ECLI:NL:TAHVD:2026:54 Hof van Discipline 's Gravenhage 250416
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:54 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250416 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Raad van Discipline waarbij het verzet van klager tegen een voorzittersbeslissing ongegrond is verklaard. De door klager aangevoerde gronden zien uitsluitend op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals schending van hoor en wederhoor. Dergelijke klachten leveren naar vaste jurisprudentie geen grond op voor doorbreking van het appelverbod. Klager kan dan ook niet in hoger beroep worden ontvangen. |
Beslissing van 16 februari 2026
in de zaak 250416
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 DE PROCEDURE
Bij de raad
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 5 augustus 2025 van de voorzitter
van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch. De voorzitter heeft met
die beslissing (zaaknummer: 25-332/DB/ZWB) de klacht van klager kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:112 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. De raad heeft in een beslissing van 17 november 2025 het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:161 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
1.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing op verzet is op 18 november
2025 ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de
stukken van de raad.
1.4 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 BEROEPSGRONDEN
2.1 Het beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet.
2.2 Klager stelt dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen bij de behandeling van de zaak door de raad. Ter onderbouwing heeft klager het volgende aangevoerd.
“De deken heeft geen standpunt gegeven en alleen een verhaal geschreven dat niet klopt, zonder een standpunt te geven. volgens klager geen goed onderzoek gedaan. Daarnaast heeft de deken de Groot daarbij alweer geen goed onderzoek gedaan. Gebleken is dat de procedures tegen S. en van Z. heel bewust zijn omgedraaid en in de verkeerde volgorde werden uitgevoerd waardoor het causale verband verdween. Daarnaast heeft men het verslag van Van Z. niet beoordeeld op juistheid. Het staat vol met fouten/list/bedrog. Dit terwijl S. zeer ernstige fouten heeft gemaakt die het imago van de beroepsgroep schaden. Niemand wil zo behandeld worden, dit is bedrog en Van Z. is als kantooreigenaar daar aansprakelijk voor”
2.3 Klager stelt dat de raad niet is ingegaan op de beroepsfouten, terwijl dat de drijfveer was om deze procedures aan te gaan. Volgens klager heeft hij de klachten keurig en volledig verwoord. Hij acht de raad partijdig en daarmee nietig. Klager heeft erop gewezen dat er geen verweer is ingediend en dat de uitspraak niet is gemotiveerd. Nergens staat aangegeven wat dan die norm is waarom de beroepsfouten worden beoordeeld door de rechter. Volgens klager is uiteindelijk de procedure bij de deken, de raad en de rechter nutteloos geweest omdat nog steeds niet de beroepsfouten per onderdeel zijn beoordeeld. Klager verzoekt een beroep tegen S. en een nieuwe procedure tegen Van Z. of een verklaring dat de beroepsfouten allemaal zijn beaamd.
3 BEOORDELING
maatstaf
3.1 Artikel 46h lid 7 van de Advocatenwet bepaalt dat geen beroep kan worden
ingesteld tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet tegen een voorzittersbeslissing
niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard. Er kan een uitzondering op deze regel
worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij
de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
Dan kan het appelverbod worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan sprake
is.
beoordeling
3.2 De door klager aangevoerde gronden zien uitsluitend op de inhoudelijke beoordeling
van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals schending van hoor
en wederhoor. Dergelijke klachten leveren naar vaste jurisprudentie geen grond op
voor doorbreking van het appelverbod (vergelijk: HvD 28 augustus 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:168,
ECLI:NL:TAHVD:2017:169 en HR 23 juni 1995, NJ 1995/661).
slotsom
3.3 De slotsom is dat de gronden voor doorbreking van het appelverbod falen.
Klager kan dan ook niet in hoger beroep worden ontvangen.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs.
J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 februari 2026.