ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-02-2026 |
| Datum publicatie: | 13-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250337 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Beklag tegen beslissing raad van toezicht houdende verzet tegen de inschrijving |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw. |
Beslissing van 13 februari 2026
in de zaak 250337
naar aanleiding van het beklag van:
klager
tegen:
de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
de raad van de orde
vertegenwoordigd door de deken
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de raad. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad van de orde en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof de feiten en het verzoek en de weigering op een rij. Daarna volgen de gronden van het beklag en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van de orde
2.1 Klager heeft op 8 juli 2025 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advw.
2.2 De raad heeft bij beslissing van 23 september 2025 primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen op grond van het feit dat op een eerder verzoek van klager van 1 juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.
Bij het hof van discipline
2.3 Klager heeft op 24 september 2025 bij het hof een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advw tegen de beslissing van de raad.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof een e-mail van klager van 29 november
2025 met een nadere toelichting op het beklag en bijlagen.
2.5 Het hof heeft de zaak (tegelijk met zaaknummers 240221 en 240203H) mondeling
behandeld tijdens de openbare zitting van 15 december 2025. Daar zijn klager, de deken
en de adjunct-secretaris van de deken verschenen. Klager en de deken hebben hun standpunt
toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager heeft zich op 16 september 2016 van het tableau laten schrappen.
3.3 Klager heeft op 12 juli 2021 bij de raad een verzoek in gediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 11 november 2021 geweigerd dit verzoek in behandeling te nemen. Op 21 november 2021 heeft klager een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 4 april 2022 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2022:79).
3.4 Klager heeft op 28 april 2023 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. Bij beslissing van 16 november 2023 het verzoek met toepassing van artikel 4 lid 1 onder a Advw geweigerd. Op 24 november 2023 heeft klager een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 1 juli 2024 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2024:190). Klager heeft tegen deze beslissing een herzieningsverzoek ingediend.
3.5 Klager heeft op 1 juli 2024 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 8 augustus 2024 primair besloten het verzoek buiten behandeling te laten (artikel 2 lid 9 Advw) en subsidiair het verzoek geweigerd op grond van artikel 4 lid 1b Advw. Op 10 augustus 2024 heeft klager een beklag als bedoeld in artikel 5 Advw ingediend. Dit beklag ligt nog bij het hof ter beslissing voor.
3.6 Klager heeft op 8 juli 2025 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft 23 september 2025 primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen en subsidiair geweigerd in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw. Op 24 september 2025 heeft klager het onderhavige beklag als bedoeld in artikel 5 Advw ingediend.
4 HET VERZOEK EN DE WEIGERING
4.1 Klager heeft op 8 juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de raad.
4.2 De raad heeft op het verzoek van klager bij beslissing van 23 september 2025 beslist. De raad heeft overwogen dat klager op 28 april 2023 en 1 juli 2024 eerder heeft verzocht om inschrijving als advocaat. Bij besluit van 16 november 2023 heeft de raad het verzoek van 28 april 2023 geweigerd in behandeling te nemen. Op 1 juli 2024 heeft het hof het door klager ingediende beklag ongegrond verklaard, waarmee de beslissing van de raad van 16 november 2023 definitief is geworden. Klager heeft een verzoek tot herziening ingediend van de beslissing van het hof van 1 juli 2024. Bij beslissing van 8 augustus 2024 heeft de raad het verzoek van 1 juli 2024 buiten behandeling gelaten en subsidiair geweigerd in behandeling te nemen. Het hof heeft nog niet beslist op het daartegen door klager ingediende beklag.
4.3 De raad heeft geconstateerd dat de beslissing van de raad van 8 augustus 2024 nog niet onherroepelijk is geworden. Nu op het verzoek tot inschrijving van 1 juli 2024 nog niet onherroepelijk is geoordeeld, dient het hernieuwde verzoek van 8 juli 2025 buiten behandeling te worden gesteld.
4.4 Ten overvloede heeft de raad overwogen dat klager met het ingediende verzoek met bijlagen nog immer onvoldoende duidelijk maakt hoe de kwaliteit van de dienstverlening gewaarborgd zal zijn en hoe dit toetsbaar zal worden gemaakt voor de raad. Daarbij komt dat met betrekking tot de genoemde samenwerking met mr. R.H. S. voor de raad nog immer onvoldoende duidelijk is hoe die samenwerking inhoudelijk wordt gewaarborgd. De raad is van oordeel dat er onvoldoende waarborgen worden gegeven voor wanneer klager zelfstandig praktijk moet gaan houden en blijft bij zijn conclusie dat er nog immer voldoende vrees bestaat zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder b Advw.
