ECLI:NL:TAHVD:2026:66 Hof van Discipline 's Gravenhage 250398

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:66
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 27-02-2026
Zaaknummer(s): 250398
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen nadat hij eerder een advocaat had aangewezen. Dat klaagster het kennelijk niet eens is met de wijze waarop de aangewezen advocaat de zaak aanpakt is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. De deken heeft in dit verband terecht naar eerdere uitspraken van het hof van discipline verwezen zoals HvD 14 februari 2011, ECLI:N:TAHVD:2011:YA1409, HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:142. Artikel 13 Advocatenwet voorziet er niet in dat een advocaat in alle opzichten aan de wensen van een client dient te voldoen.


Beslissing van 27 februari 2026
in de zaak 250398
    

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klaagster
    
tegen:
    
de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft op 12 oktober 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit op dit verzoek gereageerd met een e-mail van 15 oktober 2025. De deken heeft aan klaagster laten weten dat het verzoek om aanwijzing van een advocaat een herhaald verzoek betreft. De deken heeft erop gewezen dat voor eenzelfde geschil slechts eenmaal een advocaat wordt aangewezen en dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. 

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 11 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek
-    de dupliek

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft op 28 april 2024 bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. De deken heeft aan klaagster bij beschikking van 23 mei 2024 een advocaat aangewezen voor een hoger beroepsprocedure tegen een vonnis van de kantonrechter van 20 maart 2024. In deze beschikking is opgenomen:
     “Ik wijs u erop dat de deken in een zaak maar één maal tot aanwijzing van een advocaat overgaat.”

2.2    Klaagster heeft in mei 2025 de deken telefonisch benaderd met het verzoek een andere advocaat aan te wijzen. De deken heeft klaagster laten weten dat de deken in een zaak slechts eenmaal overgaat tot aanwijzing van een advocaat.

2.3    Vervolgens heeft klaagster op 12 mei 2025 per webformulier bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. De deken heeft aan klaagster bij e-mail van 14 mei 2025 laten weten dat hij niet voor een tweede maal een advocaat zal aanwijzen voor eenzelfde zaak.

2.4     Op 16 september 2025 heeft klaagster bij de deken in het arrondissement Noord-Holland een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Het verzoek is omgezet naar de deken in het arrondissement Gelderland. Dit verzoek betrof een verzoek om een advocaat voor het instellen van verzet tegen een verstekvonnis van de kantonrechter van 8 september 2025. Dit betrof een ander verzoek dan de vorige verzoeken van klaagster. Dit verzoek is door de deken Gelderland op 19 september 2025 afgewezen.
 
2.5    Klaagster heeft op 12 oktober 2025 wederom bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Klaagster heeft het vonnis van 20 maart 2024 bijgevoegd, waartegen de op 23 mei 2024 aangewezen advocaat hoger beroep had ingesteld. Aan klaagster is opnieuw de Richtlijn aanwijzing advocaat en het Informatieblad over aanwijzing van een advocaat verstrekt. Bij e-mail van 15 oktober 2025 heeft de deken aan klaagster het volgende geschreven:

    ‘’U heeft 12 oktober jl. opnieuw een verzoek om aanwijzing ingediend. Dit betreft een herhaald verzoek. U heeft namelijk op 28 april jl. een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend.     Aan u is vervolgens op 23 mei 2024 een advocaat toegewezen. U hebt op 12 mei jl. opnieuw     een verzoek om aanwijzing ingediend, terwijl meermaals aan u is kenbaar gemaakt dat deken     in een zaak maar één maal tot aanwijzing van een advocaat overgaat. De deken heeft in de     onderliggende zaak op 23 mei 2024 een advocaat aan u aangewezen en zal niet voor een     tweede maal een advocaat aanwijzen. Ondanks eerdere berichten en communicatie wendt u     zich nu voor de derde keer tot de deken met hetzelfde verzoek. De drie verzoeken zien op     hetzelfde geschil. Ten overvloede merk ik op dat die drie verzoeken los staan van uw verzoek     om aanwijzing van 16 september jl. Dat verzoek ziet op een andere procedure en is om andere     reden afgewezen. 

