Zoekresultaten 12841-12850 van de 47364 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:96 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.255

    Klacht tegen arts in opleiding tot KNO-arts. Klager is door zijn huisarts naar de KNO‑arts verwezen in verband met neuspassageproblemen. De aangeklaagde KNO‑arts in opleiding heeft net als de huisarts klager eerst een neusspray voorgeschreven alsmede een allergietest. Pas toen bleek dat de neusspray onvoldoende hielp, is besloten tot een neusoperatie. Klager verwijt de KNO‑arts in opleiding dat er onnodig neusspray is voorgeschreven, terwijl een operatie van de neus nodig was. Dit werkte vertragend en bracht kosten met zich vanwege het eigen risico. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:71 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-811

    Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klager en diens advocaat (klagers). Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger de stellingen van zijn cliënte duidelijk verwoord in de correspondentie met hun. Voor zover zijn cliënte op bepaalde vragen niet of op haar eigen manier heeft willen antwoorden en die antwoorden de wederpartij onwelgevallig waren, kan dat verweerder tuchtrechtelijk niet worden verweten. Geen sprake van niet-collegiale houding richting de advocaat van de wederpartij in de zin van gedragsregel 24. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:79 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200255

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder zou klager onvoldoende hebben geïnformeerd over het verloop van de procedure waardoor klager niet wist dat het hoger beroep liep. Het hof stelt vast dat de stellingen van klager en verweerder over de vraag of verweerder de memorie van grieven in concept en in definitieve vorm heeft toegezonden aan klager, lijnrecht tegenover elkaar staan. In het dossier van de raad, noch in het dossier van het hof bevindt zich correspondentie van verweerder met klager waaruit blijkt dat verweerder een concept voor de memorie van grieven heeft afgestemd met klager en dat verweerder hem een afschrift van de ingediende memorie heeft toegezonden. Verweerder heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat hij een concept en de definitieve versie van de memorie via een scanner/printer naar het e-mailadres van klager zou hebben verzonden, maar dat hij hiervan geen bewijs kan overleggen. Verweerder heeft tevens gesteld dat hij telefonisch en via WhatsApp contact zou hebben gehad met klager over de inhoud van de memorie van grieven, maar over deze WhatsApp-geschiedenis beschikt verweerder niet (meer). Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat hij evenmin tijd heeft geschreven op dit dossier, zodat ook aan de hand hiervan geen contactmomenten gereconstrueerd kunnen worden. Door aldus iedere vastlegging na te laten (of te verzuimen deze te bewaren) kan het hof niet vaststellen of hetgeen verweerder - tegenover de betwisting door klager - in hoger beroep naar voren brengt, juist is. Dit nalaten en/of niet bewaren is verweerder toe te rekenen en de eventuele bewijsnood ligt daarmee in zijn risicosfeer. Het hof voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat verweerder klager tot dusverre niets in rekening heeft gebracht, onverlet laat dat hij bij de uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden voor klager gebonden was aan de Advocatenwet. Gelet op het voorgaande acht het hof verweerders beroep ongegrond en bekrachtigt het de beslissing van de raad en de opgelegde maatregel van waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:65 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-467

    Raadsbeslissing. Klacht over verweerster in de hoedanigheid van bestuurder/aandeelhouder. De raad niet kan vaststellen of verweerster zich bij de vervulling van haar functie van bestuurder/aandeelhouder van advocatenkantoor X zodanig heeft gedragen dat zij daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De inhoudelijke beoordeling van de liquidatie van advocatenkantoor X is voorbehouden aan de civiele rechter. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:90 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.187

    Klacht tegen een huisarts. Klager is de zoon van een in 2018 overleden patiënt van de huisarts. Patiënt leed aan de ziekte van Parkinson en was afhankelijk van 24-uurs zorg thuis. Klager verwijt de huisarts dat zij (1) vanaf november 2018 als huisarts voor patiënt is blijven functioneren, terwijl zij naar de mening van klager het hoofdbehandelaarschap van patiënt had moeten overdragen aan een huisarts die voltijds in de praktijk werkzaam is, aangezien zij zelf maar twee dagen per week als waarnemer werkzaam is; (2) in een palliatief overleg in november 2018 heeft besloten om uitsluitend nog palliatieve zorg te verlenen, maar dit niet met patiënt en klager heeft gecommuniceerd, terwijl patiënt wilde blijven leven en behandeld worden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en verwijst naar de jurisprudentie over het regiebehandelaarschap. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt voorts het incidenteel beroep van de huisarts. Dat beroep gaat over de ontvankelijkheid van klager in de klacht als naaste van de overledene.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:59 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-039

