Zoekresultaten 46081-46090 van de 48322 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:37 Kamer voor het notariaat Amsterdam 628848/NT 17-45 P

    Klacht over declaratie. Ex-echtgenote van klager werkt bij de notaris en heeft minder notariskosten betaald dan klager. Klager meent dat zij gelijk moeten delen in die kosten. Ook vindt klager het oneerlijk dat zijn ex-echtgenote, die na de scheiding bij hem in de gemeenschappelijke woning is blijven wonen, niet deelt in de woonkosten. De kamer verklaart de klacht ongegrond. Klager moet via de mediator afspraken maken over de woonlasten. Het stond de kandidaat-notaris vrij om aan de ex-echtgenote korting te geven, ook al was het niet handig om bij de declaratie aan klager geen uitleg te geven over de extra korting die aan zijn ex-echtgenote was gegeven.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:38 Kamer voor het notariaat Amsterdam 598716/NT15-91 O

    Klager niet-ontvankelijk in vier klachtonderdelen, voornamelijk wegens overschrijding vervaltermijn artikel 99 lid 15 Wna (oud). Het vijfde klachtonderdeel is ongegrond wegens onvoldoende onderbouwing.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:39 Kamer voor het notariaat Amsterdam 640040/NT17-83OJ

    Er is sprake van een klacht van zeer ernstige aard en eveneens kennelijk gevaar voor benadeling van derden op grond waarvan de voorzitter de door het BFT verzochte ordemaatregelen aan de notaris oplegt.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:4 Kamer voor het notariaat Amsterdam 612879/NT 16-53 Th 614586/NT 16-59 Th

    In de eerste klacht: De kamer rekent het de notaris met name aan dat hij er zich op geen enkele wijze rekenschap van heeft gegeven dat hij de waarnemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen doen. Daarmee heeft de notaris zijn verantwoordelijkheid gedurende de waarneming ernstig veronachtzaamd. Ook ter zitting heeft de notaris op geen enkele wijze doen blijken van enig besef van zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. In plaats daarvan heeft de notaris zich bediend van ongefundeerde ontkenningen en van ongegronde verwijten aan de waarnemer, het BFT, de KNB en de kamer. In de tweede klacht: Naar het oordeel van de kamer illustreren de vastgestelde normschendingen de lichtvaardige en onzorgvuldige wijze waarop de notaris zijn ambt heeft uitgeoefend. Het handelen en nalaten van de notaris tonen aan dat de notaris onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij, mede in het belang van de rechtszekerheid, aan het notariaat stelt. Te allen tijde moet op de deugdelijkheid van het werk van een notaris kunnen worden vertrouwd. Het verweer en de houding van de notaris bij de behandeling van de klacht geven op geen enkele wijze blijk van enig besef van de verantwoordelijkheid die op een notaris rust; de notaris lijkt het verwijtbare van zijn handelen en nalaten niet in te zien en heeft zich mede daardoor volstrekt ongeschikt betoond voor het notarisambt. Hoewel aan de notaris inmiddels op eigen verzoek ontslag is verleend, acht de kamer de normschendingen dusdanig ernstig dat de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden is, om een eventuele terugkeer van de notaris in het notariaat te voorkomen. Volgt: twee keer ontzetting uit het ambt.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:40 Kamer voor het notariaat Amsterdam C/13/629256/NT 17-48 (B)

    De door klager aangevoerde feiten en omstandigheden brengen niet automatisch met zich dat erflater wilsonbekwaam was tot het opmaken van zijn uiterste wilsbeschikking. Echter de wetenschap van de dementie van erflater, de reden tot wijziging van het testament (die in het eerste gesprek anders bleek te zijn dan de notaris aanvankelijk was medegedeeld), de verklaring van erflater zelf in de aangifte dat hij niet goed meer wist wat er destijds was gebeurd, de omstandigheid dat [D] (overigens niet uit eigen wetenschap) volgens het proces-verbaal van aangifte heeft verklaard wat er gebeurd zou zijn, gecombineerd met het feit dat de instructie tot het testament afkomstig was van [C], de hoge leeftijd van erflater en het feit dat het nieuwe testament ingrijpend afweek van het vorige (dat minder dan een jaar oud was), hadden naar het oordeel van de kamer tot extra zorgvuldigheid van de notaris moeten leiden. Niet alleen had de meegenomen aangifte - waarin de verbalisant woordelijk opmerkt “[erflater] is dementerend, daarom heeft [erflater] zijn schoonzus [D] en buurman [C] meegenomen voor het doen van aangifte”- dan ook een duidelijk signaal voor de notaris moeten zijn, maar ook de mededeling dat notaris [Y] had geweigerd een testament op te stellen zonder een verklaring van een onafhankelijke arts, aangesloten bij de Vereniging van Indicerende en Adviserende artsen (hierna: VIA-arts), had voor extra alertheid bij de notaris moeten zorgen. Onder deze omstandigheden had de notaris naar het oordeel van de kamer gerede twijfel over de wilsbekwaamheid van erflater behoren te hebben en had het voor de hand gelegen dat hij - gelijk het Stappenplan adviseert – zich bij zijn besluitvorming ter zake had laten bijstaan door medewerkers van zijn kantoor en hen als getuigen had laten optreden bij het (eventueel) passeren van het testament. Minst genomen had hij evenwel, alvorens een eigen oordeel over de wilsbekwaamheid van erflater te vormen, informatie moeten inwinnen bij een VIA-arts, of zich anderszins moeten laten voorlichten over de geestesgesteldheid van erflater. De notaris kan tuchtrechtelijk worden verweten dat hij dat heeft nagelaten. De klacht is dan ook gegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:5 Kamer voor het notariaat Amsterdam 604627 / NT 16-25

