ECLI:NL:TAHVD:2026:56 Hof van Discipline 's Gravenhage 250171

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:56
Datum uitspraak: 16-02-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 250171
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Overige (tussen)beslissingen
Inhoudsindicatie: Deze uitspraak is een tussenbeslissing. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerder hem in meerdere procedures heeft bijgestaan. Klacht is door de raad deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Gelet op het dossier en het onderzoek ter zitting heeft het hof alvorens een beslissing te kunnen nemen behoefte aan een nadere reactie van de deken op het gevoerde dekenaal onderzoek. Daartoe heeft het hof in deze tussenbeslissing een aantal vragen en opdrachten opgenomen met het verzoek aan de deken hierop te reageren.

Tussenbeslissing van 16 februari 2026
in de zaak 250171

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager


tegen:


verweerder 

gemachtigde: mr. R. Sanders, advocaat te Leiden  

1    INLEIDING

1.1    Deze uitspraak is een tussenbeslissing. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerder hem in meerdere procedures heeft bijgestaan. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder tekort is geschoten in de behartiging van klagers belangen in een procedure bij de Commissie van Beroep van KiFiD en heeft aan verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. De klachtonderdelen die betrekking hebben op de wijze waarop verweerder klager heeft bijgestaan in twee andere procedures (bewind/mentorschap en een WMO-procedure) zijn door de raad ongegrond verklaard. 

1.2    Gelet op het dossier en het onderzoek ter zitting heeft het hof alvorens een beslissing te kunnen nemen behoefte aan een nadere reactie van de deken op het gevoerde dekenaal onderzoek. Daartoe heeft het hof in deze tussenbeslissing een aantal vragen en opdrachten opgenomen met het verzoek aan de deken hierop te reageren. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De  raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-925/AL/GLD) een beslissing gewezen op 14 april 2025. In deze beslissing is één klachtonderdeel gegrond verklaard en twee klachtonderdelen ongegrond. Aan verweerder is de maatregel van een berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:106 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.


Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 12 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad;
-    nagekomen stukken van klager van 10 en 11 december 2025.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 december 2025. Daar zijn klager in persoon en verweerder met diens gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN 

3.1    Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

De zaak betreffende bewind/mentorschap

3.2  Op 11 december 2019 heeft de kantonrechter de goederen die aan klager toebehoren onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand en een mentorschap ingesteld. 
De bewindvoerder/mentor van klager is [naam] (hierna: MW).

3.3 Klager heeft de rechtbank verzocht het bewind en mentorschap op te heffen, dan wel de bewindvoerder/mentor te ontslaan. Bij beschikking van 14 juli 2021 zijn deze verzoeken van klager afgewezen.

3.4  Klager heeft tegen deze beschikking (zelf) hoger beroep ingesteld. In het hoger beroep is hij bijgestaan door mr. S, een toenmalig kantoorgenoot van verweerder.

3.5  Op 29 oktober 2021 stuurt mr. S het concept van het beroepschrift aan klager, met het verzoek om zijn reactie.

3.6 Bij beschikking van 28 juni 2022 heeft het gerechtshof de beschikking van 14 juli 2021 bekrachtigd. Uit die beschikking volgt dat klager tijdens de mondelinge behandeling op 14 juni 2022 werd bijgestaan door mr. S én verweerder.

3.7  Op 22 september 2022 mailt mr. S aan klager dat zojuist is besproken dat er geen cassatie zal worden ingesteld.

3.8 Op 23 september 2022 stuurt klager een mail aan mr. S en verweerder waarin hij zijn ontevredenheid uit over verschillende punten. Op 23 oktober 2022 mailt klager nogmaals en schrijft hij dat hij nog geen reactie heeft op zijn eerdere e-mail. Ook heeft hij vragen over diverse zaken.

De WMO-zaak

3.9  Vanaf december 2021 is verweerder de belangen van klager in een WMO-zaak gaan behartigen.

3.10  Op 29 februari 2024 mailt klager aan de rechtbank (afdeling bestuursrecht) dat hij een klacht heeft ingediend tegen verweerder, dat verweerder zich zal terugtrekken als gemachtigde en om (verder) uitstel zal verzoeken. Klager stelt in zijn bericht aan de rechtbank onder meer:

“Zo heb ik bijvoorbeeld héél 2023 niets van hem mogen vernemen m.b.t. de in titel genoemde zaak en ontving ik pas op 27-01-2024 uw brief aan hem DD 12-12-2023. Uit die brief meen ik op te mogen maken dat er al vóór 12 december 2023 over een te plannen zitting is gecommuniceerd.”
 

