ECLI:NL:TAHVD:2026:68 Hof van Discipline 's Gravenhage 250363

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:68
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 02-03-2026
Zaaknummer(s): 250363
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Klager heeft zijn klacht over mr. H ingetrokken en zijn klacht over mr. O is reeds ter verdere behandeling naar de raad toegestuurd. De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid voor verweerster in haar hoedanigheid van deken – en evenmin voor het hof – om een ingetrokken klacht alsnog tegelijk met een andere klacht (waarin reeds een dekenonderzoek heeft plaatsgevonden) door te sturen naar de raad voor verdere behandeling. Klager kan, als hij dat wil, opnieuw een klacht indienen over mr. H bij verweerster die deze dan zal onderzoeken waarna klager ook die klacht, na voldoening van het griffierecht, ter verdere behandeling naar de raad van discipline kan laten doorsturen. Reeds daarom is er ook geen sprake van strijd met de artikelen 6 en 13 EVRM zoals klager stelt. 

Beslissing van 27 februari 2026
in de zaak 250363

naar aanleiding van het verzet 
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof 
van 13 november 2025 in de klacht van:


klager 


tegen:

verweerster

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 13 november 2025 (hierna: de beslissing) heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht over verweerster afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:229 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 13 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast:
-verweerschrift
-repliek
-dupliek.  

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer. 


2    FEITEN

2.1    Klager heeft op 29 oktober 2025 bij het hof een klacht ingediend over het handelen van verweerster.  

2.2    Uit de door klager meegestuurde stukken heeft de voorzitter afgeleid dat klager klachten over twee advocaten heeft ingediend bij verweerster. Volgens klager vormen deze klachten één samenhangende kwestie maar onderkent verweerster deze samenhang niet omdat slechts één klacht naar de raad is doorgestuurd. 

2.3  In de kern komt de klacht van klager erop neer dat verweerster zijn klacht onvolledig naar de Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft gestuurd en zijn klacht niet voortvarend heeft behandeld. Klager meent dat door de handelwijze van verweerster een vertekende voorstelling van zaken is ontstaan. 

2.4   Het indienen van een klacht over verweerster is echter niet het ge-eigende middel om de aanpak of wijze van onderzoek door verweerster (in haar hoedanigheid van deken) ter discussie te stellen.  Omdat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld en klager de mogelijkheid heeft om zijn verzoeken, zoals geformuleerd in een van zijn e-mails van 29 oktober 2025, bij de raad te doen, heeft de voorzitter de klacht van klager over verweerster niet verwezen.

3    HET VERZET

De gronden van verzet
3.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de voorzitter met zijn beslissing de samenhang miskent tussen zijn klacht over mr. H en zijn klacht over mr. O. Verweerster heeft de klacht van klager over mr. H ten onrechte niet doorgezonden aan de raad met als reden dat die een andere hoedanigheid betreft. Dit is volgens klager een procedurele onjuistheid waarmee verweerster buiten haar mandaat (artikel 46c Advocatenwet) heeft gehandeld. Klager wenst dat het hof zijn beide klachten verwijst naar de raad zodat deze in volle omvang behandeld worden. Volgens klager ontbreekt anders een onafhankelijk rechtsmiddel in de zin van de artikelen 6 en 13 EVRM. 

Het verweer
3.2    Verweerster heeft allereerst een overzicht gegeven van wat er aan de klacht van klager over verweerster is vooraf gegaan. 

3.3    Klager was verwikkeld in een arbeidsrechtelijke kwestie met zijn werkgever, waarbij mr. O de werkgever heeft bijgestaan. Op 12 juli 2025 heeft klager een klacht over mr. O. ingediend.  

3.4    Op 3 september 2025 is namens verweerster aan partijen bericht dat de schriftelijke fase is afgerond en er geen brieven of andere stukken meer ingediend kunnen worden. 