4.5 De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen op grond van het feit dat op het eerdere verzoek van 1 juli 2024 nog niet onherroepelijk is geoordeeld en subsidiair het verzoek geweigerd in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.
5 DE GRONDEN VAN HET BEKLAG
Beklag
5.1 Klager heeft in het beklagschrift aangevoerd dat het weigeren zijn verzoek
in behandeling te nemen omdat een eerder verzoek nog in behandeling is bij het hof
geen afwijzingsgrond is die steun vindt in de Advocatenwet. Ter zitting bij het hof
heeft hij nader onderbouwd dat naar zijn mening er een nieuw verzoek kan worden gedaan
een jaar na het vorige verzoek.
5.2 Voor zover de raad het verzoek van klager subsidiair heeft geweigerd op grond van artikel 4 lid onder b Advw (gegronde vrees), heeft klager aangevoerd dat de raad moet aantonen dat er een gegronde vrees bestaat dat hij als advocaat inbreuk zal maken op de voor advocaten geldende wetten, verordeningen en besluiten, of dat hij zich anderszins schuldig zal maken aan handelen of nalaten wat en behoorlijk advocaat niet betaamt. Bij de raad ligt de bewijslast. Nergens uit blijkt dat de raad aan die last heeft voldaan. Klager heeft naar zijn zeggen alle stukken ingediend waar de raad om heeft gevraagd, zodat hij alle waarborgen biedt (waaronder samenwerking met een andere advocaat) waar de raad om heeft gevraagd. Volgens klager kan de raad zich niet beroepen op feiten die zich meer dan 8 jaar geleden hebben voorgedaan om te onderbouwen dat er nog gegronde vrees bestaat zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder b Advw. Klager moet er – naar zijn zeggen – op kunnen vertrouwen dat hij na verloop van tijd niet meer wordt geconfronteerd met beroepsmatige fouten uit het verleden. Dat er geen afbakening is voor een periode waarbinnen nog met feiten uit het verleden rekening mag worden gehouden, creëert een situatie van onzekerheid die onverenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus klager. Hij verwijst daarvoor naar bestuursrechtelijke jurisprudentie.
Verweer
5.3 De deken heeft ter zitting bij het hof het standpunt van de raad herhaald
dat op grond van artikel 2 lid 9 Advw pas een nieuw verzoek kan worden gedaan een
jaar nadat de beslissing waarin een eerder verzoek is geweigerd onherroepelijk is
geworden.
6 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid van het beklag
6.1 Artikel 2 lid 9 Advw bepaalt dat indien een beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw onherroepelijk is geworden, een nieuw verzoek dat is ingediend binnen een jaar na het geweigerde verzoek, buiten behandeling wordt gelaten. Naar het oordeel van het hof kan deze bepaling niet anders worden uitgelegd dan dat ná de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw een jaar moet zijn verstreken én dat daarnaast de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek onherroepelijk moet zijn geworden. Dit betekent dat als er een beklag is ingediend, de beslissing pas onherroepelijk is nadat het hof op het beklag heeft beslist.
6.2 Klager heeft op 1 juli 2024 een eerder verzoek gedaan tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 8 augustus 2024 primair besloten dit verzoek buiten behandeling te laten (op grond van artikel 2 lid 9 Advw) en subsidiair het verzoek geweigerd in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw. Klager heeft tegen deze beslissing op 10 augustus 2024 een beklag ingediend. Op dit beklag zal door het hof worden beslist op dezelfde datum als deze uitspraak. Daarmee was de beslissing van de raad van 8 augustus 2024 op het moment van het nieuwe verzoek van klager op 8 juli 2025 nog niet onherroepelijk geworden en heeft de raad het nieuwe verzoek terecht buiten behandeling gelaten.
6.3 Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond
van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving
in behandeling te nemen op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advocatenwet,
niet de mogelijkheid van beklag open
(zie HvD 30 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:93). Het hof zal het beklag dan ook niet-ontvankelijk
verklaren.
6.4 Omdat de raad het verzoek van klager van 8 juli 2025 reeds terecht primair op grond van artikel 2 lid 9 Advw buiten behandeling heeft gelaten, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.
7 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam van 23 september 2025 niet-ontvankelijk;
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.F. Baaij, K.H.A. Heenk, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 februari 2026.