ECLI:NL:TAHVD:2026:70 Hof van Discipline 's Gravenhage 250021 250022 250023 250024
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Deze zaak betreft een klacht over twee advocaten die rechtsbijstand hebben verleend, de advocaat-klachtfunctionaris en een advocaat-bestuurder van een advocatenkantoor. Klagers verwijten verweerders onvoldoende zorgvuldigheid en/of onvoldoende deskundigheid te hebben betracht in de wijze waarop zij twee zaken van klagers hebben behandeld. De Raad van Discipline heeft klagers 1 tot en met 3 en 5 tot en met 9 niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klacht is gericht op het geschil met de familie A. De raad heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het hof sluit zich aan bij dat oordeel van de raad. De klacht is ook in hoger beroep op alle klachtonderdelen ongegrond. |
Beslissing van 9 maart 2026
in de zaken 250021, 250022, 250023 en 250024
naar aanleiding van het hoger beroep van:
[klager 1]
wonende te [woonplaats]
klager 1
[klaagster 2]
wonende te [woonplaats]
klaagster 2
[klager 3]
wonende te [woonplaats]
klager 3
[klager 4]
wonende te [woonplaats]
klager 4
klaagster 5]
gevestigd te [vestigingsplaats]
klaagster 5
[klaagster 6]
gevestigd te [vestigingsplaats]
klaagster 6
[klaagster 7]
gevestigd te [vestigingsplaats]
klaagster 7
[klaagster 8]
gevestigd te [vestigingsplaats]
klaagster 8
[klaagster 9]
gevestigd te [vestigingsplaats]
klaagster 9
gezamenlijk te noemen: klagers
gemachtigde: [klager 1]
tegen:
mr. [verweerder 1]
advocaat te [vestigingsplaats]
verweerder 1
mr. [verweerster 2]
advocaat te [vestigingsplaats]
verweerster 2
mr. [verweerder 3]
advocaat te [vestigingsplaats]
verweerder 3
mr. [verweerster 4]
advocaat te [vestigingsplaats]
verweerster 4
gezamenlijk te noemen: verweerders
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht over twee advocaten die rechtsbijstand hebben verleend, de advocaat-klachtfunctionaris en een advocaat-bestuurder van een advocatenkantoor. Klagers verwijten verweerders onvoldoende zorgvuldigheid en/of onvoldoende deskundigheid te hebben betracht in de wijze waarop zij twee zaken van klagers hebben behandeld. De Raad van Discipline heeft klagers 1 tot en met 3 en 5 tot en met 9 niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klacht is gericht op het geschil met de familie A. De raad heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het hof sluit zich aan bij dat oordeel van de raad. De klacht is ook in hoger beroep op alle klachtonderdelen ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de
zaken tussen klagers en verweerders (zaaknummers: 24-287/DH/DH, 24-291/DH/DH, 24-292/DH/DH
en
24-293/DH/DH) een beslissing gegeven op 16 december 2024. In deze beslissing is
de klacht van klagers 1 tot en met 3 en 5 tot en met 9 niet-ontvankelijk verklaard
voor zover de klacht is gericht op het geschil met de familie A, en is de klacht
voor het overige ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:220 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 15 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerders;
- het proces-verbaal van de zitting bij de raad (nagezonden bij e-mail van 9
januari 2026);
- een e-mail van klager 1 van 11 januari 2026;
- een e-mail van klager 1 van 12 januari 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak behandeld tijdens de openbare zitting van 12 januari
2026. Bij voormelde e-mails van 11 en 12 januari 2026 heeft klager 1 om uitstel van
de zitting verzocht vanwege “onvoorziene en ingrijpende privéomstandigheden”, die
door klager niet nader zijn toegelicht. Evenmin is toegelicht waarom geen van de andere
klagers bij de zitting aanwezig kon zijn. Het hof heeft dit verzoek niet gehonoreerd.
Van de zijde van klagers is niemand verschenen. Van verweerders zijn verschenen [verweerders
2, 3 en 4]. Zij hebben hun standpunt toegelicht.
