ECLI:NL:TAHVD:2026:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 250361

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:52
Datum uitspraak: 16-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 250361
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan de afwijzende beslissing is ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de deken terecht heeft opgemerkt dat de verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist en dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. V. daarom geen redelijke kans van slagen heeft.


Beslissing van 16 februari 2026
in de zaak 250361

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klaagster
    
tegen:
    
de deken

   DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft op 19 juni 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klaagster wil de advocaten mr. V. en mr. R. aansprakelijk stellen voor door haar geleden schade.

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 17 september 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. De deken wijst in dit verband op het negatieve procesadvies van mr. P. van 25 maart 2025. Voorzover klaagster een advocaat zoekt om mr. R. aansprakelijk te stellen, dient klaagster zich te wenden tot de deken van de Orde van Advocaten te Rotterdam omdat mr. R. advocaat is in Rotterdam.

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 28 oktober 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek
-    de dupliek

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster is verwikkeld (geweest) in een geschil met een onderwijsinstelling omdat deze heeft beslist de inschrijving van klaagster voor een studie geneeskunde definitief te beëindigen. Klaagster heeft zich in dit verband medio 2022 voor bijstand tot mr. V. gewend. Op 20 november 2023 heeft klaagster een tuchtklacht tegen mr. V. ingediend omdat de kwaliteit van dienstverlening volgens haar te wensen overliet. De voorzitter van de Raad van Discipline heeft de klacht tegen mr. V. kennelijk ongegrond verklaard bij beslissing van 5 juni 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2025:13. Klaagster heeft verzet ingesteld. Bij beslissing 27 januari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2024:119, heeft de Raad van Discipline het verzet van klaagster ongegrond verklaard. 

2.2    Op 19 juni 2025 heeft klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat omdat zij mr. V. en mr. R. aansprakelijk wil stellen in verband met de door haar gestelde schade.

2.3    Bij beslissing van 17 september 2025 heeft de deken het verzoek afgewezen. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster heeft aangevoerd dat zowel de deken als de heer P., die over de aansprakelijkheidstelling advies heeft uitgebracht, niet beschikten over het gehele dossier. Klaagster stelt dat zij haar geschil met de onderwijsinstelling had kunnen winnen als mr. V. een second opinion/contra expertise/voorlopige deskundigen onderzoek had aangevraagd. Doordat mr. V. dat niet heeft gedaan, heeft klaagster haar studie geneeskunde en haar gezondheid verloren en daardoor schade geleden. Klaagster wil mr. V. aansprakelijk stellen voor het leed dat hij haar heeft aangedaan en heeft het hof verzocht het besluit van de deken ongegrond te verklaren en haar alsnog een advocaat toe te wijzen.  

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat de aansprakelijkheidsprocedure op grond van de onherroepelijke uitspraak van de Raad van Discipline en het negatieve advies van mr. P. geen redelijke kans van slagen heeft. De verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. hebben betrekking op hetzelfde feitencomplex waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist. Klaagsters huidige stellingname werpt geen ander licht op de zaak, aldus de deken.


4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    De gronden die klaagster voor haar beklag heeft aangevoerd geven het hof geen aanleiding om het beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen gegrond te verklaren. Dat de deken en mr. P. – die in verband met de aansprakelijkheidsstelling op 25 maart 2025 advies heeft uitgebracht – niet beschikten over het gehele dossier, blijkt niet uit de stukken. Terecht heeft de deken opgemerkt dat de verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist en dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. V. daarom geen redelijke kans van slagen heeft. 

4.3    De deken heeft dan ook op goede gronden het verzoek kunnen afwijzen en het beklag is daarom ongegrond.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 17 september 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs., J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.


griffier     voorzitter


De beslissing is verzonden op 16 februari 2026.