    De door klaagster gestelde overlast en de gedragingen met betrekking tot de opzegging van de huur en de eindinspectie van de woning van klaagster alsmede het onbetaald laten door de notaris van een deel van de herstelwerkzaamheden verhouden zich niet zodanig tot (de uitoefening van) het ambt van de notaris dat daardoor het vertrouwen in het notariaat en in de beroepsuitoefening door de notaris is geschaad. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gestelde structurele en ernstige psychische problemen onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. In zoverre is de klacht dus ongegrond. Dat ligt anders voor het feit dat de notaris de onder 1.7 bedoelde brief naar de werkgevers van klaagster en haar echtgenoot heeft gestuurd, kennelijk om hen bij hun werkgevers in diskrediet te brengen. Die handelwijze ‑ die naar het oordeel van de kamer moet worden beschouwd als een vorm van eigenrichting ‑ acht de kamer een notaris onwaardig. De kamer kan zich gelet op de inhoud van de brief niet aan de indruk onttrekken dat de brief (mede) is ingediend naar aanleiding van het door klaagster geuite voornemen een klachtprocedure te starten tegen de notaris indien deze niet zou betalen. Wat daar overigens van zij, draagt dit ertoe bij dat de reactie van de notaris daarop in de vorm van bedoelde brief het vertrouwen in het notariaat heeft geschaad. Van een notaris mag immers worden verwacht dat hij zich in een mogelijke klachtprocedure ten overstaan van de kamer verweert en overigens ook uitsluitend met middelen die daarvoor betamelijk zijn. De klacht is op dit punt gegrond. De kamer acht dit handelen dusdanig ernstig dat dit een schorsing in de uitoefening van het ambt rechtvaardigt. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de notaris ter zitting in eerste instantie heeft ontkend dat [X] in hoedanigheid van zijn advocaat c.q. gemachtigde heeft gehandeld. Pas nadat de notaris zich geconfronteerd zag met een door de voorzitter uit de klachtbrief van 17 maart 2016 geciteerde passage, heeft de notaris erkend dat [X] bij die gelegenheid als zijn gemachtigde is opgetreden. Vervolgens heeft de notaris er ter zitting geen blijk van gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien en evenmin enig inzicht getoond in wat betamelijk is. De kamer acht gelet hierop in beginsel een schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken gerechtvaardigd. Omdat inmiddels aan de notaris ontslag is verleend legt de kamer geen maatregel op.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:6 Kamer voor het notariaat Amsterdam 616084/NT 16-65

    Klacht over - onder meer - negatieve bewaringspositie. Het handelen van de notaris toont volgens de kamer aan dat hij onvoldoende besef heeft van de hoge eisen die de maatschappij, mede in het belang van de rechtszekerheid, aan het notariaat stelt. Te allen tijde moet de maatschappij erop kunnen vertrouwen dat de aan een notaris toevertrouwde gelden in veilige handen zijn. De kamer acht de normschendingen van de notaris dusdanig ernstig dat het niet langer verantwoord is dat de notaris zijn ambt voortzet. Dat er sinds het bewaringstekort in september 2016 niet opnieuw een bewaringstekort is ontstaan en dat de notaris diverse maatregelen heeft getroffen, waaronder het aannemen van een (interne) boekhouder en het aanstellen van een coach/begeleider maakt dit niet anders. Op een vraag ter zitting naar de kans op herhaling antwoordde de notaris dat hij zal trachten om niet opnieuw in een dergelijke situatie terecht te komen. De kamer heeft gezien het vorenstaande niet de overtuiging dat de notaris – geconfronteerd met soortgelijke financiële problemen– niet nogmaals de gelden van de kwaliteitsrekening zal aanwenden om aan zijn verplichtingen te voldoen. Gezien de door het BFT in het rapport van 6 januari 2017 vastgestelde zwakke financiële positie van de notaris lijkt dat risico niet denkbeeldig. De notaris lijkt het laakbare van zijn handelen niet althans onvoldoende in te zien, hetgeen de kamer hem ernstig aanrekent. Ontzetting uit het ambt.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:7 Kamer voor het notariaat Amsterdam 620323 / NT RK 16/84