3 FEITEN
3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
3.2 Kort gezegd kent deze klachtzaak drie uiteenlopende klachtonderdelen, die hun oorsprong vinden in de behandeling van twee juridische kwesties door verweerders 3 en 4.
3.3 De eerste zaak betreft het volgende. Klagers 1 tot en met 4 hebben diverse ondernemingen. Alle ondernemingen zijn klant geweest bij [naam accountant] (hierna: de accountant). Op 2 september 2021 is de opdrachtrelatie door de accountant met alle vijf ondernemingen opgezegd en heeft de accountant gebruik gemaakt van zijn retentierecht op de boekhouding, totdat een bedrag van € 3.390,12 (inclusief incassokosten) aan onbetaalde facturen is betaald. Op 27 oktober 2021 hebben klagers zich tot het kantoor van verweerders gewend voor juridische bijstand in het geschil. Verweerder 3 en verweerster 4 hebben de zaak tegen de accountant vervolgens behandeld. Na betaling van een bedrag van € 1.785,67 op 22 december 2021, is in geschil gebleven of klagers een resterend bedrag van € 114,95 en openstaande incassokosten alsmede de kosten voor overdracht van de dossiers van omstreeks € 600,- aan de accountant verschuldigd waren. Deze facturen zijn niet betaald door klagers en klagers hebben vervolgens hun boekhoudingen door een nieuwe accountant laten reconstrueren.
3.4 De tweede zaak betreft een geschil met de familie A over de verbouwing van
een woning.
Klager 4 is met zijn bedrijf actief in de keukenbranche en heeft met dat bedrijf
een overeenkomst van aanneming gesloten met de familie A voor de verbouwing van hun
woning. Daarin is, voor zover relevant, afgesproken dat de familie A 35% van de aanneemsom
diende te betalen zodra de verbouwing voor 80% was voltooid. Dit betrof een bedrag
van € 42.000,-. Verweerders zijn niet betrokken geweest bij het opstellen en sluiten
van de overeenkomst. Tussen klager 4 en de familie A is een geschil ontstaan over
de vraag of de verbouwing voor 80% voltooid was, zodat een (laatste) termijnbetaling
van 35% van de aanneemsom verricht moest worden, en over door de familie A gestelde
gebreken in de door klager 4 verrichte werkzaamheden. Klager 4 en klager 1 hebben
zich tot het kantoor van verweerders gewend voor juridische bijstand in het geschil
met de familie A. Verweerder 3 en verweerster 4 hebben de zaak aangenomen en behandeld.
Na betaling van het bedrag van € 42.000,-, is het geschil over de herstelwerkzaamheden
en de planning van deze werkzaamheden blijven bestaan. Op 29 september 2022 is het
dossier overgedragen aan de opvolgend advocaat mr. S.
3.5 De derde zaak betreft de kantoorklachtenregeling van het kantoor van verweerders.
Op
19 augustus 2022 hebben klagers klachten op grond van de kantoorklachtenregeling
van het kantoor van verweerders ingediend. De klachten zijn vervolgens behandeld door
verweerster 2, de klachtenfunctionaris van het kantoor. Op 28 september 2022 heeft
klager 1 na een (nieuw) aanbod van verweerster 4, ingestemd met een regeling tegen
finale kwijting over en weer om op goede wijze uit elkaar te gaan, waarbij het advocatenkantoor
een bedrag van € 5.250,- heeft overgemaakt, de concept-declaratie van augustus 2022
van € 1.628,66 heeft gecrediteerd en over september 2022 geen declaratie meer heeft
verzonden. Klagers hebben hun klacht daarmee ingetrokken. Klager 1 heeft daarna een
bericht van de accountant ontvangen waaruit volgt dat de openstaande factuur niet
is gecrediteerd, maar dat men wel tot een afwikkeling wenste te komen. Klager 1 heeft
dit bericht op 26 oktober 2022 aan verweerster 2 en verweerder 3 verzonden. Op 27
oktober 2022 heeft verweerster 2 aan klager 1 meegedeeld dat een finale regeling met
het kantoor van verweerder is overeengekomen en heeft zij hem geadviseerd om de kwestie
met de accountant voor te leggen aan een nieuwe advocaat. Op 23 november 2022 heeft
mr. S het kantoor van verweerders gesommeerd om € 6.324,37 aan klagers te betalen,
omdat de factuur van de accountant niet onder de finale regeling zou vallen. Verweerder
1 heeft dat bij schrijven van 9 december 2022 gemotiveerd betwist.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerders het volgende.