    Raadsbeslissing. Klacht van advocaat over advocaat. Gelet op de context waarin verweerster haar schriftelijke uitlatingen heeft gedaan – de behandeling van een sinds 2015 lopend letselschadedossier – heeft verweerster haar uitlatingen over een voorstel voor een eindregeling waarbij zij refereert aan een kritische beoordeling van de nota’s van klager mogen doen. Klacht ongegrond. Tijdens de zitting heeft klager gevraagd of de raad tegen de achtergrond van zijn klacht een principiële beslissing wil geven over de vraag of een advocaat van een verzekeraar de beoordeling van declaraties mag betrekken bij een voorstel voor een eindregeling, en wel op zodanige wijze dat die eindregeling daarmee in feite wordt afgedwongen. In dat kader overweegt de raad dat niets eraan in de weg staat dat een (advocaat van een) verzekeraar jegens de (advocaat van de) benadeelde op enig moment de stelling inneemt dat de kosten van juridische bijstand waarin wordt bevoorschot, niet meer in een redelijke verhouding staan met de te verwachten schade.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:97 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.291

    Klacht tegen KNO-arts. Klager is door zijn huisarts naar de KNO-arts verwezen in verband met neuspassageproblemen. Een KNO-arts in opleiding (eveneens aangeklaagd, C2019.255) heeft net als de huisarts klager eerst een neusspray voorgeschreven alsmede een allergietest. De beklaagde KNO‑arts (destijds KNO-arts in opleiding) heeft eenmalig telefonisch contact gehad met klager. Daarna is klager opnieuw gezien door de eerste KNO-arts in opleiding en heeft klager telefonisch contact gehad met diens supervisor (eveneens aangeklaagd, C2019.254). Pas toen bleek dat de neusspray onvoldoende hielp, is besloten tot een neusoperatie. Klager verwijt de beklaagde KNO-arts dat er onnodig neusspray is voorgeschreven, terwijl een operatie van de neus nodig was. Dit werkte vertragend en bracht kosten met zich vanwege het eigen risico. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2021:4 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/63

    Dierenarts wordt verweten dat er met betrekking tot een hond geen bloedonderzoek is verricht, terwijl daartoe wel reeds een bloedmonster was afgenomen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:72 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-955

    Dit dekenbezwaar betreft de vraag of verweerder artikel 46 van de Advocatenwet heeft geschonden meer in het bijzonder artikel 10a lid 1 sub d van de Advocatenwet dat inhoudt dat de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep integer is en zich onthoudt van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De raad oordeelt dat dit in deze zaak het geval is. Verweerder heeft onder zijn verantwoordelijkheid facturen laten opstellen ten name van vennootschappen terwijl de gedeclareerde werkzaamheden zien op zaken van de bestuurders van die vennootschappen in privé, zoals bijvoorbeeld in een echtscheiding en een strafzaak. Dit gebeurde met het doel de fiscus te misleiden in het kader van de Btw-heffing. De raad legt verweerder de maatregel van een berisping op omdat hij onvoldoende inzicht heeft getoond in het onbetamelijke van zijn handelen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:91 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.098

    Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is sinds 2000 ambulant onder behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg. Klaagster is gediagnosticeerd met schizofrenie van het gedesorganiseerde type. De verpleegkundige is sinds 2019 bij de behandeling van klaagster betrokken als sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij: 1) depotmedicatie heeft achtergehouden en niet heeft toegediend, 2) zich hiervoor heeft willen indekken door op 3 mei 2019 een e-mail te sturen dat klaagster de dag ervoor niet op de afspraak was verschenen, en 3) bij klaagster heeft aangedrongen om te verhuizen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.