    Nu de notaris voor de uitspraak redelijkerwijs bekend kon zijn met de nieuwe informatie, is er geen grond voor herziening. Daarnaast heeft de notaris ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek erkend dat hij (in ieder geval) één dag voor het verstrijken van de beroepstermijn kennis heeft genomen van de betreffende verklaringen. Het had dan ook op weg van de notaris gelegen om op dat moment appèl in te stellen tegen de beslissing van de kamer. Herziening is in dat geval niet het geijkte middel om het gewenste resultaat te bewerkstelligen. Gelet op de rechtszekerheid dient herziening terughoudend en onder strikte voorwaarden toegepast te worden. Voorts bestaat er evenmin aanleiding te vermoeden dat de kamer tot een andere beslissing zou zijn gekomen, al dan niet met betrekking tot de strafmaat. Of de notaris de betreffende betaling al dan niet heeft geïnitieerd en/of geaccordeerd, is derhalve niet redengevend geweest, nu hij de initiator was voor het elders onderbrengen van de derdengelden en niet gebleken is dat hij op enigerlei wijze, indien al van de juistheid van zijn stelling dient te worden uitgegaan, heeft getracht om de betreffende transactie te voorkomen.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:8 Kamer voor het notariaat Amsterdam 612622 / NT RK 16/47

    Uit de handgeschreven aantekeningen van de notaris kan onder meer worden afgeleid dat zij bij klagers heeft geïnformeerd naar de schulden van de moeder, en naar de vordering van de kinderen op de moeder ter zake van de nalatenschap van de vader en dat daarbij aan de orde kwam dat die vorderingen op dat moment niet bekend waren, maar niet groot zouden zijn. Gegeven deze omstandigheid kon de notaris niet louter volstaan met de algemene informatie over de risico’s van een zuivere aanvaarding en de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de moeder van klagers. Het had op de weg van de notaris gelegen om klagers indringender te wijzen op de risico’s van zuivere aanvaarding en hen aan te sporen om eerst nader onderzoek te doen naar (de omvang van) de vorderingen van de vier kinderen ter zake van het erfdeel van hun vader alvorens tot aanvaarding (of niet) te besluiten, zeker nu aannemelijk is dat op 4 augustus 2015 aan de notaris wel al gebleken was dat de activa van de nalatenschap niet erg omvangrijk waren. Hoewel de wet geen beschrijving geeft van de taak, bevoegdheden en verplichtingen van de boedelnotaris, dient hij naar het oordeel van de kamer te worden aangemerkt als belangenbehartiger van de nalatenschap. Het lag dan ook in de rede dat de notaris op verzoek van de twee overige erfgenamen, hun vorderingen indiende bij klagers in hoedanigheid van executeurs van de nalatenschap. Dat dit gepaard ging met een advies aan klagers in hun hoedanigheid van erfgenaam moge voor hen onaangenaam zijn geweest, onjuist was het niet. Naar het oordeel van de kamer is echter bij het opmaken van een testament niet vereist dat de betreffende (kandidaat-)notaris tot in detail op de hoogte is van de actuele vermogenspositie van de erflater. Zeker als een testateur die vermoedelijk niet lang meer te leven heeft zich tot een notaris wendt met bepaalde, duidelijke wensen voor een nieuw testament, zal de notaris in beginsel tot inwilliging daarvan over hebben te gaan zonder zich te hoeven verdiepen in de exacte vermogenspositie van de testateur. Daarbij neemt de kamer in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de vorderingen van de kinderen ter zake van het erfdeel van de vader in dat stadium door of namens erflaatster zelf aan de orde zijn gesteld. Daarnaast kunnen er andere, niet primair financiële motieven voor het opmaken of wijzigen van een testament zijn, zoals, gelijk ook hier, een executeursbenoeming of het regelen van de uitvaart.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:9 Kamer voor het notariaat Amsterdam 615221 / NT RK 16/61

    Vooropgesteld wordt dat handelingen van de notaris privé – gelet op het bepaalde in artikel 2 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 – onder omstandigheden ook tuchtrechtelijk laakbaar kunnen zijn. Dit kan onder meer het geval zijn indien het handelen in privé voldoende verband houdt met (de uitoefening van) het ambt van de notaris. Nog daargelaten dat tenminste de vraag is of een dergelijk voldoende verband hier aanwezig is, terwijl bij de ontvankelijkheid voorts vragen te stellen zijn omdat niet in te zien valt welk belang klaagster heeft gehad bij de overname van een evident waardeloze vordering (voor een tegenprestatie die klaagster zich desgevraagd niet kon herinneren), zodat voor de hand ligt dat de huidige klacht alleen is ingediend om de notaris ten aanzien van een andere kwestie onder druk te zetten, valt in het aan de orde gestelde handelen van de notaris in zijn hoedanigheid van penningmeester van de stichting niets onzorgvuldigs of anderszins klachtwaardigs te ontwaren.