a) Verweerder 3 en verweerster 4 hebben in beide zaken niet helder de rechtspositie van klagers, noch een heldere strategie bepaald;
b) Verweerder 3 en verweerster 4 hebben verzuimd om in het geschil met de accountant finale kwijting overeen te komen;
c) Verweerder 3 en verweerster 4 hebben in de zaak tegen de familie A geen opdrachtbevestiging aan klagers gestuurd en hebben ten onrechte klaagster 8 als partij in de kwestie aangehouden;
d) Verweerster 2 en/of verweerster 4 hebben klagers in het kader van de afwikkeling van hun klacht over verweerder 3 en verweerster 4 een regeling laten overeenkomen tegen finale kwijting, terwijl bekend was dat de kwestie met de accountant nog niet was afgerond en klagers er niet over waren geïnformeerd dat er door een ontbrekende finale kwijting in het dossier tegen de accountant, alsnog de ‘pestfactuur’ van € 6.324,47 moest worden voldaan;
e) Verweerder 1 heeft niet tijdig gereageerd op de brief van mr. S van 23 november 2023 waaruit blijkt dat verweerder 1 de klachten niet serieus neemt. Verder blijkt uit de reactie van verweerder 1 dat hij zich kan vinden in het handelen van verweerster 4;
f) Verweerder 3 en verweerster 4 hebben excessief gedeclareerd.
4.2 Ter zitting bij de raad hebben klagers aan hun klachten toegevoegd dat in de
zaak tegen de accountant geen rekening is gehouden met het feit dat de accountant
de samenwerking niet met alle bedrijven van klagers had mogen opzeggen. Ook hebben
klagers erop gewezen dat
verweerder 3 advocaat-stagiair was en onvoldoende ervaren was, waardoor hij zich
heeft laten wegblazen in een onlineoverleg met de wederpartij.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft na uiteenzetting van de toegepaste uitgangspunten – samengevat – het volgende overwogen over de (gedeeltelijk gezamenlijk behandelde) klachtonderdelen.
5.2 Ten aanzien van de nieuwe klachtonderdelen, genoemd onder overweging 4.2 hiervoor, heeft de raad geoordeeld dat hij daarover in de onderhavige zaak geen oordeel geeft. Nieuwe klachtonderdelen moeten op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet worden ingediend bij de deken. De raad is dan ook niet verder ingegaan op de nieuwe verwijten.
Ontvankelijkheid
5.3 De raad heeft het volgende vastgesteld.
Alleen klager 4, handelend onder de naam [de eenmanszaak], was betrokken in het
geschil met de familie A. Hoewel klager 1 in die kwestie als contactpersoon heeft
opgetreden, heeft hij daarmee slechts een afgeleid belang bij de klachten over de
belangenbehartiging in het geschil met de
familie A. De belangen van de overige klagers zijn in voornoemd geschil op geen
enkele wijze betrokken. Specifiek ten aanzien van de eenmanszaak merkt de raad op
dat, op basis van het dossier, niet is gebleken dat de overeenkomst tussen de eenmanszaak
en [het advocatenkantoor] en/of de overeenkomst tussen de eenmanszaak en de familie
A op geldige wijze zijn overgenomen door een B.V. (op grond van artikel 6:159 van
het Burgerlijk Wetboek). Voor zover de klachtonderdelen zien op de klachten over de
behandeling van het geschil met de familie A, zal de raad dus enkel klager 4 ontvankelijk
verklaren. Omdat klager 4 ontvankelijk is, betekent dit dat de raad dus wel aan een
inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel toekomt.
