Zoekresultaten 13101-13110 van de 46611 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:262 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200041

    Hoger beroep ingesteld door verweerder. Verweerder heeft klagers een brief gestuurd waarin hen te verstaan wordt gegeven dat als zij een bespreking met de Belastingdienst bijwonen, zij onrechtmatig en mogelijk zelfs strafrechtelijk verwijtbaar handelen en voorts dat zij aansprakelijk worden gehouden voor alle schade die door de cliënten van verweerder wordt geleden als zij niet aan de sommaties voldoen. Het hof overweegt dat verweerder niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het in het belang van zijn cliënten zou zijn om een dergelijke boodschap af te geven en evenmin waarom hij voor deze boodschap en harde toon heeft gekozen. Verweerder heeft door het versturen van deze zeer intimiderende brief de belangen van klagers nodeloos en op ontoelaatbare wijze geschaad. Het hof acht deze handelwijze ernstig laakbaar. Verweerder heeft geen blijk gegeven het onjuiste en tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelwijze in te zien. Vernietiging ten aanzien van maatregel. Het hof legt een berisping op. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:231 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.084

    Klacht tegen psychiater die op verzoek van het UWV bij klager een psychiatrische expertise heeft uitgevoerd. Klager verwijt de psychiater dat zij een rapport heeft opgesteld met daarin leugens, verdraaiingen en aanpassingen en aldus valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Volgens klager heeft de psychiater ten onrechte gerapporteerd dat hij geen woedeaanvallen zou hebben, behalve betreffende het UWV, en heeft zij ten onrechte de diagnose ‘matige depressie’ gesteld. Deze diagnose is niet juist, want hij heeft een burn-out, aldus klager. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:269 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190328

    Appelverbod. Verzoek tot doorbreking op basis van schending fundamentele rechtsbeginselen. De gronden die klager hiervoor aanvoert zijn alle terug te voeren op de inhoud van de raadsbeslissing. Motiveringsklachten leveren geen schending fundamenteel rechtsbeginsel op. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGDKG:2020:73 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/610963 / DW RK 16/672 LV/WdJ

    Beslissing op verzet. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders te hebben meegewerkt aan het creëren dan wel het opeisen van nepleningen. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2020:67 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/670901 / DW RK 19/444 LvB/WdJ

    Klager beklaagt zich er over dat niet tijdig op zijn klachten is gereageerd, de gerechtsdeurwaarder beslag onder de verkeerde VvE heeft gelegd en hij bij de betekening van het beslag een bedrag aan de gerechtsdeurwaarder heeft overgemaakt. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:263 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200042 en 200043

    Klacht van (medewerkers van) de Belastingdienst tegen twee verweerders met twee klachtonderdelen: a) het belemmeren van een fiscaal onderzoek en b) het ten onrechte beschuldigen van schending van het ambtsgeheim. De Belastingdienst voert een onderzoek uit dat onder meer gericht is op mogelijke erfbelasting die verschuldigd zou zijn door de erfgenamen van een overledene. De overledene had voor zijn overlijden bijna 1 miljoen Euro contant opgenomen van een Duitse bankrekening. Dit geldbedrag is na zijn overlijden op advies van verweerders op de derdengeldrekening van hun kantoor gestort. De Belastingdienst is van oordeel dat de twee erfgenamen van de overledene mogelijk rechthebbenden zijn op het geldbedrag. Door verweerders is namens hun cliënten een brief gestuurd aan deze erfgenamen waarin zij hen verbieden in gesprek te gaan met de Belastingdienst. Het hof stelt vast dat de bewoordingen en toonzetting van de brief niet anders kunnen worden opgevat dan als het dreigen met zware consequenties als zij dat wel zouden doen. Verweerder heeft daarmee geprobeerd te voorkomen dat vragen van de Belastingdienst door de erfgenamen zouden worden beantwoord, terwijl zij daartoe wettelijk verplicht zijn. Dit handelen (klachtonderdeel a) is in strijd met wat van een integer en betamelijk handelend advocaat mag worden verwacht. In dezelfde brief hebben verweerders medewerkers van de Belastingdienst beschuldigd van schending van het ambtsgeheim. Bij het uiten van zo’n zware en diffamerende beschuldiging mag van een advocaat worden verwacht dat hij zich kan baseren op concrete feiten die deze beschuldiging ondersteunen. De beschuldiging steunt echter alleen op een vermoeden. Verweerders hebben onbetamelijk, niet integer er niet professioneel gehandeld door klagers tegenover derden te beschuldigen van een ambtsmisdrijf. Ook klachtonderdeel b) is daarom gegrond. Het hof acht beide gegronde klachtonderdelen ernstige feiten en legt beide verweerders een berisping op. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:232 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.154

