ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:50 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-02-2026 |
| Datum publicatie: | 13-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240203H |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. |
Beslissing van 13 februari 2026
in de zaak 240203H
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoeker
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Aan de beslissing ligt, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat te veel onduidelijk is over de wijze waarop verzoeker zijn praktijk zal inrichten en hoe verzoeker de kwaliteit van zijn dienstverlening zal waarborgen.
1.2 Verzoeker heeft op 24 november 2023 bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Het verzoek, waarbij verzoeker het hof om herziening verzoekt van de beslissing van het hof van 1 juli 2024, is op 5 juli 2024 ter griffie van het hof ontvangen.
2.2 Verder bevat het herzieningsdossier
- de reactie van de deken op het herzieningsverzoek.
- een e-mail van verzoeker van 29 november 2025 met bijlagen.
2.3 Het hof heeft de zaak (gezamenlijk met zaaknummers 250337 en 240221) mondeling
behandeld tijdens de openbare zitting van 15 december 2025. Daar zijn verzoeker, de
deken en de adjunct-secretaris van de deken verschenen. Verzoeker en de deken hebben
hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken
van het dossier van het hof.
3 BEOORDELING
feiten
3.1 Voor de feiten verwijst het hof naar de beslissing van het hof van 1 juli 2024
mogelijkheid tot herziening
3.2 Het hof stelt voorop dat tegen een beslissing van het hof in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel is opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.
3.3 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol van het hof dat tot 1 januari 2026 gold en dat op deze zaak nog van toepassing is, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het (oude) herzieningsprotocol zijn opgenomen, en op die uitzonderingen kan op grond van artikel 1.3 van het (oude) herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door een advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd. Het hof ziet in dit geval aanleiding om verzoeker – omdat hij een direct eigen belang heeft bij herziening van de uitspraak van het hof – gelijk te stellen met een advocaat aan wie een maatregel is opgelegd.
3.4 Derhalve kan het hof, zo blijkt uit artikel 1.2 van het (oude) herzieningsprotocol,
een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen, als:
a. feiten of omstandigheden aan het licht komen die (i) hebben plaatsgevonden vóór
de uitspraak, en (ii) bij de verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs
niet bekend konden zijn, en die (iii) het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat het
hof tot een andere beslissing zou zijn gekomen als deze vóór de uitspraak bij het
hof bekend zouden zijn geweest; of
b. in de procedure bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat
een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
3.5 Voor de ontvankelijkheid van verzoeker in het herzieningsverzoek op grond van het hiervoor onder b genoemde grond volstaat dat een beroep wordt gedaan op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het beroep daarop ook slaagt. Indien geen sprake is geweest van zodanige schending wordt het verzoek op die grond verworpen. Aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt dan niet toegekomen. In het andere geval volgt een herbeoordeling.
herzieningsverzoek
3.6 Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, in die zin dat:
- het hof het beginsel van hoor- en wederhoor () heeft geschonden door te oordelen dat klager zijn juridische kennis niet heeft bijgehouden, in de afgelopen 8 jaar niet-of nauwelijks juridische werkzaamheden heeft verricht en dat verzoeker geen ondernemingsplan heeft gepresenteerd, zonder verzoeker daarover (nadere) vragen te stellen of verzoeker in de gelegenheid te stellen dit nader te onderbouwen. Daarnaast heeft het hof door te oordelen dat verzoeker “bijvoorbeeld geen ondernemingsplan heeft ingediend” geïmpliceerd dat er nog andere eisen zijn waaraan verzoeker had moeten voldoen, zonder te specificeren welke dit zijn en zonder verzoeker daarover te horen. Tot slot heeft verzoeker nog een beroep gedaan op verjaring van de feiten (geen onbeperkte terugkijktijd) en is het hof daar in het geheel niet op ingegaan.
- het hof heeft in de beslissing het recht van verzoeker op een vrije arbeidskeuze geschonden. Door bij de beoordeling van het verzoek feiten die zich 7 a 8 jaar geleden hebben voorgedaan te betrekken, wordt verzoeker per saldo voor onbepaalde tijd geschrapt. Het hof is er ten onrechte vanuit gedaan dat verzoeker moet aantonen dat de (gegronde) vrees zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet niet aanwezig is. Het is aan de raad van orde om deze gegronde vrees aannemelijk te maken.
- er sprake is van een schending van het openbaarheidsvereiste en van een eerlijk proces. In de uitspraak van het hof is in rov. 5.8 een deel van de zin weggevallen. Het is verzoeker niet duidelijk wat het vervolg van deze overweging over de “gegronde vrees”, zou moeten zijn en op dit punt is de uitspraak dan ook niet openbaar en heeft verzoeker er niet op kunnen reageren.
- het hof de norm “gegronde vrees” had moeten voorzien van een subnorm, omdat de norm anders te abstract is en er geen sprake kan zijn van een controleerbare uitspraak en daarmee niet van een eerlijk proces.
reactie van de deken
3.7 Het hof zal hierna, voor zover nodig, ingaan op de reactie van de deken bij de beoordeling van het herzieningsverzoek
beoordeling van het herzieningsverzoek
3.8 Voor zover verzoeker stelt dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor
heeft geschonden, kan het hof verzoeker daarin niet volgen. Klager is in de gelegenheid
geweest om in zijn beklagschrift en in zijn repliek, alsmede tijdens de zitting bij
het hof, zijn standpunten naar voren te brengen en te reageren op de standpunten van
de deken. Klager heeft zich daarmee voldoende kunnen uitlaten. Daarnaast ligt het
op zijn weg om alle relevante feiten die hij van belang acht voor de beoordeling naar
voren te brengen en te onderbouwen. Die verantwoordelijkheid ligt bij verzoeker en
niet bij het hof. Dat verzoeker het niet eens is met de motivering van de beslissing
door het hof, komt neer op een verkapt hoger beroep, waarvoor het buitengewone rechtsmiddel
van herziening niet is bedoeld en het levert ook geen schending van een fundamenteel
rechtsbeginsel op.
3.9 De uitspraak van 1 juli 2024 is openbaar. Dat er in rov 5.8 een (deel van
een) zin is weggevallen maakt dit niet anders. Het hof acht hierbij van belang dat
klager op het moment dat hij merkte dat er in de uitspraak een deel van de zin was
weggevallen, waardoor hij de overweging niet (geheel) kon volgen, aan het hof had
kunnen verzoeken de uitspraak aan te vullen, dan wel de kennelijke fout te verbeteren.
Verzoeker heeft dat nagelaten. Voorgaande levert geen grond voor herziening op.
3.10 Ook de overige door verzoeker in zijn verzoekschrift en op de zitting bij het hof genoemde gronden (waaronder de schending van het recht op een vrije arbeidskeuze) kunnen niet tot het oordeel leiden dat er sprake is van de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.
3.11 Het herzieningsverzoek zal worden afgewezen.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- wijst het herzieningsverzoek af.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.F. Baaij, K.H.A.
Heenk, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 februari 2026.