellingen van klager zelf. Klacht ongegrond. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht over de declaratie van de notaris.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 660082/NT 19-1

    Hoewel vaststaat dat de notaris zijn toezegging (om de dag na het passeren van de akte voor inschrijving ervan bij het kadaster zorg te dragen) niet is nagekomen, is naar het oordeel van de kamer van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten niet gebleken. De notaris heeft zijn nalatigheid, toen deze hem duidelijk werd, terstond hersteld, zijn excuses aangeboden en van enig nadeel aan de zijde van klaagster is, zoals gezegd, niet gebleken. Op grond van het vorenstaande acht de kamer de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:13 Kamer voor het notariaat Amsterdam 661709/NT 19-7 661711/NT 19-8

    De kamer is van oordeel dat de klachten gegrond zijn. Uit de door het BFT in zijn rapportages vastgelegde cijfers (waarover de notarissen blijkens hun brief van 1 oktober 2018 geen op- of aanmerkingen hebben gemaakt) blijkt dat per 31 juli 2018 sprake is van een negatieve kantoorliquiditeit en – solvabiliteit alsmede van een negatieve privésolvabiliteit van beide notarissen per 31 december 2017. De maatschappij dient erop te kunnen vertrouwen dat een notaris voldoende financieel weerbaar is. Gelet op de ontwikkeling van de financiële posities van de afgelopen jaren valt redelijkerwijs te verwachten dat het handelen van de notarissen er (te eniger tijd) toe zal leiden dat zij niet meer kunnen voldoen aan hun financiële verplichtingen, waarmee zij in strijd handelen met artikel 23 Wna. De kamer legt notaris 1 een waarschuwing op. Aan notaris 2 legt de kamer de maatregel van berisping op: de kamer rekent het hem in het bijzonder aan dat hij, wetende van de liquiditeitsproblemen van de maatschap en in weerwil van het normoverdragend gesprek met het BFT in 2015, in het jaar 2018 nog privéonttrekkingen heeft gedaan ten belope van circa € 125.000, terwijl zijn aandeel in het maatschapsvermogen op 1 januari 2018 € 50.323 negatief bedroeg, en ultimo 2018 nog immer € 50.057 negatief was.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:14 Kamer voor het notariaat Amsterdam 667126/NT 19-29

    Klacht deels niet-ontvankelijk. Gelet op de ratio van (het opnemen van) de vervaltermijn in de Wna, is de kamer van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin het klachtrecht van Fortress zelf ten aanzien van het handelen van de notaris met betrekking tot de leveringsakte van 19 juni 2014 is komen te vervallen, geen plaats is voor een hernieuwd klachtrecht voor klager in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Fortress. Anders dan klager meent is de klachttermijn voor hem met betrekking tot de (totstandkoming van de) leveringsakte van 19 juni 2014 dus niet gaan lopen vanaf het moment dat hij als curator (redelijkerwijs) kennis heeft kunnen nemen van de leveringsakte (te weten 4 september 2015, toen klager van de voormalig boekhouder van Fortress de brief met bijlagen van de notaris van 26 augustus 2015 ontving). Voor het overige is de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:15 Kamer voor het notariaat Amsterdam 659534/ NT 18-61

    De notaris heeft weliswaar in een gesprek met [B] de verkoopprijs van het woonhuis besproken, maar heeft in datzelfde gesprek – zo verklaarde de notaris ter zitting - niet naar de hoogte van de huursom gevraagd of naar de afspraken omtrent de (ver)huur geïnformeerd, zodat niet kon en kan worden vastgesteld in welke mate de toekomstige huurtermijnen van invloed waren op de hoogte van de koopprijs. De kamer overweegt verder dat de notaris vragen heeft gesteld aan de makelaar, maar dat zij daarbij niet voldoende heeft onderkend dat deze makelaar optrad voor de koper. Ter zitting heeft de notaris verklaard dat de makelaar een goede reputatie heeft en in het onderhavige geval niet partijdig heeft gehandeld. Daarbij heeft de notaris echter onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat [B] niet werd bijgestaan door een makelaar of gemachtigde bij de verkoop van haar woonhuis. Voorts is de brief van de makelaar van 12 september 2018, overgelegd als productie 15 bij het verweerschrift, waarin hij de notaris informeert over de waarde van het woonhuis, slechts in algemene bewoordingen gesteld. Daarin is niet specifiek ingegaan op de factoren die hebben geleid tot de totstandkoming van de koopprijs van het woonhuis. Ten slotte heeft de kamer geconstateerd dat in artikel 2 van de leveringsakte is vermeld dat het verkochte wordt aanvaard ‘vrij van huur of pacht’, hetgeen in strijd is met artikel 21 van de koopovereenkomst. De kamer is dan ook, gelet op het grote verschil in WOZ-waarde en de uiteindelijke koopprijs van het woonhuis, van oordeel dat de notaris niet zonder nader onderzoek had behoren over te gaan tot het passeren van de leveringsakte. De kamer acht daarom klachtonderdeel 3.1 in die zin gegrond dat de notaris op dit punt de belangen van [B] heeft veronachtzaamd en haar zorgplicht heeft geschonden.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:16 Kamer voor het notariaat Amsterdam 658206 / NT 18-59