Klachtonderdeel a) – Bepalen van strategie en rechtspositie
5.4 Verweerder 3 en verweerster 4 wordt allereerst verweten te hebben nagelaten
om adequaat de strategie en rechtspositie van klagers te bepalen in beide zaken.
5.5 Ten aanzien van het geschil met de accountant stelt de raad vast dat verweerder
3 en verweerster 4 in hun e-mail van 3 november 2021 een koers hebben bepaald met
hun advies om tot een snelle oplossing te komen en de facturen te betalen die verschuldigd
en redelijk zijn. Dat advies acht de raad niet onjuist. De bestaande situatie was
dat de accountant alle opdrachtrelaties met klagers reeds had opgezegd. Klagers wensten
vervolgens snel over hun boekhouding te beschikken. Daarvoor is het zoeken naar een
minnelijke oplossing bij uitstek een geschikt middel. Dit wordt bovendien van advocaten
verwacht, gelet op gedragsregel 5. Dat verweerder 3 en verweerster 4 daarop hebben
ingezet, waarmee klagers gedurende de periode van advisering door verweerder 3 en
verweerster 4 blijkende het dossier ook steeds hebben ingestemd, kan hen dan ook niet
in tuchtrechtelijke zin worden verweten. Ook betrekt de raad daarbij dat verweerder
3 op
4 november 2021 al de mogelijkheid van een gerechtelijke procedure heeft benoemd,
maar dat daarvoor wel nodig was om helder te krijgen welke facturen worden betwist
en met welke onderbouwing.
5.6 Ten aanzien van het geschil met de familie A, stelt de raad vast dat verweerder
3 en
verweerster 4 op 6 mei 2022 uiteen hebben gezet welke mogelijke vervolgstappen konden
worden gezet, waarbij zij hebben vastgelegd dat klager 4 vanwege de kosten geen gerechtelijke
procedure wenste. Verweerder 3 en verweerster 4 hebben vervolgens geprobeerd de kwestie
buitengerechtelijk op te lossen. Daarbij hebben zij de familie A aangemaand om het
bedrag van
€ 42.000,- alsnog over te maken. Verweerder 3 en verweerster 4 hebben gedurende
de periode van advisering ook herhaaldelijk met klager 4 gesproken over de vraag of
was voldaan de 80%-grens en hebben hem herhaaldelijk gewaarschuwd voor risico’s bij
het al dan niet verrichten van (herstel)werkzaamheden of bij een procedure bij de
rechter. De raad ziet daarin niet dat
verweerder 3 of verweerster 4 onjuist of onvoldoende voortvarend hebben gehandeld.
5.7 Niet gebleken is dat verweerder 3 of verweerster 4 onvoldoende zorgvuldig of onvoldoende deskundig zijn geweest in de wijze waarop zij beide zaken hebben behandeld. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond bevonden.
Klachtonderdeel b) – finale kwijting met de accountant
5.8 Verweerder 3 en verweerster 4 wordt vervolgens verweten dat zij geen finale
kwijting hebben geregeld met de accountant. De raad stelt vast dat verweerder 3 en
verweerster 4 op 20 december 2021 een voorstel hebben gedaan richting de accountant
onder de voorwaarden dat ‘het daar wel bij moet blijven’, maar dat dit voorstel op
27 december 2021 door de accountant is afgewezen. Het kan verweerder 3 en verweerster
4 niet worden aangerekend dat de wederpartij niet wilde schikken. Dat er geen finale
kwijting is overeengekomen, kan hen dan ook niet worden aangerekend.