Klager verzoekt de rechtbank hem alle correspondentie te doen toekomen en hem te informeren over de stand van zaken.

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:  

a) klager onvoldoende te adviseren en/of te informeren; 

(…)

c) de zitting inzake MW niet goed voor te bereiden. 

Het hof begrijpt uit de stukken dat klachtonderdeel a) betrekking heeft op de WMO-procedure en klachtonderdeel c) op het hoger beroep in de bewind/mentorschap procedure. 


5    ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES
    
In het door klager ingestelde beroep kan hij niet worden ontvangen voor zover het beroep zich richt tegen de beslissing van de raad met betrekking tot klachtonderdeel b). Dit klachtonderdeel is gegrond bevonden. Op grond van artikel 56, eerste lid, Advocatenwet staat tegen gegrond verklaarde klachtonderdelen geen beroep open. Klager zal in de eindbeslissing niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep voor zover het klachtonderdeel b) betreft.


6    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a) en c)

6.1  Deze klachtonderdelen zien met name op de bijstand in het hoger beroep in de zaak tegen het bewind/mentorschap. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klager in die zaak (met name) door mr. S, de kantoorgenoot van verweerder, is bijgestaan, die een concept beroepschrift aan klager heeft voorgelegd en die in de beschikking staat vermeld als klagers advocaat. De raad heeft op grond van de stukken alleen kunnen vaststellen dat verweerder op de zitting van 14 juni 2022 aanwezig is geweest, terwijl toen ook mr. S aanwezig was. Het is de raad onvoldoende duidelijk of/welke bijstand verweerder geleverd heeft en wat er tijdens de zitting van 14 juni 2022 is gezegd, blijkt niet uit de stukken. De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerder tekortgeschoten is in deze zaak.

6.2   Klachtonderdeel a) ziet daarnaast op het informeren/adviseren in de bestuursrechtelijke/ WMO-zaak. Klager heeft gesteld dat hij heel 2023 niets van verweerder heeft vernomen en pas in januari 2024 bericht van verweerder over een brief van de rechtbank heeft ontvangen. Hoewel verweerder het bericht van de rechtbank blijkbaar vrij laat heeft doorgestuurd aan klager, is dat volgens de raad op zichzelf nog niet onbetamelijk. De raad beschikte niet over verdere (inhoudelijke) informatie over de WMO-zaak en kon daarover dan ook niet verder oordelen.

6.3    De raad heeft de klachtonderdelen a) en c) daarom ongegrond verklaard.


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1    Klager herhaalt in beroep feitelijk wat hij bij de raad ook heeft aangevoerd. Klager ziet als rode draad in het optreden van verweerder dat hij onvoldoende voorbereid ter zitting is verschenen en de vereiste dossierkennis daarbij ontbrak.  

Volgens klager heeft verweerder ook de WMO-zaak naar zich toe getrokken. 

Verweer verweerder 

7.2    Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend doch ter zitting verweer gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen van zijn gemachtigde. 


8.    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De klacht gaat over de dienstverlening van verweerder als advocaat van klager. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt houdt de tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes – kostenrisico en proceskansen – waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Binnen de beroepsgroep is voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het hof toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
 
Overwegingen hof

8.2    Bij aanvang van de zitting heeft de voorzitter van het hof de te laat door klager ingediende stukken ter sprake gebracht. Verweerder heeft de beslissing daarover aan hof gelaten. De voorzitter heeft bepaald dat deze stukken deel uitmaken van het dossier. 

8.3    Klager heeft niet aangeboren hersenletsel. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof gebleken dat klager hierdoor moeite heeft met telefonisch en schriftelijk (e-mail) contact. Klager heeft op 5 juli 2024 per e-mail gevraagd of hij op het ordebureau langs mocht komen. Diezelfde dag heeft een medewerker van het ordebureau per e-mail aan klager laten weten dat de klachtprocedure schriftelijk verloopt en hij daarom schriftelijk moet reageren. 

8.4    Artikel 46c lid 1 Advocatenwet bepaalt dat een deken de klager behulpzaam is bij het op schrift stellen van de klacht. Datzelfde geldt als een ingediende klacht verduidelijking behoeft.

