ECLI:NL:TAHVD:2026:62 Hof van Discipline 's Gravenhage 260032
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:62 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-02-2026 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260032 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over deken wordt niet verwezen. Uit de formulering van de klacht en de onderbouwing blijkt niet op welke concrete gedragingen van verweerster de klacht betrekking heeft. Niet duidelijk is waar verweerster zich tegen zou moeten verweren. De algemene verwijten en het onbehoorlijke taalgebruik maken dat deze klacht naar het oordeel van de voorzitter niet voor verwijzing in aanmerking komt. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 26 februari 2026
in de zaak 260032
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
verweerster
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 6 februari 2026 van de Amsterdamse Orde van Advocaten (hierna: de orde), met als bijlage een webformulier van 29 januari 2026, waarmee klager bij de orde een klacht over verweerster heeft ingediend. De orde heeft de klacht naar het hof doorgestuurd onder verwijzing naar artikel 46c lid 5 Advocatenwet en artikel 12 van het procesreglement van het hof.
1.2 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster herhaald en ongefundeerd weigert de basale wettelijke taak uit te voeren, en dat de reactie die uiteindelijk wel is ontvangen belachelijke voorwaarden en leugens bevat. Daarnaast is er volgens klager sprake van corruptie, bedrog, misleiding en afhouden, en lijkt verweerster volgens klager criminelen buiten schot te willen houden en zorgaanbieders die de mensenrechten schenden te beschermen.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 De voorzitter stelt vast dat uit de formulering van de klacht niet blijkt op welke concrete gedragingen van verweerster de klacht betrekking heeft. Niet duidelijk is waar verweerster zich tegen zou moeten verweren. De onderbouwing maakt dat niet inzichtelijker. De algemene verwijten en het onbehoorlijke taalgebruik maken dat deze klacht naar het oordeel van de voorzitter niet voor verwijzing in aanmerking komt.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 26 februari 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend
voorzitter.
De beslissing is verzonden op 26 februari 2026.