5.9 Voor zover klagers ook bedoeld hebben dat het geschil met de accountant in zijn geheel niet is opgelost, merkt de raad op dat ook onvoldoende aanknopingspunten bestaan om verweerder 3 en verweerster 4 daarvoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk te houden. Zij hebben daarover – onweersproken – gesteld dat klagers na het afgewezen voorstel ervoor hebben gekozen om de boekhouding te laten reconstrueren door de nieuwe accountant, omdat dit goedkoper zou zijn. Toen de kwestie over de onbetaalde factuur medio 2022 opnieuw opspeelde, zou klaagster 2, in goed overleg met de accountant en buiten verweerder 3 en verweerster 4 om, ervoor hebben gezorgd dat de kwestie weer met rust werd gelaten. Vervolgens hebben klagers en verweerders de opdrachtrelatie gezamenlijk beëindigd, zodat verweerder 3 en verweerster 4 vervolgens ook niet meer verplicht waren om de kwestie verder op te pakken. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c) – Opdrachtbevestiging en partij in geschil met de familie A
5.10 Verweerder 3 en verweerster 4 wordt ten slotte verweten dat zij geen opdrachtbevestiging
hebben gestuurd in de zaak tegen de familie A en dat zij klager 4 ten onrechte hebben
aangemerkt als partij in de overeenkomst met de familie A.
5.11 De raad stelt vast dat verweerder 3 op 6 mei 2022 een opdrachtbevestiging heeft verstuurd aan [de eenmanszaak] t.a.v. klager 4. De klacht is daarom in zoverre ongegrond.
5.12 Voor zover verweerder 3 en verweerster 4 (de eenmanszaak van) klager 4 hebben aangemerkt als cliënt en partij in het geschil met de familie A, is ter zitting door de gemachtigde van klagers gesteld dat de eenmanszaak bij aanvang van het geschil met de familie A is overgegaan in een B.V. Dat betekent echter nog niet dat de overeenkomst, die naar de raad begrijpt al in het laatste kwartaal van 2021 was gesloten door klager 4 handelend onder de naam van zijn eenmanszaak, daarmee automatisch is overgegaan van de eenmanszaak naar de B.V. Dat aan de eisen is voldaan die de wet voor contractsoverneming stelt, blijkt niet. Ter zitting heeft mr. S toegelicht dat klager 4 de ‘look and feel’ van [klaagster 7] heeft gebruikt en dat de overeenkomst zou zijn bekrachtigd door [E B.V.] tevens handelend onder de naam van de eenmanszaak. Met die enkele stelling is namens klagers echter nog niet aangetoond dat de overeenkomst daadwerkelijk is overgedragen, zodat de raad niet kan vaststellen dat verweerder 3 en verweerster 4 klager 4 destijds ten onrechte als cliënt en partij hebben aangemerkt. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) – Treffen van regeling met finale kwijting
5.13 Verweersters 2 en 4 worden verweten dat zij namens het kantoor en verweerders
een regeling tegen finale kwijting zijn aangegaan met klagers, terwijl (zij wisten
dat) het geschil met de accountant nog niet was afgehandeld, waardoor klager een ‘pestfactuur’
moesten voldoen aan de accountant.
5.14 De raad stelt allereerst vast dat enkel verweerster 4 betrokken is geweest bij de totstandkoming van de regeling met klagers. Verweerster 2 is daarbij niet rechtstreeks betrokken geweest, maar heeft slechts in de fase daarvoor als klachtenfunctionaris met klager gecorrespondeerd en een gesprek gevoerd. Haar kan daarom geen verwijt worden gemaakt over de regeling. Evenmin is de raad gebleken dat verweerster 2 op andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris.