8.5 Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof gebleken dat de deken klager niet behulpzaam is geweest bij het formuleren van zijn klacht. Gelet op de stukken die in het klachtonderzoek zijn uitgewisseld moet het ook voor de deken duidelijk zijn geweest dat klager in zijn begrip en communicatie wordt beperkt door zijn niet-aangeboren hersenletsel. De onder 8.3 vermelde reactie van de deken op het verzoek van klager, of hij op het ordebureau langs mocht komen, acht het hof niet een adequate invulling van zijn plicht de klager, die problemen heeft met begrip en communicatie, behulpzaam te zijn met het op schrift stellen van zijn klacht.  

8.6 Voorts doen de stukken die aan de deken zijn overgelegd bij de klachtbehandeling en het onderzoek ter zitting bij het hof de vraag rijzen of de klachtonderdelen a) en c) (uitsluitend) verweerder betreffen, omdat in de procedure waarover klachtonderdeel a) gaat klager volgens verweerder is bijgestaan door mr. S (een voormalig kantoorgenoot van verweerder) en in de procedure waarop klachtonderdeel c) ziet klager door verweerder en mr. S voornoemd is bijgestaan. In hoger beroep ligt dan ook de vraag voor of het oordeel van de raad onder 5.2 van de eindbeslissing dat uit de overgelegde stukken blijkt dat klager in de zaak over het bewind/mentorschap (met name) is bijgestaan door mr. S, de kantoorgenoot van verweerder, juist is.

8.7 Artikel 46d lid 1 Advocatenwet bepaalt dat de deken steeds tracht de klacht in der minne te schikken. Tijdens het onderzoek ter zitting is gebleken dat klager en verweerder daarvoor open hadden gestaan als de deken hen voor een bemiddelingsgesprek had uitgenodigd doch dat die uitnodiging niet is gedaan door deken.  

8.8    Het hof heeft daarom behoefte aan een nader onderzoek door de deken. Het hof verzoekt de deken binnen 12 (twaalf) weken het hof te berichten over het volgende: 

- kan de deken toelichten waarom klager – van wie bekend was dat hij moeilijk telefonisch en schriftelijk communiceert – niet mondeling of anderszins is geholpen bij het op schrift stellen van zijn klacht, ook niet nadat uit de klachtomschrijving en toelichting van klager bleek dat de klachtonderdelen a) en c) (mede) betrekking hebben op mr. S?

- Kan de deken een toelichting geven op de e-mail van de medewerker van zijn ordebureau van 
5 juli 2024 aan klager? 

- Is de deken nader van mening dat de klachtonderdelen a) en c) van klager, in afwijking van de aanbiedingsbrief van 11 december 2024, (mede) betrekking hebben op mr. S? 

- Zo niet, waarom niet?

- Zo ja, dan draagt het hof de deken op de oorspronkelijke klachtonderdelen a) en c) alsnog aan te merken als (mede) te zijn gericht tegen mr. S en zijn onderzoek met betrekking mr. S dienaangaande te verrichten (als bedoeld in artikel 46c Advocatenwet en verder) en het hof daarover te berichten.  

- Kan de deken toelichten waarom hij klager en verweerder niet heeft uitgenodigd voor een gesprek om een schikking te beproeven? 

- Als de deken alsnog een schikking beproeft tussen klager enerzijds en verweerder en/of mr. S anderzijds dient hij het hof te berichten of de schikking al dan niet is geslaagd.

8.9    De deken dient zijn reactie gelijktijdig in kopie aan klager en verweerder te zenden. Klager en verweerder hebben na ontvangst daarvan 4 (vier) weken de tijd om kort en zakelijk op het bericht van de deken te reageren. Het hof zal na ontvangst van de antwoorden van de deken en de reacties van partijen op een nader te bepalen datum beslissen over de voortgang van de procedure. 

8.10  Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

9     TUSSENBESLISSING

Het Hof van Discipline:

a.    bepaalt dat de deken binnen 12 (twaalf) weken na heden zijn reactie geeft op de vragen en opdrachten als bedoeld onder 8.8 en daarvan een kopie zendt aan partijen; 

b.    bepaalt dat partijen binnen 4 (vier) weken na ontvangst van de hiervoor bedoelde antwoorden schriftelijk kunnen reageren onder gelijktijdige toezending van die reactie aan de ander;

c.    gelast de griffier een afschrift van deze tussenbeslissing te zenden aan klager, verweerder en de deken van de Orde van Advocaten Gelderland; en

d.    houdt iedere verdere beslissing aan. 
 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 16 februari 2026