3.5    Op 2 september 2025 heeft klager tevens een klacht over mr. H ingediend. 

3.6    Op 9 september 2025 is aan klager bericht dat het niet mogelijk is om beide klachten te voegen omdat de schriftelijke fase in de klacht tegen mr. O inmiddels was afgewikkeld.  

3.7    Vervolgens heeft daarover nog een aanvullende e-mailwisseling plaatsgevonden. Daarbij is door verweerster aan klager onder meer bericht dat mr. H als klachtenfunctionaris slechts de reactie van mr. O heeft verwoord en dat in een andere hoedanigheid heeft gedaan, en dat het een andere (soort) klacht betreft dan de klacht tegen mr. O. Ook is daarbij bericht dat iedere klacht tegen een advocaat middels een separate procedure behandeld dient te worden, waarbij soms gevoegd behandeld kan worden als er sprake is van een gelijklopende klachtprocedure en een overeenkomende klacht, maar dat daar in dit geval geen sprake van is. Klager is (nogmaals) verzocht zijn klacht tegen mr. H nader te onderbouwen, zodat de klacht daarna in behandeling kan worden genomen.

3.8    Klager heeft vervolgens zijn klacht op 9 september 2025 aangevuld, waarna de klacht in behandeling is genomen en op 10 september 2025 voor verweer aan mr. H is toegezonden.

3.9    Op 11 september 2025 heeft klager aan verweerder bericht dat hij bij nader inzien foutieve stukken had toegestuurd en dat hij om die reden zijn reeds ingediende stukken introk waarbij klager aangaf op een later moment de klacht over mr. H opnieuw in te zullen dienen. 

3.10     Op 15 september 2025 is door verweerster de ontvangst van zijn e-mail van 11 september 2025 aan klager (en mr. H) bevestigd. Daarbij heeft verweerster aangegeven het klachtdossier te zullen sluiten en archiveren conform de daarvoor geldende archiefregels.

3.11     Klager heeft inzake zijn klacht over mr. O op 9 oktober 2025 gevraagd naar de stand van zaken. Namens verweerster is klager bericht dat de kwestie de aandacht van verweerster heeft en dat klager een inhoudelijke reactie diende af te wachten. Vervolgens heeft klager op 21 oktober 2025 wederom een e-mail gezonden met daarin onder andere de volgende tekst: 

“Er is sinds uw laatste bericht geen verdere voortgang of besluit gecommuniceerd. Inmiddels zijn meer dan zes weken verstreken sinds uw bericht van 3 september 2025, waarin u bevestigde dat de schriftelijke fase was afgerond en dat de Deken zich zou beraden over de voortgang van de procedure. Aangezien ik geen kennisgeving heb ontvangen van verlenging conform artikel 46e, lid 1, Advocatenwet, is de beslistermijn verstreken. Daarmee is sprake van niet-tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:2, onder b, jo. 4:17 Algemene wet bestuursrecht. Ik stel het Bureau van de Deken hierbij formeel in gebreke wegens niet-tijdig beslissen en verzoek u om binnen 14 dagen na dagtekening van deze e-mail alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen op mijn klacht. Graag ontvang ik tevens een bevestiging van ontvangst en een concrete termijn waarbinnen ik de beslissing tegemoet kan zien”. 

3.12     Vervolgens heeft klager een aanvullende e-mail gezonden op 27 oktober 2025 met daarin de volgende tekst: 

“In vervolg op mijn e-mail van 21 oktober 2025, merk ik op dat ik daarin onjuist heb verwezen naar de Algemene wet bestuursrecht en een termijn van zes weken. De toepasselijke regeling is artikel 46d lid 3 Advocatenwet, waarin een termijn van drie maanden geldt na indiening van de klacht. Aangezien mijn klacht op 15 juli 2025 is ingediend en inmiddels meer dan drie maanden zijn verstreken zonder schikking of beslissing, verzoek ik u hierbij de klacht door te zenden aan de Raad van Discipline, conform genoemde bepaling”. 