    Klager verwijt de notaris dat hij partijdig en onzorgvuldig heeft gehandeld ter zake van het opmaken van de diverse notariële akten van 6 augustus 2018, meer specifiek met betrekking tot de voorwaarden waaronder de geldleningen van € 2.500.000,- en € 800.000,- door [B b.v.] ter beschikking zijn gesteld. De notaris heeft, nadat hij op 12 juli 2018 [B] persoonlijk had gesproken, op 19 juli 2018 telefonisch overleg gevoerd met de gemachtigde van klager over de geldleningen en een aantal suggesties gedaan over het opstellen van de leningdocumenten. Nadat hij de onderhandse concept-geldleningsovereenkomst van de gemachtigde van klager had ontvangen, heeft de notaris gelezen dat daarin een tweede pandrecht op de aandelen van [E b.v.] was opgenomen, hetgeen geen afdoende zekerheid voor [B] gaf, gelet op de bepaling in de verpandingsakte van [F] ten aanzien van een tweede pandrecht. Daarom heeft de notaris voorgesteld in plaats daarvan een pandrecht te vestigen op de aandelen in het kapitaal van [D b.v.] en het stemrecht op de verpande aandelen te verlenen aan de pandhouder, [B b.v.] De kamer overweegt dat de notaris de situatie aldus juridisch juist heeft geduid.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2019:17 Kamer voor het notariaat Amsterdam 664213 / NT 19-17

    Het tweede en derde verwijt van klagers dat de notaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de conceptakte niet mocht toesturen en vervolgens op 1 december 2018 slechts een deel van de akte - te weten het alleen door klager sub 1 ondertekende gedeelte - heeft toegestuurd, waarna klagers uiteindelijk pas op 1 december 2018 via een medewerker van het restaurant een volledig getekende kopie hebben kunnen bemachtigen, acht de kamer eveneens gegrond. Er was niets op tegen geweest indien de notaris mr. Lamers, toenmalig advocaat van klagers, als antwoord op zijn onder 2.r. bedoelde eerste e-mail van 14 mei 2018 of diens verdere e-mails, had geantwoord dat er wel een bij wijze van volmachtverlening door betrokkenen ondertekende concept-leveringsakte was, onder toezending daarvan, met zo nodig verdere uitleg. In plaats daarvan heeft de notaris op een omfloerste wijze gereageerd, daarbij ten onrechte een tijd lang de indruk wekkend dat er in het geheel niets ondertekend was. Dat de notaris geen kopie van het ondertekende stuk aan de advocaat van klagers wilde verstrekken, is bovendien niet te rijmen met zijn stelling dat klagers allang, sinds 7 februari 2017, een kopie in hun bezit moeten hebben gehad. In het bijzonder kan de kamer de notaris niet volgen in zijn verweer dat het hem niet vrij stond een in zijn ogen niet (meer) bestaand document in het verkeer te brengen omdat hij dan zou bijdragen aan verwarring en dat dát in strijd zou zijn met zijn positie als notaris. Als gevolg van de intrekking van de volmacht door de vervreemders is de onder 2.r. bedoelde (concept-)akte immers niet een niet-bestaand document geworden, maar slechts een meerzijdige volmachtverlening ten aanzien waarvan enkele, maar niet alle, volmachtgevers hun volmacht vervolgens hebben ingetrokken. Desgewenst had de notaris bij de verstrekking van een kopie onder de handtekeningen van [C] en [D] kunnen aantekenen dat hun volmachten inmiddels waren vervallen. Ook hier past het de notaris gewoon en direct te vertellen hoe het is, ook opdat partijen vervolgens zich kunnen beraden over actie.