5.15 Ook is de raad van oordeel dat verweerster 4 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door een regeling met klagers te sluiten waarin finale kwijting over
en weer is verleend. De raad stelt in dat verband vast dat klager 1 de ‘pestfactuur’
al zelf in zijn e-mails van 22 augustus 2022 en 23 september 2022 heeft genoemd. Op
26 september 2022 heeft verweerster 4 daarover contact gehad, waarin is afgesproken
dat klaagster 2 informeel zou proberen om de zaak met de accountant op te lossen zonder
tussenkomst van verweerders. Vervolgens hebben klagers op
28 september 2022 een regeling gesloten met verweerster 4, onder verlening van finale
kwijting, waarbij zij afscheid van elkaar hebben genomen. Ter zitting hebben klagers
opgemerkt dat de regeling onder valse voorwendselen is gesloten, maar de raad kan
niet anders vaststellen dan dat klagers op dat moment al op de hoogte waren van het
bestaan van de factuur. Daarover hadden zij het immers al gehad, zelfs enkele dagen
daaraan voorafgaand. De omstandigheid dat zij, zoals ter zitting namens klagers is
benoemd, juridisch niet onderlegd zijn en daarom de gevolgen van de regeling niet
goed hebben kunnen overzien, kan verweerster 4 evenmin worden aangerekend. Klagers
hadden indien zij behoefte hadden aan bijstand, een advocaat, zoals mr. S, kunnen
benaderen voor bijstand bij het sluiten van de regeling. Dat de factuur van de accountant
vervolgens opnieuw ter discussie stond en bleef, is voor klagers begrijpelijk frustrerend,
maar daarbij waren verweerders niet meer betrokken. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel e) – Reactie van verweerder 1 op sommatiebrief
5.16 Mr. S heeft op 23 november 2022 namens klagers een sommatiebrief gestuurd
aan het advocatenkantoor van verweerders. Verweerder 1 heeft daarop, als bestuurder
van het kantoor, op 9 december 2022 gereageerd. Anders dan klagers menen, acht de
raad die reactie niet laat. Verweerder 1 is niet verplicht per ommegaande op een sommatiebrief
te reageren en zal ook eerst intern navraag moeten doen over de dossiers voordat hij
een reactie kan opstellen. Dat hij klagers daarmee niet serieus zou nemen, is de raad
niet gebleken. Verweerder 1 mocht daarbij de aansprakelijkheid van de hand wijzen,
wat hij in zijn reactie ook gemotiveerd heeft gedaan, en achter het handelen van verweerster
4 staan. Of die aansprakelijkheid om juiste redenen van de hand is gewezen, is overigens
iets waar de tuchtrechter zich niet over uitlaat. Dat oordeel is voorbehouden aan
de civiele rechter. Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Klachtonderdeel f) – Excessief declareren
5.17 Tot slot wordt verweerder 3 en verweerster 4 verweten excessief te hebben
gedeclareerd voor hun werkzaamheden. De raad ziet in het dossier geen aanknopingspunten
voor dat oordeel. Klagers hebben dit verwijt niet geconcretiseerd. Wel stelt de raad
vast dat klagers, aldus de e-mail van
klager 1 van 23 september 2022, tot dat moment € 10.500,- hebben betaald aan honorarium.
De raad acht dit bedrag voor het behandelen van twee dossiers, met respectievelijke
aanvang in oktober 2021 en april 2022 en mede gelet op de gevoerde correspondentie,
op zichzelf beschouwd niet excessief. Dat verweerder 3 en verweerster 4, zoals klagers
stellen, enkel ellenlange brieven zouden hebben geschreven om de meter aan de gang
te houden, is de raad niet gebleken. Uit de correspondentie maakt de raad op dat zij
daadwerkelijk hebben geprobeerd om tot een oplossing te komen voor klagers, die bijvoorbeeld
ook hebben geresulteerd in de betaling van € 21.000,- door de familie A aan de eenmanszaak.
5.18 Bovendien is op 28 september 2022 een regeling getroffen waarin aan klagers € 5.250,- is terugbetaald en ook is afgesproken dat de facturen voor augustus 2022 en september 2022 niet in rekening zouden worden gebracht. Klachtonderdeel f) is ongegrond.
Afsluitende overwegingen
5.19 Voor het overige heeft de raad opgemerkt dat er in het dossier geen aanknopingspunten
zijn dat verweerder 3 en verweerster 4 in beide dossiers op andere wijze tuchtrechtelijk
verwijtbaar zouden hebben gehandeld. Dat klagers ontevreden zijn met de uitkomst van
beide procedures omdat zij ‘aan het kortste eind hebben getrokken’, is begrijpelijk
maar dat leidt er nog niet toe dat verweerders daarom klachtwaardig hebben gehandeld.