3.13  Op 28 oktober 2025 heeft verweerster aan klager bericht dat zijn klacht zonder dekenvisie zal worden doorgezonden naar de raad van discipline.

3.14      Gelet op het verzoek van klager om doorzending is hem gevraagd het griffierecht te voldoen, wat klager heeft gedaan op 30 oktober 2025. Daarbij heeft klager de zaaknummers van het dossier inzake de klacht tegen mr. O en de klacht tegen mr. H genoemd. Op dezelfde datum heeft klager aan verweerster gemaild: 

“Hierbij bevestig ik dat ik het griffierecht heb voldaan voor beide klachten, te weten: dossier 2505831 (mr. O) dossier 2519349 (mr. H) Reden: beide klachten zien op één feitencomplex en dezelfde gedragingen binnen dezelfde zaak. Ik ben het niet eens met het eerder ingenomen standpunt van het Bureau dat de klachten niet zouden kunnen worden samengevoegd of dat één van beide te laat zou zijn ingediend of dat het een andere hoedanigheid zou zijn. De argumentatie mist feitelijke en juridische grond. Ik verzoek u daarom beide dossiers – inclusief alle relevante correspondentie – gezamenlijk ter kennis van de Raad van Discipline te brengen”. 

3.15  Naar aanleiding hiervan is klager op 3 november 2025 als volgt bericht: 

“Uw griffierecht van € 50,-- voor doorzending van de klacht tegen mr. O is in goede orde ontvangen, de klacht zal zonder dekenvisie worden doorgezonden naar de raad van discipline. U ontvangt na verzending daarvan een afschrift. Het klachtdossier tegen mr. H is gesloten naar aanleiding van uw bericht op 11 september 2025. Ik verwijs u nogmaals naar mijn reactie daarop van 15 september 2025. Volledigheidshalve voeg ik beide e-mailberichten als bijlage toe. Het staat u vrij de klacht tegen mr. H opnieuw in te dienen conform uw eerdere voorbehoud daartoe”. 

3.16  Op maandag 10 november 2025 is de klacht over mr. O doorgezonden naar de raad. 

3.17      Volgens verweerster wil klager dat zijn klacht over mr. H tezamen met zijn klacht over mr. O wordt behandeld door de raad. Dat is volgens verweerster niet mogelijk omdat klager zijn klacht over mr. H heeft ingetrokken en daarna geen nieuwe klacht over mr. H heeft ingediend. Verder is klager erop gewezen dat de klachten eerder, om organisatorische redenen, niet konden worden samengevoegd. Daarbij speelde een rol dat mr. H optrad in hoedanigheid en de onderwerpen van beide klachten niet overeenkwamen. 

3.18     Verweerster concludeert dat de voorzitter op juiste gronden het verzoek tot verwijzing van de klacht heeft afgewezen. 

4    BEOORDELING 

Verzet mogelijk? 
4.1     De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

4.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.


Maatstaf
4.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Het oordeel van het hof 
4.4    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Klager heeft zijn klacht over mr. H ingetrokken en zijn klacht over mr. O is reeds ter verdere behandeling naar de raad toegestuurd. 
De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid voor verweerster in haar hoedanigheid van deken – en evenmin voor het hof – om een ingetrokken klacht alsnog tegelijk met een andere klacht (waarin reeds een dekenonderzoek heeft plaatsgevonden) door te sturen naar de raad voor verdere behandeling. Klager kan, als hij dat wil, opnieuw een klacht indienen over mr. H bij verweerster die deze dan zal onderzoeken waarna klager ook die klacht, na voldoening van het griffierecht, ter verdere behandeling naar de raad van discipline kan laten doorsturen. Reeds daarom is er ook geen sprake van strijd met de artikelen 6 en 13 EVRM zoals klager stelt. Hetgeen verder in verzet door klager naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart daarom het verzet van klager ongegrond.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.


Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.