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de deken voor eenzelfde geschil één keer een advocaat     aanwijst (zie bijvoorbeeld HvD 14 februari 2011, ECLI:NL:TAHVD:2011:YA1409; HvD 10 juli     2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:142). Niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of     omstandigheden op grond waarvan van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. 

Voor het overige wordt u verwezen naar eerdere correspondentie hieromtrent. 

Ook voor dit verzoek geldt dat op verdere berichtgeving in beginsel niet wordt gereageerd.’’


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij volgt niet de redenering van de deken dat als er al een advocaat is aangewezen dit niet nogmaals wordt gedaan. Volgens klaagster kunnen er moverende redenen zijn om een andere advocaat te wensen. Klaagster heeft erop gewezen dat het niet werkte tussen haar en de aangewezen advocaat en dat de vertrouwensbreuk niet aan haar ligt.

3.2    Klaagster stelt op 3 december 2025 een zitting te hebben en zij heeft nog geen advocaat. Zij heeft het hof verzocht om spoedig een andere advocaat aan te wijzen.

Verweer
3.3    De deken heeft primair aangevoerd dat het e-mailbericht van 15 oktober 2025 een reactie is op een herhaald verzoek om aanwijzing van een advocaat en geen beschikking. In dat kader heeft de deken gewezen op de uitspraak van het Hof van Discipline van 17 oktober 2022 (ECLI:NL:TAHVD:2022:149) waarin is bepaald dat tegen de mededeling van de deken dat het herhaalde verzoek tot aanwijzing van advocaat niet in behandeling wordt genomen, geen beklag open staat. Gelet hierop dient het beklag volgens de deken niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.4    Voor het geval het hof het standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid niet volgt, wijst de deken erop dat klaagster er vanaf het begin af aan van op de hoogte geweest dat de deken in een zaak slechts één maal overgaat tot aanwijzing van een advocaat. Niet alleen is dit schriftelijk aan haar medegedeeld, ook is klaagster telefonisch uitgebreid te woord gestaan. Uit de correspondentie van klaagster richting het hof van 11 en 12 november 2025, maakt de deken op dat zij alsnog wil dat aan haar voor een tweede maal een advocaat wordt aangewezen. Het is de deken niet gebleken dat er redenen zijn om haar voor de tweede maal in dezelfde zaak een advocaat aan te wijzen. Indien de deken een beschikking had opgemaakt naar aanleiding van het derde verzoek van Amor, dan was de uitkomst niet anders geweest. 

4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Bij beslissing van 23 mei 2024 heeft de deken aan klaagster een advocaat aangewezen. Vervolgens heeft klaagster herhaalde verzoeken gedaan om aanwijzing van een andere advocaat voor dezelfde procedure.

4.3    Anders dan de deken heeft gesteld is het hof van oordeel dat de e-mail van 15 oktober 2025 meer is dan een feitelijke mededeling zonder rechtsgevolg. De deken heeft namelijk op 15 oktober 2025 beslist dat er niet voor een tweede maal een advocaat zal worden aangewezen en dat er niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden om af te wijken van het uitgangspunt dat er voor eenzelfde geschil maar één keer een advocaat wordt aangewezen.  Daarmee heeft de deken feitelijk het verzoek afgewezen waartegen beklag open staat. Klaagster is dus ontvankelijk in haar beklag.

4.4    Het beklag slaagt evenwel niet. De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen nadat hij eerder een advocaat voor het hoger beroep tegen het vonnis van kantonrechter van 20 maart 2024 had aangewezen. Dat klaagster het kennelijk niet eens is met de wijze waarop de aangewezen advocaat de zaak aanpakt is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. De deken heeft in dit verband terecht naar eerdere uitspraken van het hof van discipline verwezen zoals HvD 14 februari 2011, ECLI:N:TAHVD:2011:YA1409, HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:142. Artikel 13 Advocatenwet voorziet er niet in dat een advocaat in alle opzichten aan de wensen van een client dient te voldoen. 

4.5    Het beklag zal ongegrond worden verklaard. 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster ongegrond

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari  2026.

                                                                                                                 
griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.