5.20 De raad heeft klagers, met uitzondering van klager 4, niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klacht zich richt op het geschil met de familie A en de klacht van klager 4 in deze zaak ongegrond. Voorts heeft de raad de overige klachtonderdelen, ten aanzien van alle klagers, ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
6.1 Klagers hebben bij e-mail van 15 januari 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. In deze e-mail hebben zij vier redenen genoemd waarom zij hoger beroep hebben ingesteld:
1) zij voelen zich als klagers totaal niet serieus genomen in de behandeling van hun klachten tegen hun voormalige advocaten;
2) tijdens de procedure is onvoldoende rekening gehouden met hun positie als burgers en ondernemers zonder juridische kennis;
3) de houding van de voorzitter van de raad was denigrerend en respectloos, wat het vertrouwen in een eerlijke en objectieve behandeling van hun klacht ernstig heeft geschaad;
4) zij bespeuren dat er mogelijk sprake is van belangenverstrengeling nu de deken van de Orde van Advocaten in Den Haag, de voorzitter van de Raad van Discipline en verweerster 2 elkaar heel goed kennen.
6.2 Het hof begrijpt uit deze beroepsgronden dat klagers ook hebben bedoeld te stellen dat zij in de procedure bij de raad geen eerlijke procedure hebben gehad.
Verweer verweerders
6.3 Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift van klagers niet aan de eisen van artikel 56 lid 3 Advocatenwet voldoet omdat beroepsgronden ontbreken en/of uit het beroepschrift niet blijkt waarom klagers het oneens zijn met de beslissing van de raad, en dat klagers om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun beroep.
6.4 Voor zover het beroep wel ontvankelijk is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard en verwijzen verweerders naar hetgeen bij de deken en de raad naar voren is gebracht.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
7.3 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, zoals in dit geval als klachtfunctionaris danwel bestuurder van een advocatenkantoor, blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Indien de advocaat zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden.
Overwegingen hof
7.4 Het hof is, anders dan verweerders menen, van oordeel dat het beroepschrift beroepsgronden bevat, mede in aanmerking genomen dat klagers niet worden bijgestaan door een jurist. Het hof begrijpt uit de stellingen van klagers dat volgens hen sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen, te weten (a) schending van het recht op een eerlijk proces en (b) schending van onpartijdigheid.
7.5 Ad a). Klagers zijn door de raad voor de mondelinge behandeling uitgenodigd en
zijn hierbij aanwezig geweest. Niet gesteld of gebleken is dat klagers hun standpunten
niet (voldoende) naar voren hebben kunnen brengen en/of dat zij zich niet over het
standpunt van verweerders hebben kunnen uitlaten. Ook overigens is het hof niet gebleken
dat klagers bij de raad geen eerlijk proces hebben gehad. Bovendien zijn klagers in
de gelegenheid gesteld hun standpunten in beroep toe te lichten bij het hof, maar
daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
7.6 Ad b). Het hof overweegt verder dat b) is terug te voeren op de stelling van
klagers omtrent de belangenverstrengeling tussen verweerster 2, die tot 2016 als
griffier van de raad werkzaam is geweest, en de Deken van de Orde. Van enige partijdigheid
of belangenverstrengeling is het hof niet gebleken. Dat verweerster 2 tot 2016 griffier
van de raad is geweest maakt niet dat sprake is van (vrees voor) belangenverstrengeling.
Het hof verwijst in dit verband naar de door verweerders als bijlage 1 overgelegde
mail van de raad van 26 november 2024.
7.7 De overige beroepsgronden vermeld onder 5.1 2) en 5.1 3) beschouwt het hof als
algemene observaties; deze zien niet op de inhoudelijke beslissing van de raad.
7.8 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om
tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Klagers hebben
in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangedragen die hiertoe aanleiding zouden kunnen
geven. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over.
Slotsom
7.9 Het hof verwerpt de beroepsgronden van klagers en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 16 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort
Den Haag, gewezen onder nummers 24-287/DH/DH, 24-291/DH/DH, 24-292/DH/DH en
24-293/DH/DH.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp,
E.C. Gelok, A.R. Sturhoofd en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van
mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 9 maart 2025.