    Klacht tegen huisarts. Bij klaagster, bekend met urineweginfecties, is als gevolg van het gebruik van nitrofurantoïne acute hepatitis ontstaan in 2018. Dit is een zeer uitzonderlijke bijwerking van het middel. Klaagster verwijt haar toenmalige huisarts dat deze in 2018 nitrofurantoïne heeft voorgeschreven ondanks dat zij al wist dat klaagster daar maagklachten van kreeg. Daarnaast had verweerster volgens klaagster meer onderzoek moeten doen naar het effect van nitrofurantoïne op klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt dat de bijwerking zo zeldzaam is dat de huisarts daar niet alert op behoefde te zijn nu klaagster ook geen klachten presenteerde die daar een symptoom van kunnen zijn. Voorts bestond er geen indicatie voor nader onderzoek. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2020:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/180

    Klager verwijt de arts (destijds ANIOS Neurologie) dat hij - door de handboeien die klager aan de voorkant van zijn lichaam om had - de lumbaalpunctie bij klager in een verkeerde zittende houding heeft uitgevoerd, met als gevolg dat klager last heeft van chronische hoofdpijn. De aangeklaagde arts heeft verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Er is geen aanwijzing dat de lumbaalpunctie een oorzakelijke relatie heeft met de chronische hoofdpijn van klager, de lumbaalpunctie is naar het oordeel van het college lege artis uitgevoerd. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGDKG:2020:64 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/675199 / DW RK 19/603 LV/WdJ

    Beslissing op verzet. Voorzittersbeslissing niet-ontvankelijk, want hetzelfde feitencomplex als eerdere klacht. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:218 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-431

    Dekenbezwaar, waarbij verweerder in strijd heeft gehandeld met art. 6.27 leden 1 en 2 Voda. Verweerder heeft een cliënt en ook diens echtgenote bijgestaan, onder meer in aanloop naar de faillietverklaringen van ieder van hen. Verweerder heeft contante betaling van € 2.000,- van zijn cliënte aangenomen op de dag van haar faillietverklaring. Dat die gelden door haar vader waren betaald op basis van een door verweerder met hem gesloten borgstellingsovereenkomst - waarover verweerder in strijd met Regel 19 lid 2 geen overleg met de deken heeft gehad - heeft verweerder niet kunnen aantonen. Door die gelden op grond van art. 23 Fw niet op eerste verzoek van de curator naar de faillissementsrekening over te maken, heeft verweerder zich niet betamelijk gedragen richting die curator (Regel 1). Daarnaast heeft verweerder door zijn cliënt een (buitenproportionele) cessie-akte laten ondertekenen ten gunste van hemzelf ter voldoening van zijn declaratie, zonder voorafgaand overleg met de deken daarover (Regel 6.19 lid 2), en ten nadele van zijn cliënten (Regel 1). Richting zijn cliënt heeft hij onduidelijkheid laten ontstaan over de grote financiële gevolgen van de cessie-akte voor hem en zijn echtgenote en niet is gebleken dat hij gedegen onderzoek naar de over te dragen vordering heeft gedaan. Ook had verweerder zich voor de ondertekening van de cessie-akte ervan moeten vergewissen of zijn cliënt in gemeenschap van goederen was gehuwd met zijn cliënte, waarvan hij ten tijde van de ondertekening van de cessie-akte al wist dat zij mogelijk failliet zou worden verklaard. Verweerder heeft financieel aldus niet integer gehandeld (art. 10a lid 1 sub d Advocatenwet). Daarnaast heeft verweerder zich jegens de rechtbank en de betrokken curatoren in het faillissement van een andere cliënte QH niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt en heeft hij met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur geschaad (Regel 1). In strijd met de waarheid heeft hij ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij een bedrag van € 10.000,- onder zich had, op grond van die uitlatingen van verweerder het verzet tegen het vonnis tot faillietverklaring gegrond is verklaard en het faillissement van die cliënte is vernietigd. Met diezelfde uitlatingen ter zitting heeft verweerder ook de toenmalige curator misleid, daarna zelfs nog aan het lijntje gehouden, over de betaling van diens curatorsalaris. Na de latere definitieve faillietverklaring van de cliënte heeft verweerder opnieuw de rechtbank misleid met zijn voorstel voor een crediteurenakkoord en zijn garantie over de tijdige betaling daarvan voor de zitting. Kort voor de verificatievergadering waren de akkoordpenningen niet bijgeschreven, heeft verweerder zich (tijdig) aan de zaak onttrokken, en is het akkoord verworpen. Voorwaardelijke schorsing van 12 weken.