ECLI:NL:TAHVD:2026:67 Hof van Discipline 's Gravenhage 250360
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:67 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-02-2026 |
| Datum publicatie: | 27-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250360 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. Het hof ziet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. De voorzitter heeft overwogen dat het indienen van een klacht niet de geëigende wijze is om een weigering van verweerder om een advocaat aan te wijzen aan de orde te stellen en dat de klacht verder geen (andere) omschrijving bevat van enig handelen of nalaten van verweerder. Klaagster heeft in het verzet geen gronden aangevoerd die zien op de toetsingsmaatstaf of de feiten die aan de beslissing van 6 november 2025 ten grondslag liggen. |
Beslissing van 27 februari 2026
in de zaak 250360
naar aanleiding van het verzet
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof
van 6 november 2025 in de klacht van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 DE PROCEDURE
1.1 Met de beslissing van 6 november 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:223 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op 14 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast het verweerschrift.
1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.
2 FEITEN
De klacht houdt in dat klaagster het er niet mee eens is dat de deken haar niet nogmaals een advocaat wil aanwijzen. Tussen klaagster en de door de deken aangewezen advocaat is een vertrouwensbreuk ontstaan. Daarom heeft klaagster aan de deken verzocht om haar nogmaals een advocaat aan te wijzen. De deken heeft klaagster laten weten dat hij geen nieuwe advocaat zal aanwijzen. Hierbij heeft de deken aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de deken voor eenzelfde geschil één keer een advocaat aanwijst. Klaagster is het daar niet mee eens, zij wijst erop dat in de zaak Taghi ook een tweede advocaat is aangewezen en zij ziet niet in waarom dat bij deze zaak niet zou kunnen.
3 HET VERZET
De gronden van verzet
3.1 Klaagster heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat verweerder heeft
nagelaten een beslissing te sturen op het aanwijzingsverzoek van 12 oktober 2025.
Verder heeft klaagster aangevoerd dat verweerder de klacht over de eerder toegewezen
advocaat niet serieus heeft opgepakt. Er kunnen moverende redenen zijn om een andere
advocaat te wensen, anders zou de aangewezen advocaat een machtspositie hebben die
niet geheel zuiver is. Klaagster stelt dat de oorzaak van de vertrouwensbreuk tussen
haar en de aangewezen advocaat niet bij haar ligt.
Het verweer
3.2 Verweerder heeft tegen het verzet aangevoerd dat hij, gelet op het feit dat
in dit verzet alleen de vraag voorligt of de beslissing van 6 november 2025 op goede
gronden is genomen, enkel op de gronden die daarop zien zal reageren. De deken ziet
geen reden waarom het verzet zou slagen en ziet niet in dat in redelijkheid zou moeten
worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter van 6 november 2025 juist is.
De voorzitter heeft de juiste maatstaf gehanteerd zich gebaseerd op juiste feiten.
Het recht om een klacht in te dienen tegen de deken is er niet voor bedoeld om de
werkwijze van een deken aan de orde te stellen, zoals klaagster lijkt te doen.
4 BEOORDELING
Verzet mogelijk?
4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op
de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de
voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de
klacht te laten onderzoeken en af te handelen.
4.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.
Maatstaf
4.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of
de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de
voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. De voorzitter heeft overwogen dat het indienen van een klacht niet de geëigende wijze is om een weigering van verweerder om een advocaat aan te wijzen aan de orde te stellen en dat de klacht verder geen (andere) omschrijving bevat van enig handelen of nalaten van verweerder. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Klaagster heeft in het verzet geen gronden aangevoerd die zien op de toetsingsmaatstaf of de feiten die aan de beslissing van 6 november 2025 ten grondslag liggen. Het hof verklaart daarom het verzet van klaagster ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 27 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.